Elie Aron Cohen

Oorlogsmonument in Aduard

Een monumentje voor de gevallenen. Het staat in Aduard, even ten westen van Groningen. Het trof me door het opschrift: “Aduard gedenkt zijn gevallenen”, waarna niet alleen de mensen staan vermeld die in Nederland zijn gedood – wellicht verzetsstrijders – maar ook degenen die zijn vermoord in Auschwitz, Sobibor, Neuengamme en Malchow. Zo te zien richtte Aduard het monument al op vóór alle slachtoffers bekend waren, want drie namen zijn later toegevoegd.

Zoals gezegd trof het opschrift me. Het onderscheid dat je soms ziet, waarbij de joden een apart monument krijgen, ontbreekt. Ik heb daar altijd twee gedachten bij. Soms denk ik: wat de joden overkwam, was zo uitzonderlijk dat het een speciaal monument verdient. Dan weer denk ik: door de joden apart van andere Nederlanders een monument te geven, presenteer je ze als bijzonder en neem je het standpunt over van de bezetter. Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken.

Lees verder “Elie Aron Cohen”

De republiek Groningen

Ik beschouw Philip Dröge als een van de beste geschiedschrijvers die ik ken. Geef hem een onderwerp – de ontploffing van de Tambora, het wonderlijke staatje Neutraal Moresnet, het leven van Snouck Hurgronje – en laat hem maar vertellen. Meestal begint hij zijn hoofdstukken met een anekdote en verleidt hij de lezer ertoe zich met de personages te identificeren. Geschiedenis gaat bij Dröge niet over structuren en processen maar over mensen.

En nu publiceert hij een korte novelle. Voor twee euro laat je De republiek Groningen niet liggen. Dröge vertelt hoe de provincie Groningen zich in 1980 afscheidt van Nederland. Natuurlijk begint de novelle anekdotisch; met een symbolische handeling nemen de Groningers afscheid. Johan Faber, de man die symbolisch de grens op een brug schildert, aarzelt. En dat blijft hij. “Hij participeert eigenlijk niet; hij observeert vooral.”

Lees verder “De republiek Groningen”

Oost-Groningen (strokarton)

Ooit was dit de laatste strokartonfabriek van Nederland (Oude Pekela)

Onlangs blogde ik over mijn lagere school in de Apeldoornse nieuwbouwwijk Zevenhuizen. Daar had ik natuurlijk ook aardrijkskundeles, waarbij we de Nederlandse provincies moesten leren. Van Groningen herinner ik me de zeehaven van Delfzijl, het kort daarvoor afgesloten Lauwersmeer, de scheepswerven van Hoogezand-Sappemeer, de gasbel bij Slochteren (inclusief bodemdaling – rond 1975 al bekend) en de ontginningen voorbij Veendam. En verder waren er producten met mysterieuze namen als aardappelmeel en strokarton. Het beroemde liedje Oost-Groningen van Drs.P. had voor mij dus een hoge herkenningswaarde.

Een week of wat geleden ben ik naar het Veenkoloniaal Museum te Veendam gefietst. Dat is een opvallend leuk museum en beslist de moeite van uw bezoek waard. Ik was vooral onder de indruk van de expositie over schippersvrouwen. Ik meende te weten dat het tegen eind negentiende eeuw een bron van trots was als een gezin voldoende inkomsten had om de vrouw des huizes vrij te stellen van betaald werk, en dat het behoorlijk taboedoorbrekend was dat rijkere vrouwen (zoals een Mina Kruseman) juist wél gingen werken. De zelfverzekerde Oost-Groningse schippersfamilies waren, zo leerde ik, een uitzondering. Misschien is het geen toeval dat Aletta Jacobs kwam uit Sappemeer. Hoe dat ook zij, de schippersfamilies waren rijk genoeg om de echtgenotes van de opvarenden niet te hoeven laten werken, maar toch was een derde van de schepelingen vrouw. Prachtige foto’s trouwens. Maar goed, ik kwam voor het strokarton.

Lees verder “Oost-Groningen (strokarton)”

Van Giffen, bioloog en archeoloog

Die Fauna der Wurten

Ik heb weleens verteld hoe de Lachmannmethode, waarbij classici en andere filologen de tekstvarianten in middeleeuwse handschriften gebruiken om de antieke originelen te reconstrueren, het model was voor de evolutietheorie van Charles Darwin. Evolutiebiologen gebruiken immers op analoge wijze hedendaagse diersoorten om te komen tot plausibele reconstructies van uitgestorven voorgangers. Een soortgelijke kruisbestuiving zien we bij Van Giffen (1884-1973).

Als je afgaat op hoe archeologen spreken over deze invloedrijke archeoloog, was zijn voornaam Professor, maar hij heette eigenlijk Albert. En hoewel hij beroemd is geworden als archeoloog, was hij van huis uit bioloog. Zijn leermeester was Jan-Willem Moll. Het door Van Giffen opgerichte instituut in Groningen heette dan ook het Biologisch-Archeologisch Instituut – de huidige naam doet die traditie niet zoveel recht.

Lees verder “Van Giffen, bioloog en archeoloog”

De lange ij en de korte ei

Het Reitdiep

Ik zat in de eerste klas van de lagere school, dus zeg maar groep drie van wat in Nederland nu de basisschool heet. Daar, op de Olavschool in de Apeldoornse nieuwbouwwijk Zevenhuizen, leerde ik lezen en schrijven van mevrouw Nagelkerke. Ik heb haar vele jaren later, toen ik in een bibliotheek kwam praten over een boek dat ik had geschreven, nog eens ontmoet. Eerlijk gezegd herkende ik haar niet maar het was heel leuk degene terug te zien zonder wie ik überhaupt niet zou hebben kunnen schrijven. Laat staan een boek.

Zoals het met schoolgaande kinderen gaat was ik ook weleens ziek of vond mijn moeder het verstandiger me een dagje thuis te houden. Zo is het dus gekomen dat ik niet aanwezig was toen mevrouw Nagelkerke haar klas het verschil uitlegde tussen de lange ij en de korte ei.

Lees verder “De lange ij en de korte ei”

Carl von Rabenhaupt

Carl von Rabenhaupt

De bovenstaande buste van Carl von Rabenhaupt is te zien op een van de buitenmuren van het Groningse Goudkantoor, ooit het kantoor van de ontvanger van de provinciale belastingen. Het besnorde heerschap was in de zeventiende eeuw een van de commandanten van het Staatse leger. Meer precies: hij verdedigde Groningen tijdens het Rampjaar.

Rampjaar

In 1672 vielen Frankrijk en Engeland de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan. Dat vormde het begin van wat tijdens mijn studie nog de Guerre de Hollande heette en inmiddels, zo zie ik op de Wikipedia, de Hollandse Oorlog. Eigenlijk kwam de oorlog vrij onverwacht. Dat de Franse koning Lodewijk XIV de noordelijke gewesten haatte, was bekend, maar dat Engeland zich liet verleiden tot een bondgenootschap, was onlogisch. Het was geen Brits belang dat de Fransen de Vlaamse en Hollandse kusten zouden beheersen. Een Britse diplomaat met ervaring in Den Haag, William Temple, oordeelde dat zelfs een donderslag op een wolkeloze winterdag de wereld niet meer had kunnen verbazen.

Engeland was echter niet de enige bondgenoot van de Fransen. Ook het prinsbisdom Münster, dat zich langs de Eems uitstrekte tot aan de Dollard, was van de partij. En het was tegen deze laatste tegenstander, bisschop Bernhard von Galen van Münster, dat Von Rabenhaupt zich bewees.

Lees verder “Carl von Rabenhaupt”

Op de doorluchtige zege van Groninge

Vondel (Rijksmuseum, Amsterdam)

Op de doorluchtige zege van Groninge

Alias inter caput extulit urbes.

O GRONINGE, pilaer en hooftstadt van de Vriezen,
Van waer begint men best t’ ontvouwen uwen lof?
Uw bouheer Grunus most u tot zijn wijk verkiezen,
Zoo vroegh voor Christus komste, en boude hier zijn hof;
Of liever, zoo men zegt, de broêr van ’t hooft der Franken
Ontworp u arm en slecht. Nu, sestigh jaer geleên
En noch vijfhondert, most gy uwe stichters danken,
Die u bevestighden met toornen, graft en steen.

Maer namaels, aengegroeit in maght en burgeryen,
Ontzaeghtge min ’t gewelt, en proefde menighwerf
Het wisselbaere lot des oorloghs onder ’t stryen,
Doch noit met meer gevaers van ’t uiterste bederf,
Dan toen de Keurvorst en de Vorst van Munster t’zaemen,
Gesterkt met Fransche maght, u vielen op het lijf,
Met gloênde kogelen u overstulpen quamen,
En teffens out, en jongk, en maeght, en man, en wijf
Zich quijtende, noch storm, noch doots gevaer ontzagen,
Tot dat de vyanden verlieten uwen wal,
Na zulck een zwaer verlies, en droeve nederlaegen,
Waerop de zegegalm zich uitspreide overal.

Uw schermheer RAVENHOOFT, hebt gy, naest Godt, te loven
Voor uw behoudenis. Dees terger van de doot
Bewaekte u, tot dat gy het onheil quaemt te boven,
En stont de stormbuy uit van bommen vier en loot.
O GRONINGE, uit het puin en asch en stof verrezen,
Vergeet de weldaet niet, die Godt u heeft bewezen.

Joost van den Vondel

Lees verder “Op de doorluchtige zege van Groninge”

De wierde van Saaksum

De wierde van Saaksum

In de vierde eeuw v.Chr., toen het Nederlandse rivierengebied deel uitmaakte van de La Tène-cultuur, was de noordelijke kustzone een van de dichtst bewoonde gebieden in de regio. Het was er vooral nat. Het landschap, grotendeels kwelders, was herkenbaarder dan nu doorsneden door rivieren. De mensen woonden op de oeverwallen en verhoogden, om zeker te zijn van droge voeten, hun woonplaatsen. Zo ontstonden de eerste wierden. (De Friezen spreken van terpen.)

In de loop der eeuwen zetten de rivieren en de zee steeds weer klei af, waardoor de wierden relatief lager kwamen te liggen en opnieuw opgehoogd moesten worden. Dit was deels een kwestie van nieuwe klei erop leggen, deels gebeurde het automatisch. De heuvel werd immers als vanzelf hoger doordat de bewoners afval lieten liggen. Ik heb weleens geblogd over hoe de Romeinen naar dit landschap keken: verbluft.

Lees verder “De wierde van Saaksum”

MoM | Digitale archeologie

Als een wetenschap zich niet presenteert als wetenschap, zal het publiek die wetenschap niet herkennen als wetenschap, en zoals de trouwe lezers van deze blog weten denk ik dat de diverse oudheidkundige bloedgroepen op dit punt nogal wat kunnen bijleren. Oudhistorici hebben het misbruik van de oude geschiedenis – afrocentrisme, Jezusmythicisme, koloniale frames – deels te wijten aan zichzelf; met hun goedbedoelde vertalingen tonen classici niet waarom het doorgronden van de antieke denkwereld geen “simsalabim, bron, spreek tot mij!” zou zijn; en archeologen hebben het vaker over vondsten dan over archeologie.

Ik ken maar één museum dat echt gewijd is aan archeologie als archeologie: het is in Brugge. Een tijdelijk alternatief is er nu in het Universiteitsmuseum in Groningen, waar tot eind dit jaar een expositie is met de naam “Dig it all. Archeologie van de toekomst”. Met de leutige naam heb ik al de helft van de minpunten genoemd; het is namelijk een erg geslaagde tentoonstelling over de invloed van digitale technieken op de archeologie, en als u in het noorden bent, moet u er zeker naartoe.

Lees verder “MoM | Digitale archeologie”

Majoor Thomson

Majoor Thomson
Majoor Thomson

De eerste aanblik van Groningen, als je met de trein aankomt, is niet best. Vanuit het kanaal ligt het museumgebouw om aandacht te schreeuwen en hoewel er binnen altijd leuke tentoonstellingen zijn, gaat het bouwwerk al snel vervelen. Als je er eenmaal voorbij bent, opent zich echter een heel leuke stad. Vraag me niet om één markant punt te noemen; het is meer een stad vol kleine, onverwachte vondsten. Zoals het hotel waar ik ooit sliep, WEEVA (Woon- En Eethuis Voor Allen): op de gangen zijn de bordjes met de kamernummers gemaakt in een prachtige oude letter. Ik kan daar verliefd op worden.

Als je van het station over de Hereweg naar het zuiden wandelt – de beste manier om zo snel mogelijk niet naar het museum te hoeven kijken – passeer je (tegenover de Mesdagkliniek) het beeldje dat u hierboven ziet: majoor Lodewijk Thomson. Hij is gesneuveld op 15 juni 1914.

Lees verder “Majoor Thomson”