Hunebed van de dag: G1 (Noordlaren)

Hunebed G1 bij Noordlaren

Het op één na noordelijkste hunebed in Nederland, hunebed G1, staat ook wel bekend als de Steenberg. In het Gronings is dat natuurlijk zoiets als Stainbarg. Dat is een gebruikelijke naam voor zo’n monumentaal Trechterbekergraf. Volgende week blog ik over een Drents dorp dat naar een hunebed Steenbergen is genoemd.

We weten dit keer iets over het landschap waar de hunebedbouwers hun grafmonument neerzetten, want in het westen kronkelde de Drentsche Aa en in het oosten de Hunze. Op de landtong daartussen woonden dus mensen. Ze hadden hun akkers vlakbij een klein rond meertje, dat is ontstaan toen een gletsjer zich terugtrok (een “doodijsgat”). Er zijn meer hunebedden bij zulke meertjes, zoals D2 en D35, die liggen bij pingoruïnes.

Lees verder “Hunebed van de dag: G1 (Noordlaren)”

Hunebed van de dag: G5 (Heveskesklooster)

Hunebed G5

Het allernoordelijkste hunebed in Nederland is gevonden op een plek die bekendstaat als Heveskesklooster. Het geeft niet als u niet weet waar dat ligt, want het is een vlek op de landkaart. Het bijbehorende dorp Heveskes, even ten zuiden van Delfzijl, bestaat niet eens meer.

Archeologen die een wierde onderzochten, vonden het hunebed in 1982 en omdat het ter plekke niet viel te conserveren, brachten ze het over naar het Muzeeaquarium in Delfzijl. Het is in een oude Duitse munitiebunker, net over de zeedijk. Behalve het hunebed biedt het, zoals de naam al aangeeft, een aquarium met Waddenzeevissen. Ook zijn er zalen met uitleg over geologie en archeologie, over de geschiedenis van de regio en over de Delfzijlse zeevaart.

Lees verder “Hunebed van de dag: G5 (Heveskesklooster)”

Alle hunebedden

Hunebed D54 bij Havelte

Het allerbeste was dus voor het laatste bewaard. Deze zomer vinkte ik de drie laatste exemplaren af op mijn lijstje van hunebedden. Anderhalf jaar daarvoor had ik het plan opgevat ze allemaal eens te bezoeken. Het plan beloofde immers allerlei leuke fietstochtjes voor de perioden zonder lockdown, en dat in een van de mooiste delen van Nederland: Drenthe. Het laatste deel van de buit haalde ik binnen op 20 augustus in Havelte, waar twee van die monumenten zijn, en in Diever, waar ook hunebeddenvorser Albert van Giffen (1884-1973) begraven ligt. Het laatste drietal behoorde tot het mooiste en lag in een zonovergoten, schitterend landschap. Fiets van Diever verder via de radiotelescoop van Dwingeloo en je dag is goed.

Trechterbekercultuur

Vermoedelijk ten overvloede: hunebedden zijn van enorme zwerfkeien gemaakte grafmonumenten en behoren tot de zogeheten Trechterbekercultuur. Die moet u tussen 3350 en 2750 v.Chr. plaatsen, dus terwijl in Egypte de Naqada-tijd overgaat in het Oude Rijk en terwijl in Mesopotamië de stedelijke cultuur zich ontwikkelt. De bouw van de hunebedden staat daarvan los, maar Drenthe was via Roemenië, waarvandaan zéér incidenteel metaal werd geïmporteerd, verbonden met het Nabije Oosten.

Door de aard van de Drentse bodem bleven menselijke resten in de grafmonumenten slecht bewaard, maar archeologen hebben wel aardewerk en werktuigen gevonden. We weten verder zeker dat de Trechterbekercultuur een boerensamenleving was. Verder vermoeden we dat de hunebedden, waar de voorouders rustten, tevens dienden om aan te geven “dit gebied hier is van ons”.

De naam “hunebedden” is misschien aanleiding voor een misverstand. Het woord herinnert niet aan de Hunnen maar aan de hunen ofwel reuzen. Dat waren de bouwers immers, dachten de eerste, zeventiende-eeuwse onderzoekers. Mensen als dominee Johan Picardt en de Groningse dichteres Titia Brongersma, die bij het hunebed bij Borger onderzocht.

Hunebed D15 bij Loon

Sloop en onderzoek

Ooit waren er in Drenthe zeker tachtig hunebedden. Tegenwoordig zijn er nog tweeënvijftig. Ze hebben geleden onder moedwillige sloop. De zware stukken steen  bleken namelijk nuttig voor de versterking van de dijkbeschoeiingen toen de paalwormepidemie vanaf 1730 Nederland trof. In de negentiende eeuw zijn verschillende grafmonumenten “onoordeelkundig gerestaureerd”, wat een eufemisme is voor het verwijderen van de dekheuvels. Daardoor kwamen de stenen  vrij te liggen, wat een ons vertrouwd plaatje opleverde, maar niet bijdroeg aan de conservering.

Pas na de Tweede Wereldoorlog is vastgesteld dat die dekheuvels vaak in twee of drie fasen waren gebouwd, ook ná de Trechterbekertijd. De monumenten waren dus oorspronkelijk deels onbedekt. De grafvelden zelf bleven, ook toen men geen hunebedden meer bouwde, nog eeuwenlang in gebruik.

Trechterbeker uit Hunebed D26 (Hunebedcentrum, Borger)

Het echte wetenschappelijk onderzoek is pas een eeuw geleden begonnen. Na J.H. Holwerda (die de hunebedden D19 en D20 bij Drouwen verkende) zijn vooral de al genoemde Albert van Giffen en Jan Albert Bakker belangrijk. Van Van Giffen is de aanduiding: de D staat voor Drenthe en binnen die provincie loopt de nummering losjes van noord naar zuid. Er zijn ook hunebedden in Groningen (G). Enkele Overijsselse, Friese en Utrechtse hunebedden zijn of geruimd of ten onrechte op de lijst gezet.

Deze blog

Vandaag begin ik aan een drieënveertig delen tellende & vele weken durende reeks “het hunebed van de dag”. Van noord naar zuid krijgt u van elk hunebed een foto en wat beknopte toelichting. Toelichting waarvoor ik geen enkele originaliteit claim, aangezien ik die heb ontleend aan Herman Clerinx’ mooie boek over de Trechterbekercultuur, Een paleis voor de doden. Over hunebedden, dolmens en menhirs, en aan Wijnand van der Sandens Gids voor de hunebedden in Drenthe en Groningen. Beide boeken verschenen in 2017. Verder vindt u veel informatie op Hunebeddeninfo.nl en Hunebedden.nl.

Hunebed D17 bij Rolde

Hieronder is een tabel waarmee u de hunebedden van uw keuze kunt opzoeken. Ik voorzie dat de reeks doorloopt tot eind januari 2022. Anders gezegd, de linkjes zijn er maar de artikelen zijn er nog niet. Hunebed G5 zal later vandaag als eerste online gaan.

D1 (Steenbergen) D2 (Westervelde) D3 (Midlaren) D4 (Midlaren)
D5 (Zeijen) D6 (Tynaarlo) D7 (Schipborg) D8 (Anloo)
D9 (Annen) D10 (Gasteren) D11 (Anloo) D12 (Eexteres)
D13 (Eext) D14 (Eexterhalte) D15 (Loon) D16 (Balloo)
D17 (Rolde) D18 (Rolde) D19 (Drouwen) D20 (Drouwen)
D21 (Bronneger) D22 (Bronneger) D23 (Bronneger) D24 (Bronneger)
D25 (Bronneger) D26 (Drouwen) D27 (Borger) D28 (Buinen)
D29 (Buinen) D30 (Exloo) D31 (Exloo) D32 (Odoorn)
D34 (Odoorn) D35 (Valthe) D36 (Valthe) D37 (Valthe)
D38 (Emmerveld) D39 (Emmerveld) D40 (Emmerveld) D41 (Emmen)
D42 (Westenesch) D43 (Emmen) D44 (Westenesch) D45 (Emmen)
D46 (Emmen) D47 (Emmen) D49 (Schoonoord) D50 (N-Sleen)
D51 (N-Sleen) D52 (Diever) D53 (Havelte) D54 (Havelte)
G1 (Noordlaren) G5 (H’klooster) D55” (Gasselte)

Zoals gezegd heb ik met deze stukjes geen enkele pretentie, behalve u laten delen in het plezier dat ik zelf heb gehad aan enkele fietstochtjes door mooie landschappen.  Voor echte informatie moet u zijn bij het Muzeeaquarium in Delfzijl, het Hunebedcentrum in Borger, het Drents Museum in Assen en de boeken en websites die ik in de stukjes zal noemen. Ook wil ik nog even noemen dat ze daar in die noordelijke contreien geweldige limoncello maken.

Moderne reconstructie van een hunebed (Hunebeddencentrum, Borger)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De wierde van Adorp

Adorp

Ik mopper weleens over de hypes waarmee archeologen vissen naar fondsen. Over het badhuis in Heerlen dat, door een heel specifieke definitie van “gebouw” te hanteren, het oudste gebouw van Nederland zou zijn. Over de wijze waarop het vele junk nieuws over de limes ons zicht belet op verdieping. Of over de Cuijkse affaire. Het valt inmiddels op als een archeoloog niet overdrijft. Dus ging ik, toen ik dit artikel had gelezen, op de koffie bij de mensen die momenteel aan het werk zijn in Adorp, halverwege Groningen en Winsum.

De wierde

Het is al langer bekend dat daar in de Oudheid een belangrijke wierde heeft gelegen, vlakbij een kreek die wel in verband zal hebben gestaan met de Hunze. Nu daar een fietspad wordt aangelegd, wordt er onderzoek gedaan en de opgravers stonden versteld over hun vondsten. Het waren er meer dan verwacht, veel meer zelfs, en ze dateerden allemaal uit de tijd van de eerste eeuw v.Chr. tot eind tweede eeuw n.Chr.

Lees verder “De wierde van Adorp”

Elie Aron Cohen

Oorlogsmonument in Aduard

Een monumentje voor de gevallenen. Het staat in Aduard, even ten westen van Groningen. Het trof me door het opschrift: “Aduard gedenkt zijn gevallenen”, waarna niet alleen de mensen staan vermeld die in Nederland zijn gedood – wellicht verzetsstrijders – maar ook degenen die zijn vermoord in Auschwitz, Sobibor, Neuengamme en Malchow. Zo te zien richtte Aduard het monument al op vóór alle slachtoffers bekend waren, want drie namen zijn later toegevoegd.

Zoals gezegd trof het opschrift me. Het onderscheid dat je soms ziet, waarbij de joden een apart monument krijgen, ontbreekt. Ik heb daar altijd twee gedachten bij. Soms denk ik: wat de joden overkwam, was zo uitzonderlijk dat het een speciaal monument verdient. Dan weer denk ik: door de joden apart van andere Nederlanders een monument te geven, presenteer je ze als bijzonder en neem je het standpunt over van de bezetter. Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken.

Lees verder “Elie Aron Cohen”

De republiek Groningen

Ik beschouw Philip Dröge als een van de beste geschiedschrijvers die ik ken. Geef hem een onderwerp – de ontploffing van de Tambora, het wonderlijke staatje Neutraal Moresnet, het leven van Snouck Hurgronje – en laat hem maar vertellen. Meestal begint hij zijn hoofdstukken met een anekdote en verleidt hij de lezer ertoe zich met de personages te identificeren. Geschiedenis gaat bij Dröge niet over structuren en processen maar over mensen.

En nu publiceert hij een korte novelle. Voor twee euro laat je De republiek Groningen niet liggen. Dröge vertelt hoe de provincie Groningen zich in 1980 afscheidt van Nederland. Natuurlijk begint de novelle anekdotisch; met een symbolische handeling nemen de Groningers afscheid. Johan Faber, de man die symbolisch de grens op een brug schildert, aarzelt. En dat blijft hij. “Hij participeert eigenlijk niet; hij observeert vooral.”

Lees verder “De republiek Groningen”

Oost-Groningen (strokarton)

Ooit was dit de laatste strokartonfabriek van Nederland (Oude Pekela)

Onlangs blogde ik over mijn lagere school in de Apeldoornse nieuwbouwwijk Zevenhuizen. Daar had ik natuurlijk ook aardrijkskundeles, waarbij we de Nederlandse provincies moesten leren. Van Groningen herinner ik me de zeehaven van Delfzijl, het kort daarvoor afgesloten Lauwersmeer, de scheepswerven van Hoogezand-Sappemeer, de gasbel bij Slochteren (inclusief bodemdaling – rond 1975 al bekend) en de ontginningen voorbij Veendam. En verder waren er producten met mysterieuze namen als aardappelmeel en strokarton. Het beroemde liedje Oost-Groningen van Drs.P. had voor mij dus een hoge herkenningswaarde.

Een week of wat geleden ben ik naar het Veenkoloniaal Museum te Veendam gefietst. Dat is een opvallend leuk museum en beslist de moeite van uw bezoek waard. Ik was vooral onder de indruk van de expositie over schippersvrouwen. Ik meende te weten dat het tegen eind negentiende eeuw een bron van trots was als een gezin voldoende inkomsten had om de vrouw des huizes vrij te stellen van betaald werk, en dat het behoorlijk taboedoorbrekend was dat rijkere vrouwen (zoals een Mina Kruseman) juist wél gingen werken. De zelfverzekerde Oost-Groningse schippersfamilies waren, zo leerde ik, een uitzondering. Misschien is het geen toeval dat Aletta Jacobs kwam uit Sappemeer. Hoe dat ook zij, de schippersfamilies waren rijk genoeg om de echtgenotes van de opvarenden niet te hoeven laten werken, maar toch was een derde van de schepelingen vrouw. Prachtige foto’s trouwens. Maar goed, ik kwam voor het strokarton.

Lees verder “Oost-Groningen (strokarton)”

Van Giffen, bioloog en archeoloog

Die Fauna der Wurten

Ik heb weleens verteld hoe de Lachmannmethode, waarbij classici en andere filologen de tekstvarianten in middeleeuwse handschriften gebruiken om de antieke originelen te reconstrueren, het model was voor de evolutietheorie van Charles Darwin. Evolutiebiologen gebruiken immers op analoge wijze hedendaagse diersoorten om te komen tot plausibele reconstructies van uitgestorven voorgangers. Een soortgelijke kruisbestuiving zien we bij Albert van Giffen (1884-1973).

Als je afgaat op hoe archeologen spreken over deze invloedrijke archeoloog, was zijn voornaam Professor, maar hij heette eigenlijk Van Giffen. En hoewel hij beroemd is geworden als archeoloog, was hij van huis uit bioloog. Zijn leermeester was Jan-Willem Moll. Het door Albert van Giffen opgerichte instituut in Groningen heette dan ook het Biologisch-Archeologisch Instituut – de huidige naam doet die traditie niet zoveel recht.

Lees verder “Van Giffen, bioloog en archeoloog”

De lange ij en de korte ei

Het Reitdiep

Ik zat in de eerste klas van de lagere school, dus zeg maar groep drie van wat in Nederland nu de basisschool heet. Daar, op de Olavschool in de Apeldoornse nieuwbouwwijk Zevenhuizen, leerde ik lezen en schrijven van mevrouw Nagelkerke. Ik heb haar vele jaren later, toen ik in een bibliotheek kwam praten over een boek dat ik had geschreven, nog eens ontmoet. Eerlijk gezegd herkende ik haar niet maar het was heel leuk degene terug te zien zonder wie ik überhaupt niet zou hebben kunnen schrijven. Laat staan een boek.

Zoals het met schoolgaande kinderen gaat was ik ook weleens ziek of vond mijn moeder het verstandiger me een dagje thuis te houden. Zo is het dus gekomen dat ik niet aanwezig was toen mevrouw Nagelkerke haar klas het verschil uitlegde tussen de lange ij en de korte ei.

Lees verder “De lange ij en de korte ei”

Carl von Rabenhaupt

Carl von Rabenhaupt

De bovenstaande buste van Carl von Rabenhaupt is te zien op een van de buitenmuren van het Groningse Goudkantoor, ooit het kantoor van de ontvanger van de provinciale belastingen. Het besnorde heerschap was in de zeventiende eeuw een van de commandanten van het Staatse leger. Meer precies: hij verdedigde Groningen tijdens het Rampjaar.

Rampjaar

In 1672 vielen Frankrijk en Engeland de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan. Dat vormde het begin van wat tijdens mijn studie nog de Guerre de Hollande heette en inmiddels, zo zie ik op de Wikipedia, de Hollandse Oorlog. Eigenlijk kwam de oorlog vrij onverwacht. Dat de Franse koning Lodewijk XIV de noordelijke gewesten haatte, was bekend, maar dat Engeland zich liet verleiden tot een bondgenootschap, was onlogisch. Het was geen Brits belang dat de Fransen de Vlaamse en Hollandse kusten zouden beheersen. Een Britse diplomaat met ervaring in Den Haag, William Temple, oordeelde dat zelfs een donderslag op een wolkeloze winterdag de wereld niet meer had kunnen verbazen.

Engeland was echter niet de enige bondgenoot van de Fransen. Ook het prinsbisdom Münster, dat zich langs de Eems uitstrekte tot aan de Dollard, was van de partij. En het was tegen deze laatste tegenstander, bisschop Bernhard von Galen van Münster, dat Von Rabenhaupt zich bewees.

Lees verder “Carl von Rabenhaupt”