De slag bij Farsalos (6)

Caesar (Archeologisch Museum, Palermo)

[Zesde deel van het verslag over de slag bij Farsalos. Het eerste was hier.]

In de vorige stukjes liet ik Julius Caesar (in de vertaling van Hetty van Rooijen) de slag bij Farsalos beschrijven. De legers van Caesar en Pompeius waren slaags geraakt, een ruitergevecht was in Caesars voordeel verlopen en zijn mannen konden hun tegenstanders omsingelen. Toen zij Pompeius’ leger in de rug aanvielen, keerde Pompeius terug naar zijn kamp.

De bestorming van Pompeius’ kamp

Toen de Pompeianen eenmaal op hun vlucht binnen hun wal bijeen waren gedrongen, leek het Caesar ongewenst ze in deze paniektoestand een adempauze te gunnen, en hij spoorde zijn soldaten aan de gunst van het Lot te benutten en het legerkamp te bestormen. Hoewel ze afgemat waren door de grote hitte (het was intussen al middag geworden) gehoorzaamden ze toch aan dit bevel, tot elke moeite bereid.

Het kamp werd door de cohorten die daar ter bewaking waren achtergelaten met vuur verdedigd, en nog veel feller door de Thraciërs en andere hulptroepen van barbaren. Want de soldaten die uit de slaglinie waren weggevlucht hadden, door schrik en vermoeidheid overmand, bijna allemaal hun wapens en standaards weggeworpen en ze dachten meer aan het vervolg van hun vlucht dan aan de verdediging van het legerkamp.

De mannen op de wal waren ook niet langer bestand tegen de regen van projectielen. Verzwakt door wonden verlieten ze hun post en vluchtten allen meteen achter hun centurio’s en krijgstribunen aan naar de hoge heuvels die tot aan het kamp liepen. (Burgeroorlog 3.96)

Luxe en eenvoud

Caesar, die sowieso een opvallend humorloze auteur is, wordt nu vilein. Het is misschien psychologie van de koude grond, maar het lijkt de ontlading van een enorme, lang opgebouwde frustratie, waarover zo meteen meer.

In Pompeius’ legerkamp waren priëlen te zien, een grote hoeveelheid uitgestald zilveren vaatwerk, tenten overdekt met verse graszoden – die van Lucius Lentulus en enkele anderen waren zelfs begroeid met klimop – en nog veel andere zaken die wezen op overmatige zucht naar weelde en vertrouwen in de overwinning. Deze hang naar overbodige luxe liet duidelijk zien dat ze geen enkele zorg hadden gekoesterd omtrent de afloop van de dag. En déze mannen beschuldigden Caesars behoeftige, aan ontberingen gewende leger van zucht naar weelde, terwijl dat leger steeds aan al het noodzakelijke gebrek had gehad! (Burgeroorlog 3.96)

Hoewel ik hierboven aangaf Caesar redelijk betrouwbaar te vinden, geloof ik dit niet. Het gaat om een marskamp; Pompeius was pas net hier aangekomen. De klimop kan echt niet in een week zijn opgeschoten. (In de beschrijving die Ploutarchos geeft van de inname van het kamp, zijn alle tenten voorzien van klimopranken.)

Het is eerder zo dat Caesar probeert de al eerder genoemde Publius Cornelius Lentulus Spinther in een slecht daglicht te plaatsen en daarbij een cliché gebruikt. Dit soort beschrijvingen van luxe kampen zijn gedocumenteerd van Herodotos in de vijfde eeuw v.Chr. tot de Historia Augusta in de vierde eeuw n.Chr. Ik had het cliché van Caesar echter niet verwacht. Ook over Pompeius is hij niet echt aardig: die zou te paard zijn gesprongen, door de achterpoort het kamp hebben verlaten en regelrecht naar Larisa zijn gereden.

[Wordt vanavond om acht uur vervolgd. Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

14 gedachtes over “De slag bij Farsalos (6)

  1. Dus Caesar is vilein als hij een cliché gebruikt dat vele andere auteurs ook gebruiken, en zelfs nog spaarzamer ook. Je hebt die man al beschuldigd van allerlei narigheden, maar is dit geen persoonlijk oordeel?

    “Ook over Pompeius is hij niet echt aardig: die zou te paard zijn gesprongen, door de achterpoort het kamp hebben verlaten en regelrecht naar Larisa zijn gereden.”

    Waarom is hij ‘niet echt aardig’ als hij beschrijft wat zijn tegenstander deed?

    1. Frans Buijs

      Omdat dat betekent dat Pompeius op de vlucht slaat en dat is natuurlijk een afgang voor een groot veldheer.

      1. Ja maar iedereen wist dat omdat het gebeurd was, dus waarom zou Caesar ‘vilein’ zijn als hij dat beschrijft? Ik zie in die beschrijving geen trappen na of zo..

  2. Robbert

    Over enkele blogjes terug. De overwinning begon met het op de vlucht jagen van Pompeius’ ruiterij. Ik heb daar nooit een bevredigende verklaring voor gelezen. De ruiterij van Caesar (1000) week terug (“volgens plan”) voor de aanval van de ruiterij van Pompeius (7000), onder bevel van Titus Labienus. Toen kwamen (ook “volgens plan”) de extra cohorten van Caesar (5 cohorten? zeg 1500 man? en “verdekt opgesteld”) in actie en zij dreven de ruiterlijk terug (“door met hun pilum volgens opdracht op de lichamen en gezichten van de ruiters in te steken”): dat zal al een heel karwei zijn geweest gezien de talloze paarden die op Caesars mannen afstormden, maar ik meen me te herinneren dat infanterie wel vaker cavalerie tegenhield. Maar het merkwaardigste van het verhaal is, dat met die tegengehouden voorhoede meteen al die 7000 man ruiterij als het ware in het niets verdween; dan wel de heuvels invluchtte en vandaaruit niet meer aan de slag deelnam.
    Stel nu even dat die 1500 infanterie 1000 ruiters onschadelijk maakten (dat lijkt me al een hoge schatting) dan zouden bij het zien daarvan 6000 krijgshaftige ruiters de benen hebben genomen?? Ze komen in het verhaal niet meer voor.
    Mijn eigen idee is dat (de toch zeer ervaren) Labienus feitelijk geen gezag had over die 7000, die bestond uit ruiters van vele (8 of meer, las ik ergens) zeer verschillende bondgenoten, die toen ze zagen dat er echt fors gevochten moest worden, er en masse de brui aan gaven, dit blijft toch heel merkwaardig of kent iemand vergelijkbare situaties?
    Door het in rook oplossen van die enorme ruiterij konden de door Caesar dus uiterst slim opgestelde cohorten vervolgens in een moeite door (alsof ze van de aanval van de vijandelijke ruiterijniet geleden hadden) deboogschutters en stenengooiers van Pompeius wegvegen en meteen de linkerflank van Pompeius’ slaglinie aanvallen. Geholpen door de eigen 1000 ruiterij, dat wel ( die zich door snel terugtrekken in het begin kkennelijkgeheel en al gespaard had) .
    Ook als die 7000 ruiters er wat minder waren (want er was ook nog wat cavalerie opgesteld op Pompeius’ rechterflank bij het riviertje) dan nog blijft het weggalopperen, zonder aan de strijd te hebben deelgenomen en zonder hergroepering en opnieuw aanvallen van de vele duizenden bondgenotenruiterdeelnemen van die bondgenoten-ruiters verbazingwekkend!

    1. Robbert

      … en zonder hergroepering en opnieuw aanvallen en in plaats daarvan wegvluchten van die vele duizenden bondgenoten- ruiters verbazingwekkend!

    2. Wat ook een rol zou kunnen spelen: Caesars infanteristen hadden enorme schilden, de befaamde scuta. Die zijn bijna manshoog. De ruiters reden af op een houten muur.

        1. Ben Spaans

          Maar de Parthen hadden bereden boogschutters. Dan heb je misschien al een ander speelveld?

    3. Moeilijk met zekerheid te zeggen maar Caesar had ervaring met infanterie die gemixt werd met cavalerie, hij had dat al eerder gedaan met Germaanse huurlingen.
      Voor een cavalerie-eenheid die zo wordt aangevallen (je moet dan niet denken aan een typische infanterie-eenheid in formatie) is kansloos: een ruiter moet dan op een aanvallende ruiter letten maar ondertussen komt er van onderen een aanvaller op je af.

      Waar de rest blijft? Pure paniek. We kennen meer gevallen van cavalerie die in onzekerheid raakt er er dan (massaal) vandoor gaat. cavalerie was voornamelijk geschikt tegen vijandelijke cavalerie en voor verkenning en achtervolging. tegen gesloten infanterie of dit soort gemixte eenheden waren ze nagenoeg kansloos als ze de vijand niet konden omsingelen. Pompeius zal met zijn overwicht dat laatste van plan zijn geweest.

    1. Robbert

      Jazeker, maar op welke een of andere manier.
      Te vermelden is nog dat, behalve de vele duizenden ruiters, ook bevelhebber Titus Labienus, de ervaren vroegere krijgsmakker van Caesar, niet meer in het verhaal voorkomt. Geen aanval onder zijn bezielende leiding met een deel van die ruiters of iets dergelijks, wat je zou verwachten.
      En niet omdat hij sneuvelde, dat gebeurde pas veel later in Spanje, bij een andere cavalerie-beweging onder zijn leiding…

        1. Robbert

          Robert Vermaat: bedankt voor de aanvulling.
          Ik merk wel op dat die mix van infanterie en cavalerie niet door de schrijvers vermeld werd (Caesar: “(de 6 achtergehouden cohorten) stormden snel naar voren en deden zo’n krachtige tegenaanval op Pompeius’ ruiters dat geen van hen standhield”).
          Verder, dat een flink deel van die ruiterij door z’n grote omvang nog nauwelijks in contact met de vijand geweest kan zijn.
          Maar paniek, ja die kan een afgeslagen en terugkerende voorhoede van Pompeius ruiters veroorzaakt hebben. Echter, stevige bevelvoering en discipline had dat tegen kunnen gaan. Ik speculeer, dat de bondgenoten-bevelvoerders hun eigen verschillende plannen trokken en dat het opperbevel (Labienus) niet bij machte was er iets aan te doen. Te weinig overleg? Te weinig van tevoren op een lijn? Te weinig actiebereidheid van (een aantal) bondgenoten?
          Het blijft zo, dat deze beslissende wending van de slag bij Farsalos en het “in rook opgaan” van vele duizenden ruiters zo summier beschreven is dat, zoals Jona bij herhaling opmerkt “we het niet kunnen weten”.

  3. Frans Buijs

    Misschien zag hij het gewoon niet meer zitten om tegen zijn vroegere krijgsmakker te vechten. In deel één schreef Jona al dat de deelnemers aan de strijd onder hoge spanning stonden. Dit is natuurlijk gissen, maar er zijn zoveel toevalligheden die de uitkomst van een gevecht bepalen. Daarom raken we ook nooit uitgekeken en uitgeschreven over deze onderwerpen, met de slag bij Waterloo, die ik al noemde, als één van de beste voorbeelden; die slag zit zo vol met “als het nou net even anders was gegaan…”

Reacties zijn gesloten.