Romeinse landbouw

Een “vallus”, Gallische oogstmachine (Institut archéologique, Arlon)

Toen Umberto Eco het manuscript van De naam van de roos naar een uitgever bracht, zei die dat het een prachtboek was maar dat het begin te lang was. Het verhaal kwam te traag op gang. Eco schijnt te hebben gezegd dat hij wilde dat de lezer aan het ritme van de Middeleeuwen gewend raakte. Het lijkt me eerlijk gezegd wat overdreven dat je zo meer van een roman zou genieten. Maar toch. Het is ook niet helemáál onzinnig dat je, als je je bezighoudt met een onderwerp, een soort gevoel moet hebben voor het ritme, de natuur, de omgangsvormen, de vanzelfsprekendheden.

Boerderijstage

De ideale oudheidkundige heeft een tijdje op een boerderij gewerkt. Hij weet wat het is om door de dieren en de seizoenen een ritme opgelegd te krijgen. Hij herkent dat het onvermijdelijk is kuddes te verweiden – en wat dit betekent voor de verspreiding van informatie. Hij weet wat het betekent als de oogst mislukt en begrijpt dat je, om je risico’s te spreiden, het liefst velden gebruikt aan twee zijden van een heuvel. Hij begrijpt wat het is om, totdat je tot de aarde terugkeert, te moeten zweten voor het brood.

Ook na een boerderij-stage zal de moderne oudheidkundige overigens nooit voldoende weten over de antieke agrarische mentaliteit. We hebben in Nederland en Vlaanderen immers geen platteland, hooguit levensmiddelenproductie op enige afstand van een stad. Niettemin, de oudheidkundige leert op een boerderij dingen die elke antieke tekst als vanzelfsprekend veronderstelt.

Chique auteurs

Dat geldt ook voor de teksten van chique auteurs als een Plinius de Jongere, die zich met zijn vijftien miljoen sestertiën eigenlijk niet echt rijk voelde, of een Seneca, die op een gegeven moment nog veertig miljoen sestertiën te goed had van een stam Britten. Ook Plinius en Seneca dachten als boeren. Ze hadden bijvoorbeeld een tik meegekregen van een mentaliteit waarin alles beperkt was, het “image of limited good”, en de winst van de een ten koste ging van wat de ander bezat. In de woorden van Ambrosius (gouverneur van het rijkste deel van Italië en later bisschop van Milaan):

Je geeft niets weg uit je eigen bezittingen als je een arme een aalmoes geeft. Integendeel, je geeft hem alleen iets terug, want van datgene wat de mensheid collectief is gegeven, heb jij je teveel toegeëigend. (Over Nabot 12.53).

Dat er zoiets was als economische groei, konden zelfs de rijkste Romeinen zich niet voorstellen. Ze hadden de mentaliteit van de agrarische samenleving. Als de ene bestuurder meer functies bekleedde dan anderen, kreeg hij meer respect en dat ging ten koste van het respect waarop anderen recht hadden.

K.D. White, Roman Farming

Het was niet anders dan de concurrentie van mensen en ploegdieren om dezelfde, beperkte hoeveelheid voedsel die een boerderij produceerde. Het was een zero-sum-game. Je moet dus eigenlijk iets weten van de antieke landbouw en wat dat betreft is Roman Farming van K.D. White nuttig.

White behandelt de relevante bronnen maar kijkt ook naar voorbeelden uit later tijd. Een van mijn docenten, P.W. de Neeve, benadrukte hoe belangrijk zulke parallellen waren – in het Koninkrijk Napels hadden we de documentatie voor de grootschalige verweiding van kuddes die er in de Oudheid moet zijn geweest. Ik weet niet of die parallellen wel zo sterk zijn, maar het is goed de vanzelfsprekendheid te zien waarmee ze getrokken kunnen worden.

Moet u Whites boek lezen? Ik wilde dat het niet ontbrak in mijn bloedstollende reeks “Zit een oudheidkundige met de rug naar een boekenkast”, maar ik weet niet of ik u de lectuur moet aanraden. De antieke bronnen schieten tekort, de parallellen met latere Italiaanse praktijken zijn, zoals gezegd, niet altijd gegarandeerd betrouwbaar. Misschien is het beter gewoon Slicher van Bath te lezen. Dat gaat wel niet over de Oudheid, maar hij toont duidelijker hoe moeilijk het leven ooit is geweest. Dat beide boeken niet meer leverbaar zijn, is in een samenleving als de onze, zonder platteland, eigenlijk niet zo vreemd.

18 gedachtes over “Romeinse landbouw

        1. FrankB

          “een pre-kapitalistische mentaliteit voortzetten.”
          Dat is één van de opzichten waar ik aan dacht!
          Ik vat socialisme heel breed op, net zoals ik christendom heel breed opvat. Toevallig bekeek ik gisteravond weer eens een geweldige scene uit Monty Python and the Holy Grail. Vervolgens kwam ik dit tegen.

          https://www.youtube.com/watch?v=_-wbrKimEOc

          Nou wil ik hier geen verregaande conclusies aan verbinden. Maar ik heb me ook wel eens afgevraagd hoe Westfriese dorpen functioneerden voor 1297 CE, de Slag bij Vroonen. Zonder een direct, laat staan oorzakelijk verband te willen leggen kan ik me voorstellen dat vroege christelijke gemeenschappen (dwz. vanaf de verwoesting van de Tempel in 70 CE) op vergelijkbare wijze functioneerden.
          Uiteraard ontken ik met deze overeenkomsten niet dat er allerlei verschillen zijn. Niettemin is het me opgevallen hoe ik als radicale GLer (met een flinke hekel aan de neoliberale neigingen binnen de landelijke partij) zo prima overweg kan met CDAers in mijn Oost-Groningse gemeenten, waaronder vooral gereformeerden. Daar zit nog wel meer achter dan alleen een pre-kapitalistische mentaliteit.

          1. Rob Duijf

            Er bestaat nog zoiets als consensus. Overeenstemming overstijgt persoonlijk en/of collectief eigenbelang. Dat kan niet wanneer je blijft vasthouden aan allerhande identiteiten en hun respectievelijk overtuigingen, omdat je vroeg of laat verzandt in tegenstellingen en dus conflict. Dat is een feit! Als je dat inziet, neem je afstand. Dat is radicaal.

            1. Frans Buijs

              Ach, lokaal kunnen SP-ers ook met VVD-ers samenwerken, dus zo bijzonder is dat allemaal niet. Ik had overigens niet verwacht dat mijn grapje tot een hele discussie zou leiden, maar da’s juist leuk!

              1. Rob Duijf

                Hangt er vanaf wat je verstaat onder samenwerken. ‘Samen’ veronderstelt ‘eenheid’ en die is er niet, hoogstens gecultiveerde verdeeldheid.

                Een coalitie bestaat nog altijd uit twee of meer partijen met ieder hun eigen agenda. Die agenda’s kunnen te pas en te onpas worden getrokken en dan is verhaaltje weer uit.

                En nee, bijzonder is dat niet. We weten niet beter, dan dat het zo hoort…

  1. Jort Maas

    Leuk stukje over de ‘Bucolische Oudheidkundige’. Eigenlijk wel opmerkelijk dat er geen moderne versie is van “Roman Farming” (voor zover ik weet uiteraard).

  2. Huibert Schijf

    Ooit heb ik dat boek van Slicher van Bath als goedkopen Aula pocket gekocht en veel van geleerd. Helaas bestaan de Aulapockets niet meer.

    1. Huibert Schijf

      Grappig is dat JLendering zegt zoals dat in het Engels heet en dan het woord op zijn Frans uitspreekt. Hij weet het dus wel dat het een Frans woord is.

  3. Grappig terzijde: de meest zichtbare plank van de boekenkast waar Jona voor zit bevat stripverhalen. Wel een mooie selectie trouwens.

  4. Fried Deelen

    Het zou niet moeilijk zijn een lange lijst van overeenkomsten tussen de antieke en de hedendaagse pre-industriële landbouw te maken. De overtuiging dat wat de een wint ten koste gaat van de ander: vinkje, Ѵ. De boer evenals de dagloner denkt niet kapitalistisch, beide zullen minder gaan werken als ze meer gaan verdienen: Ѵ. Het is subsistentielandbouw, gebrek en ellende liggen altijd op de loer: Ѵ. Er moet goed gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die de natuur biedt en die van plaats tot plaats verschillen: Ѵ. Het hangt van het cliëntelisme aan elkaar: Ѵ. Laat het niet merken als het goed gaat want dat trekt belastinginners e.d. aan: Ѵ. Het is lang niet allemaal ecologisch verantwoord maar ook veel roofbouw: Ѵ. Onderling is het ook geen idylle: de grondheer gaat ervan uit dat zijn opzichter hem altijd zal proberen te flessen, en de opzichter gaat ervan uit dat de dagloners dat op hun beurt bij hem doen: Ѵ. Cato heeft prachtige tips voor de grootgrondbezitter, niet om dat te voorkomen maar minstens toch om het binnen zekere perken te houden. De verschillen lopen minder in het oog. In de oudheid draaide de samenleving voor een groot deel op de boerenlandbouw. Tegenwoordig komt de landbouwproductie voor het overgrote deel van de kapitalistische farmers, en hangen de pre-industriële peasants en campesinos die nog over zijn er een beetje overtollig bij. Het is niet om de lezing van literatuur over dit onderwerp te ontmoedigen maar aan te vullen met praktijk.

    1. FrankB

      “De boer evenals de dagloner denkt niet kapitalistisch.”
      Moet u wel even omschrijven wat u bedoelt met kapitalistisch. Van Wikipedia:

      “Het kapitalisme is een economisch systeem dat is gebaseerd op investeringen van geld in de verwachting winst te maken. De productiemiddelen zijn meestal in privaat eigendom van particuliere ondernemers die daarbij veelal gebruikmaken van loonarbeid om meerwaarde te creëren. Zij genieten daarbij een grote mate van juridische vrijheid om over deze middelen te beschikken, de vrije ondernemingsgewijze productie. Deze vrijheid betekent ook dat er sprake is van concurrentie, wat maakt dat ondernemers er belang bij hebben om de efficiëntie van hun onderneming te vergroten.”

      Nogal wiedes dat boer noch dagloner kapitalistisch denkt, want tot 1945 was geen van beide financieel in staat om in productiemiddelen te investeren. De dagloner, voor zover die nog bestaat, is dat per definitie niet. Sinds 1945 is door de overheid geprobeerd de boer in een kapitalistische ondernemer te veranderen, met gemengd succes. Het belangrijkste kapitaal van de boer zit immers ook vandaag de dag nog in zijn/haar grond. Iets soortgelijks geldt voor winststreven..
      Maar daar heeft u het niet over. Dus of u gebruikt deze definitie (of iets vergelijkbaars) en beweert iets dat trivialer is dan 1 + 1 = 2. Of u gebruikt “kapitalistisch” in een andere betekenis en dan wil ik graag weten welke.

  5. Fried Deelen

    Met genoegen. Nogal omslachtig die beschrijving van Wikipedia, staat veel in wat er niet in thuishoort en wat erin moet staat er niet goed. De term ‘kapitalisme’ is dacht ik toch een uitvinding van het marxisme, waarin het dan een productiesysteem is waarin de productiemiddelen privé-eigendom zijn. Met Jona gebruik ik het niet in die canonieke versie, maar in een wat vrijere betekenis van ‘streven naar het verwerven van kapitaal’, zeg maar zo ongeveer. In die zin is de pre-industriële keuterboer geen kapitalist evenmin als de dagloner, ook al konden ze het zijn. Iedereen kan productiemiddellen (visnet, kapmes, bakfiets voor het klein transport, brommer die als taxi gebruikt wordt) verwerven.
    Wat niet wil zeggen dat het makkelijk is: gebrek en ellende liggen altijd op de loer. De traditionele boer heeft geen andere besparingen dan die er op vier poten lopen. Als hij daar bij tegenslag een beroep op moet doen, teert hij dus in op zijn kapitaal, zijn productiemiddelen.
    Overigens, sprekend over pre-industriële boeren hebben we het al niet meer over het na-oorlogse Nederland.

Reacties zijn gesloten.