Romeins Halder

Hercules in actie (Romeins Museum, Halder)

Weinig musea zijn zo mooi gehuisvest als het piepkleine Romeinse museum in Halder: het ligt middenin een natuurgebied, als een bijgebouw van een landgoed dat in de zeventiende eeuw is aangelegd op een donk bij het Brabantse riviertje de Dommel. Aan de cour van het landhuis is een theehuis, waar het goed toeven is. Kortom: ideaal voor een fietstochtje.

Je denkt bij Romeins Nederland niet meteen aan het Brabantse platteland, hoewel er bij mijn weten al zeker veertig jaar systematisch onderzoek wordt gedaan, dat zich vooral richtte op grote landgoederen zoals Hoogeloon. Een bestaande boerderij is daar in de eerste twee eeuwen na Chr. uitgegroeid tot een buitenverblijf dat in Italië niet zou hebben misstaan. Er was zelfs een badhuis. Elders in Noord-Brabant zijn landelijke nederzettingen gedocumenteerd die meer het karakter hebben behouden van een IJzertijdnederzetting. Ook daar was de Romeinse nabijheid echter voelbaar.

Lees verder “Romeins Halder”

De Romeinse economie

Libische boeren (Museum van Bani Walid)

Het handboek waarover ik elke week even schrijf, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, is oorspronkelijk samengesteld in de jaren tachtig. In die tijd was economische geschiedenis in de mode. Begrijpelijk, want er zijn interessante vragen te stellen. Hoe kan het bijvoorbeeld zijn, zo vroeg de Italiaanse oudhistoricus Arnaldo Momigliano zich eens af, dat we zoveel verschijnselen verklaren vanuit handelscontacten, terwijl handel vrij marginaal was? De Blois en Van der Spek wijzen er terecht op dat 80-90% “van de bevolking betrokken was bij de productie, bewerking en verplaatsing van landbouwproducten”. (Het antwoord op Momigliano’s paradox is vermoedelijk dat oudhistorici hebben onderschat hoe mobiel de antieke bevolking was. Niet alleen kooplieden gingen op reis.)

Een andere vraag, actueel in de jaren tachtig: hoe modern of primitief was de antieke economie? Of, om die vraag te herformuleren: als de Griekse en Romeinse economie onderontwikkeld was, ten opzichte waarvan was ze dat dan? Nog anders gezegd: je kunt pas uitspraken doen over de antieke economie als je betekenisvol kunt vergelijken – en dan is de eerste vraag of de moderne economische theorie het daarvoor benodigde instrumentarium wel levert.

Lees verder “De Romeinse economie”

Oud-oosterse maatschappelijke verhoudingen

Twee Assyrische paleisbedienden (Tell Ahmar; Louvre, Parijs)

Tijd om het te hebben over de maatschappelijke verhoudingen in het oude Nabije Oosten. In de eerste plaats slavernij. Je hoeft niet heel Bijbelvast te zijn om de verhalen te kennen over de vreselijke slavenarbeid van de Hebreeën in Egypte en de deportatie van de Joden naar Babylonië. Onvrije arbeid was destijds doodnormaal. De vrijheid van de een was mogelijk door de onvrijheid van de ander, zo simpel. In de oud-oosterse samenlevingen bestond dus een onderscheid tussen degenen die eigen baas waren en degenen die andermans bezit waren.

Dat was maar één manier om de toenmalige maatschappij onder te verdelen. De maatschappelijke verhoudingen waren zo complex als je bij vijfentwintig eeuwen geschiedenis mag verwachten. Rijkdom was een ander onderscheid, net als iemands plaats in de economie: boer, soldaat, ambachtsman. Voor ons niet zo goed te begrijpen is de positie binnen of buiten de twee grote organisaties, d.w.z. paleis en tempel. Tempelpersoneel en hovelingen kregen voor hun diensten betaald door de redistributie van de opbrengsten van het land. Dat maakte hen opvallend geprivilegieerd.

Lees verder “Oud-oosterse maatschappelijke verhoudingen”

Lucius en Amaka

Het kruikje van Lucius in het Thermenmuseum (Heerlen

Voor mij, ga ik u eens lekker inwrijven, gaan de deuren open die voor u onlangs gesloten werden. Een kleine twee weken geleden, op de eerste dag waarop de musea geen publiek meer mochten ontvangen, mocht ik rondwandelen door het Thermenmuseum in Heerlen. Het was verder verlaten, afgezien van conservator Karen Jeneson en mijn geliefde, die wilde genieten van een stil museum.

Privileges verplichten, dus binnenkort doe ik verslag van de laatste fase bij de vernieuwing van dat mooie museum. Het zal het eerste stukje zijn als de groepsblog online gaat. Ik mik op donderdag.

Maar eerst: een van de beroemdste archeologische vondsten uit Nederland. Niet het badhuis zelf, maar het kruikje hierboven.

Lees verder “Lucius en Amaka”

Romeins Heerlen

Romeins Heerlen en omgeving (uit: Roman Bathing in Coriovallum)

Een paar maanden geleden blogde ik over een drietal stammen die in de Lage Landen moeten hebben gewoond en die we niet goed op de landkaart kunnen intekenen. Ik noemde de Frisiavonen, die door Nederlandse archeologen vaak worden geplaatst in Zeeland, waar Vlaamse archeologen de Menapiërs plaatsen. Ook noemde ik de Baetasi, waarvan we weten dat hun gebied zich bevond binnen dat van de latere gemeente Xanten. Tot slot noemde ik de Sunuci. Over hen is weleens gezegd dat dat ze nog zijn aan te wijzen in Zuid-Limburgse plaatsnamen als Sinnich, Schin op Geul, Schimmert en Schinnen. Tot slot nam ik een suggestie over van Karen Jeneson, de conservator van het Thermenmuseum, dat Heerlen – bepaald geen dorp – weleens de hoofdstad zou kunnen zijn geweest van een van die stammen. Het taalkundige bewijsmateriaal deed mij denken aan de Sunuci.

Nu de resultaten van drie jaar onderzoek naar Romeins Heerlen zijn gepubliceerd in een boek dat Roman Bathing in Coriovallum. The thermae of Heerlen revisited heet, wilde ik toch eens weten of dat klopte.

Lees verder “Romeins Heerlen”

Culturele eerstes

gobekli_tepe_05_er
Göbekli Tepe

Wie in de achttiende eeuw zou hebben gevraagd waar de beschaving vandaan kwam, zou hebben kunnen rekenen op verbaasde reacties: uit Mesopotamië natuurlijk! De Bijbel was daarover immers duidelijk: de eerste hoofdstukken van de Bijbel spelen in de Hof van Eden, op de vlakte van Sinjar en in de stad Harran. Ook de steden Babylon en Ur, die wat zuidelijker liggen, worden vermeld. De vroegste mensen hadden gewoond in Mesopotamië en waren daar hun paradijselijke superioriteit kwijtgeraakt. Uitzwervend over de wereld waren ze gedegenereerd.

Je zou in de achttiende eeuw ook een ander antwoord hebben kunnen krijgen, dat een andere definitie van beschaving veronderstelt. Sinds de Renaissance was men van mening dat het vooral Rome was geweest waar de wereldgeschiedenis een sprong voorwaarts had gemaakt. Daar was getoond hoe je efficiënt moest besturen, mooie kunst kon maken, goed kon schrijven. In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond een derde theorie: toen kregen de Grieken de reputatie als eersten het stadium van primitiviteit te hebben verlaten en dat der beschaving te hebben bereikt. Griekenlands voortreffelijkheid werd vooral verkondigd door J.J. Winckelmann, en ook al was zijn verklaring stapelgek, dit idee bleef nog enige tijd in zwang. Het scheelde weinig of de Griekse originaliteit zou zijn vastgelegd in de preambule van de Europese Grondwet, en dat zou dan even absurd zijn geweest als de wet waarmee Indiana de waarde van pi wilde vastleggen.

Lees verder “Culturele eerstes”

Het antieke Rome in context

Doré’s weergave van de overbevolkte sloppen van Londen in de negentiende eeuw

[Dit is het laatste van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]

Omstreeks 1700 woonden er in Parijs ongeveer 530.000 mensen, in Londen een half miljoen, in Napels en Amsterdam 210.000, en in Rome zelf 150.000. Voor de voorindustriële tijd was de antieke hoofdstad van het Mediterrane imperium exceptioneel groot. In grote delen van de stad woonden meer dan duizend mensen op een hectare: meer dan bijvoorbeeld in het moderne Calcutta. De leefomstandigheden waren ook extreem slecht, en het is aannemelijk dat het één samenhangt met het ander.

Rome was een hypermacht: een supermacht zonder rivalen, die het zich kon veroorloven er een hoofdstad op na te houden die de opbrengst verteerde van een provincie of vijf. Verteerde: waar Parijs, Londen, Napels, Amsterdam en het achttiende-eeuwse Rome een uitgebreide nijverheid- en handelssector hadden, was deze in Rome van ondergeschikt belang (al moet het positieve effect voor de provincies van de door Rome uitgeoefende vraag niet worden onderschat). Voor zo’n halfparasitaire stad zijn parallellen: het Bagdad van de negende eeuw en Chang’an in China. Beide waren ook miljoenensteden, waar de vorsten woonden van imperia die in feite geen buitenlandse vijanden kenden.

Lees verder “Het antieke Rome in context”

Voedsel en drank

De Monte Testaccio bestaat geheel uit scherven van amforen

[Dit is het vijfde van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]

Eén miljoen mensen moeten natuurlijk ook eten. Het voornaamste levensmiddel was graan, waarvan de stad in de tijd van Trajanus tussen de 350.000 en 400.000 ton per jaar nodig zal hebben gehad. Zoals gezegd konden in de voorindustriële tijd, toen er nog geen kunstmest was, negen boeren het eten voor ongeveer tien mensen produceren. Er waren dus negen miljoen boeren nodig om Rome te voeden, en er woonden slechts zeven à acht miljoen mensen in Italië. Het graan kwam dus van overzee, en wel uit Sicilië, Tunesië en Egypte. Twee van de platbodems die bij Fiumicino zijn opgegraven zijn identiek, wat suggereert dat de transportschepen waarmee het graan uit de zeehaven werd vervoerd naar de spijkers aan de huidige Lungotevere Testaccio, in serie werden vervaardigd.

De stad had verder elk jaar zo’n 700.000 stuks vee en kleinvee nodig. Dit keer was de organisatie eenvoudig: de dieren graasden over het algemeen in de Apennijnen en Abruzzen en liepen uiteindelijk zelf wel naar het slachthuis. Er moeten niettemin vele honderden herders bij deze grootschalige veehouderij betrokken zijn geweest, en we mogen ons de grote wegen niet voorstellen zonder een stoet runderen.

Lees verder “Voedsel en drank”

De Limes Tripolitanus: inleiding

Een fort langs de Limes Tripolitanus: Gheriat esh-Shergia

[Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het tijdschriftje dat Livius Onderwijs enige tijd uitgaf, Momentum.]

De Romeinse machtovername in Tripolitana verliep rommelig. De veroveraars bemachtigden het droge noordwesten van Libië toen ze Jugurtha hadden verslagen (105 v.Chr.) en behielden het omdat het nu eenmaal belastbaar was. Maar ze hadden nooit nagedacht over de consequenties van de annexatie van de drie steden Sabratha, Oea en Lepcis, en stonden daarom al snel voor een lastig probleem: de nomaden in het achterland.

De Garamanten woonden ’s winters in het zuidwesten van het huidige Libië, waar enkele vochtige gebieden zijn en waar ze een grote stad hadden gebouwd, en brachten hun kuddes in de zomer naar Tripolitana. Daar leverde hun vee mest aan de boeren en dienden hun dromedarissen als trekdier, terwijl zij zelf olijven plukten en zuivel, weefsels en artikelen uit subsaharaal Afrika ruilden tegen stedelijke nijverheidsproducten.

Lees verder “De Limes Tripolitanus: inleiding”