
Diluviale regens in zuidelijk Duitsland, ook in München, en de meteorologische dienst had een waarschuwing afgegeven: “Gefahr für Leib und Leben durch Überflutungen von Straßen/Unterführungen sowie gewässernahen Gebäuden; mögliche Erdrutsche.” Volmaakt museumweer dus. En daarom bezochten mijn betere helft en ik afgelopen zaterdag de Archäologische Staatssammlung. Het museum met de nationale collectie van Beieren is een maand geleden na een verbouwing heropend.
En het is een triomf. Zeg maar iets in de orde van het Akropolismuseum. De verzameling zelf is indrukwekkend, er zit een heldere visie achter de opstelling en die visie is ook effectief uitgewerkt. Het museum is nog niet helemaal klaar, overigens. De toelichting in het Engels en Beiers is nog niet overal aanwezig en er zijn nog geen tentoonstellingen. Althans niet in het museumgebouw; op verschillende plekken in de stad is aangegeven wat daar is opgegraven. Wie bijvoorbeeld vanaf de Odeonsplatz de Hofgarten binnenloopt, kan daar ontdekken dat hier ooit een Romeins reliëfje is opgegraven. Maar ook al is er nog geen tentoonstelling in het museum zelf, de collectie is klaar en staat prachtig opgesteld. Het personeel heeft er zin in en je voelt je welkom.

Eerst een woord over de collectie. Het gaat dus om de archeologie van Beieren, van de Prehistorie tot de tijd van het nationaalsocialisme. Die pluriformiteit is alvast één troef. Ze toont dat archeologie onze toegang tot het verleden is vóór we beschikken over geschreven bronnen, maar ze toont ook – en dat wil nog weleens worden vergeten – dat het niet ineens ophoudt als er wél teksten zijn. Zeker in steden is archeologie nogal eens iets “bij gebrek aan bronnen” in plaats van een zelfstandige bewijscategorie naast de bronnen. Het zwaartepunt van de Münchener collectie ligt echter bij de Bronstijd, de Kelten, de Romeinen en vooral bij de Baiuvaren.
Identiteitsvorming
Die laatsten zijn, zeg maar, wat de Franken zijn voor ons: een in de Late Oudheid ontstane etnische groep die staat aan het begin van onze identiteit – mits je identiteit definieert aan de hand van de Germaanse taal, de gedeelde volksliteratuur en de christelijke religie. Wat overigens geen bizarre criteria zijn. Wij spreken immers geen Latijn. Ook zijn we de afgelopen eeuwen christelijk geweest.
Het museum besteedt aan deze identiteitsvorming een hele zaal, evenveel als aan de Romeinse tijd. Dat is een dappere keuze, want het is lastige materie. Dat komt deels doordat de esthetiek van die tijd niet goed aansluit op hedendaagse smaakcriteria. Een tweede complicatie is dat de zesde eeuw benoorden de Alpen grotendeels moet worden gereconstrueerd aan de hand van heiligenlevens. Dat zijn niet de makkelijkste bronnen. Een derde moeilijkheid is dat er in de Late Oudheid bevolkingsneergang was – dus minder en kleinere woonplaatsen, dus minder vondsten, dus minder museaal toonbare vondsten. En vooral: weliswaar wortelt de (of een) Beierse identiteit ergens in deze periode, maar er is meer dat archeologen niet dan wel kunnen zeggen. Dat maakt politieke overinterpretatie makkelijk, te gemakkelijk.

De continuïteit van een identiteit is dus een complex probleem, maar het museum legt het kort en goed uit. Hoe kun je aan sieraden zien dat iemand uit het noorden of uit het zuiden komt? Dat soort vragen. Het museum gaat de problemen dus niet uit de weg. De zaal in kwestie maakte – niet voor het eerst – bij mij het verlangen wakker naar museale uitleg van Frankisch Nederland, desnoods een tijdelijke (maar wel grote) expositie “Van Nebisgast tot Elegast”.
Archeologie
Rome en de Baiuvaren krijgen elk een zaal. De andere zalen zijn thematisch georganiseerd: mensen, tijd en kosmos, dood en begrafenis, de basale zaken des levens, de waardevolle zaken des levens en tot slot religie. Verder zijn drie zalen gewijd aan wat archeologen nu eigenlijk doen. Hoe weet je waar je moet opgraven, hoe bewaar je dingen en – het meest uitdagend – de interpretatie. Dat laatste gebeurt aan de hand van voorwerpen die in context iets gaan betekenen: een groep wapens duidt op een wapenkamer, een verzameling bronzen ringen kan een schat zijn maar ook een offer, een ketel tjokvol munten is verborgen in een crisis. De bezoeker mag bij een veenlijk meedenken over leeftijd, geslacht, doodsoorzaak en dergelijke, waarbij het museum diverse mogelijkheden presenteert en de gemaakte keuzes becommentarieert.

Methodes en principes worden goed uitgelegd. Er is ergens een blokberging, we leren over allerlei laboratoriumtechnieken, terwijl je aan een groot bord met schuiven zelf kunt oefenen met de jaarringmethode. Dé grote, steeds terugkerende publieksvraag “hoe weten archeologen dat?” wordt niet vermeden maar beantwoord.
Voeg toe dat de boekhandel geen junk verkoopt maar een divers aanbod heeft van goede boeken. Voeg verder toe dat er stukken zijn uit andere gebieden dan Beieren om te tonen dat het gebied van de Boven-Donau deel uitmaakte van een grotere wereld. Allemaal zeer te prijzen. De Archäologische Staatssammlung benadert het perfecte museum.

Maar toch
Ik schrijf “benadert”, want er is ook iets grondig mis, waarvan ik hoop dat het snel wordt verbeterd. Op de bovenverdieping is de uitleg minimaal. Je moet gebruik maken van een QR-code om te ontdekken wat je ziet. Dat betekent dus dat je een smartphone moet bezitten, en we hebben tijdens de corona-tijd gezien hoeveel mensen zo’n apparaat niet hebben. Maar een QR-code is vooral heel, heel veel gedoe: richten op de QR-code, linkje openen, op de website “tekst” aanklikken en eventueel een screenshot maken om het thuis nog eens na te lezen. Het gekke is namelijk dat de informatie die je online vinden kunt in het museum, niet ook op de website staat. Ik hoop dat dit snel verbetert; tot het zover is moet u Bavarikon maar gebruiken.
Ik deelde mijn enthousiasme met een bevriende museumkenner, die de collectie van de Archäologische Staatssammlung “douze points” gaf. Maar ik geef ze drie punten aftrek voor de bovenverdieping. Je kunt mensen niet alles op hun smartphone laten opzoeken. Zo krijgt het museum als rapportcijfer een negen. Sommige mensen zouden daarmee tevreden zijn, maar het is feitelijk onvoldoende.

PS
We bezochten in München ook de in het eerdere blogje al genoemde oudheidkundige musea, alsmede de Staatliche Münzsammlung. Dat is geen heel groot museum: drie kleine zalen met een permanente collectie munten plus een grote zaal voor tijdelijke exposities, dit keer gewijd aan de mislukte constitutionele revolutie van 1848.
Het Museum der Fünf Kontinente is Münchens etnografische museum, met een prachtcollectie Precolumbiaanse voorwerpen. Het Deutsches Museum zegt een wetenschapsmuseum te zijn maar is feitelijk een mooi technologiemuseum. Je kunt er een dag ronddwalen en dan nog heb je niet alles gezien. Het Reich der Kristalle en de Staatssammlung für Paläontologie und Geologie zijn universitaire studiecollecties en zouden meer publiek trekken als ze wat aantrekkelijker zouden zijn ingericht. Evengoed lagen er heel mooie stukken. Tot slot noem ik de Alte Pinakothek, opdat u niet denkt dat we die hebben overgeslagen.
Zelfde tijdvak
Je moet ervoor naar België (maar dan heb je ook wat)september 30, 2020
Kwakgeschiedenis: de BBCaugustus 27, 2011
De wikipedisering van het erfgoednovember 1, 2017

Een expositie over de Franken zou inderdaad leuk zijn. De schat van Lienden zou een mooie binnenkomer zijn.