
[Dit is het derde blogje over de Karolingische Renaissance. Het eerste deel was hier.]
De Karolingische geleerden, die ik in mijn vorige stukje introduceerde, beperkten zich niet tot het toezicht op de monniken. Ze vervaardigden ook nieuwe leermiddelen, stortten zich onbesuisd op de neoplatoonse filosofie en bestudeerden het Latijn.
Leermiddelen
Eerst de leermiddelen van de Karolingische Renaissance. Voor het eerst in ruim twee eeuwen werden die weer vervaardigd. Zo kwamen er bloemlezingen uit het oeuvre van de kerkvaders, waaruit de leerling geacht werd de Latijnse spelling te leren en de juiste wijze om een betoog te ordenen. Als de leerling hiervan kennis had genomen, kon hij zich richten op de argumentatieleer. Daarbij moest hij op vragen antwoorden door passages aan te halen uit erkende autoriteiten als Martianus Capella, Boëthius, Cassiodorus en Isidorus van Sevilla. Alcuinus schreef enkele leerboekjes en verzamelde bovendien vraagstukken om de leerlingen te oefenen in logisch denken, zoals ons raadsel van de wolf, de kool en de geit.
Filosofie
Alcuinus beperkte zich dus niet tot het scholen van de geestelijkheid: hij hield zich ook bezig met het intellectuele debat van zijn tijd en ging daarmee een stap verder dan de monniken uit de zevende en achtste eeuw, die zelden verder waren gekomen dan het overschrijven van teksten.
Zijn belangstelling voor de redenatieleer uitte zich verder in de bestudering van een neoplatoonse bewerking van een uittreksel uit Aristoteles’ Categorieën. De opgedane inzichten vonden hun toepassing in theologische discussies. Zo bestreed Alcuinus de in Spanje verkondigde opvatting dat Christus door adoptie “Zoon van God” was en debatteerde hij met Byzantijnse godgeleerden over het westerse geloofsartikel dat de Heilige Geest voortkomt uit God de Vader én God de Zoon. Dit is de aanzet tot het beruchte filioque-debat.
Een generatie later, begin negende eeuw, publiceerde een zekere Fridugisus van Tours Het niets en de duisternis. In de eerste helft van het werkje beargumenteert hij aan de hand van citaten uit het oeuvre van de kerkvaders dat het niets wel degelijk substantie heeft en een lage vorm van het Zijnde is. Vervolgens beredeneert hij dat een schaduw niet de afwezigheid van licht is, maar de aanwezigheid van dat niets. Een andere geleerde reageerde op Fridugisus’ neoplatoonse boek door diens opvattingen te weerleggen met ander neoplatoons materiaal. De discussie heeft voor ons weinig belang maar illustreert dat de westerse geleerden wonnen aan zelfvertrouwen.
Latijn
De Karolingische geleerden hadden ook grote belangstelling voor het Latijn. Die taal was namelijk een van de zaken die de elites van de verschillende volken in Karels rijk kon verbinden. Toen in West-Europa het centrale Romeinse gezag was weggevallen en de schrijfcultuur was verdwenen, waren de al bestaande Latijnse dialecten steeds verder uit elkaar gegroeid. Het rijk van Karel was daardoor linguïstisch allesbehalve een eenheid: binnen zijn grenzen zouden het Frans, het Occitaans, de Italiaanse dialecten en het Neder- en Hoogduits ontstaan.
De Kerk berustte daarin door op de Synode van Tours (813) te besluiten dat voortaan mocht worden gepreekt in de volkstaal. Feitelijk was dat een overbodige maatregel, die vooral bewees dat men naast de heidense teksten ook de christelijke klassieken niet langer kende, aangezien al in de vierde eeuw was besloten dat de mis niet uitsluitend in het Grieks opgedragen hoefde worden, maar dat het ook mocht in wat toen de volkstaal was, het Latijn.
Om ervoor te zorgen dat althans de elite met elkaar kon communiceren, propageerde Karel het gebruik van het Latijn. Wie een rol wilde spelen in het rijksbestuur, moest het Latijn onder de knie hebben, en Alcuinus kwam de aanstaande bestuurders te hulp met een boek over de correcte spelling: De juiste schrijfwijze, waarin hij het volgen van Cicero en Vergilius aanbeval. Beheersing van de klassieken was, zoals wel vaker, een weg naar respectabiliteit.
Zelfde tijdvak
Friese vikingenoktober 29, 2019
Islamitisch recht (3) onderzoek van de hadithjuni 13, 2025
Vikingen in Assenjuli 7, 2012

“De discussie heeft voor ons weinig belang”
Nouhhh … natuurkundigen mogen deze ook graag voeren. Googel eens op “physics nothingness”. Het heeft te maken met die andere kwastie: wat was er voor de Oerknal? En omdat we hier op de grenzen van natuurkundige kennis opereren doen filosofen ook een paar duiten in de zak. Googelen op “philosophy nothingness” levert dan ook aardig wat op.
Mijn indruk is dat natuurkundigen en filosofen vergeleken met zo’n twaalf eeuwen geleden maar weinig vooruitgang hebben geboekt in deze kwestie.
Gelukkig hebben wij wiskundigen de lege verzameling. Dat is iets waar niets in zit. Hmm…