Plechelmus

Sint-Plechelmus en de Sint-Plechelmusbasiliek in Oldenzaal

Vrij algemeen is bekend dat Willibrord de schutspatroon van de Nederlandse katholieke kerkprovincie is: hij wordt wel gezien als de vroegste missionaris van de Lage Landen (aan het begin van de achtste eeuw). Maar er is nog een tweede patroonheilige van deze kerkprovincie: Sint-Plechelmus. Ook deze heilige is van Angelsaksische herkomst, en misschien zelfs wel uit dezelfde streek afkomstig als Willibrord (te weten: Northumbria). Zijn naam (Pleghelm) wordt voor het eerst genoemd in een handschrift uit de negende of tiende eeuw: het Liber Vitae Dunelmensis (afkomstig uit Durham) en nu te vinden in de British Library in Londen

Anderen noemen Ierland als Plechelmus’ geboortestreek, terwijl de derde missionaris van belang voor de Lage Landen (Bonifatius) Zuidwest-Engeland als herkomstgebied kent. Net als Willibrord en Bonifatius was Plechelmus in onze streken actief in de eerste helft van de achtste eeuw. Plechelmus werd daarbij waarschijnlijk vergezeld door Otger en Wiro.

Lees verder “Plechelmus”

De Karolingische Renaissance: slot

De Dom van Aken, met achteraan het graf van Karel de Grote

[Dit is het slot van een blogreeks over de Karolingische Renaissance. Het eerste van de vier blogjes was hier.]

De naam “Karolingische Renaissance” is eigenlijk wat misleidend. Het woord “renaissance” betekent immers zoiets als “wedergeboorte” en het is overdreven te zeggen dat de antieke cultuur herleefde. De kloosterscholen waren een noodoplossing omdat het onmogelijk was het aloude onderricht in de steden een nieuwe impuls te geven. Het stedelijk leven was immers in verval geraakt. Wat in de abdijen mogelijk was aan onderwijs, was bovendien erg beperkt. Feitelijk werden van zeven vrije kunsten er slechts vier beoefend: sterrenkunde en de triviale vakken. Over arithmetica, geometria en musica vernemen we weinig. Het wiskundeonderwijs zou nog eeuwen stiefmoederlijk worden bedeeld.

Johannes Scottus

Desondanks wist Karel de Grote het scholingspeil te verhogen, al bleef het niveau lager dan het was geweest in de tijd van Boëthius en Cassiodorus, de vroege zesde eeuw. Uitzonderingen daargelaten waren de Karolingische geleerden vooral bezig zich het oude Latijnse materiaal opnieuw eigen te maken. Bijna niemand beheerste het Grieks en vertalers stonden daarom in hoog aanzien. Illustratief is de negende-eeuwse filosoof Johannes Scotus. Deze publiceerde enkele oorspronkelijke ideeën, maar daarin waren slechts weinigen geïnteresseerd; dat zijn naam niet werd vergeten, is vooral te danken aan zijn vertaling van enkele Griekse neoplatoonse werken.

Lees verder “De Karolingische Renaissance: slot”

De Karolingische Renaissance (3)

Misschien wel de beste representatie van de Karolingische Renaissance: geleerden presenteren een nieuw leerboek

[Dit is het derde blogje over de Karolingische Renaissance. Het eerste deel was hier.]

De Karolingische geleerden, die ik in mijn vorige stukje introduceerde, beperkten zich niet tot het toezicht op de monniken. Ze vervaardigden ook nieuwe leermiddelen, stortten zich onbesuisd op de neoplatoonse filosofie en bestudeerden het Latijn.

Leermiddelen

Eerst de leermiddelen van de Karolingische Renaissance. Voor het eerst in ruim twee eeuwen werden die weer vervaardigd. Zo kwamen er bloemlezingen uit het oeuvre van de kerkvaders, waaruit de leerling geacht werd de Latijnse spelling te leren en de juiste wijze om een betoog te ordenen. Als de leerling hiervan kennis had genomen, kon hij zich richten op de argumentatieleer. Daarbij moest hij op vragen antwoorden door passages aan te halen uit erkende autoriteiten als Martianus Capella, Boëthius, Cassiodorus en Isidorus van Sevilla. Alcuinus schreef enkele leerboekjes en verzamelde bovendien vraagstukken om de leerlingen te oefenen in logisch denken, zoals ons raadsel van de wolf, de kool en de geit.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (3)”

De Karolingische Renaissance (2)

Karel de Grote, de initiator van de Karolingische Renaissance (Louvre, Parijs).

[Dit is het tweede blogje in een reeks over de Karolingische Renaissance. Het begin vindt u hier.]

De “Karolingische Renaissance”, zoals historici de culturele ambities van Karel de Grote noemen, had tot doel van de Europeanen een gens sacrata te maken, een “geheiligd volk”. Daar zat een somber mensbeeld achter, namelijk dat de mensen niet in staat waren op eigen kracht het goede te doen. Volgens de kerkvader Augustinus was het daarom een van de belangrijkste taken van de overheid de ingezetenen te behoeden voor de alomtegenwoordige zonde en hen te helpen op het moeizame pad der deugd. Een tweede reden om de heiliging van het Frankische volk ter hand te nemen was dat een aan God gewijd volk mocht hopen op Zijn steun. Steun die hard nodig was. De christelijke volken hadden immers veel terrein verloren aan de Arabieren met hun nieuwe geloof, de islam. Dat kon alleen betekenen dat God ontevreden was over zijn christenen.

Misstanden?

Gedurende zijn ruim vijfenveertigjarige regering deed Karel de Grote daarom verscheidene pogingen misstanden te corrigeren. De kopieeractiviteit waarover ik al schreef, was slechts één aspect. In het voorwoord van de Algemene vermaning (789) vergeleek hij zich met de bijbelse koning Josia, die een ethisch reveil onder zijn volk had bewerkstelligd. Vervolgens gaf Karel een overzicht van tweeëntachtig bepalingen die de kerkelijke concilies en synodes hadden uitgevaardigd. Allerlei praktijken werden hiermee buiten de wet gesteld, en daarbij moeten we niet alleen denken aan zaken als bloedwraak maar ook aan het verzinnen van namen voor aartsengelen.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (2)”

De Karolingische Renaissance (1)

Een Exodus-manuscript; het onderste deel is geschreven in Karolingische minuskels die tijdens de Karolingische Renaissance werden geïntroduceerd.

In eerdere blogjes heb ik het gehad over mensen als Cassiodorus en de Ierse monniken die, in de tijd na de desintegratie van het Romeinse staatsapparaat in West-Europa, antieke teksten bleven kopiëren. Er is een beeldspraak – ik weet niet van wie – dat zij bij de stadspoort stonden en de West-Europese mensen, die de Oudheid verlieten en op reis gingen naar de Middeleeuwen, nog iets te lezen meegaven. Ik heb dat altijd een mooi beeld gevonden. Het stond me voor de geest toen ik LiviusOrg maakte.

Hoe ging het verder? Ik schreef al over de Europese monniken die de door Cassiodorus en de Ierse monniken begonnen kopieeractiviteit voortzetten. Eigenlijk is dat de culturele analogie van de wetgevingsactiviteit van de post-Romeinse vorsten. Voor een koning was het uitvaardigen van wetten core business; het overschrijven van teksten was dat niet en werd overgelaten aan de kerk. Dat begon te veranderen met de “Karolingische Renaissance”.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (1)”

De Europese canon (1-5)

Tijdens keizer Septimius Severus, wiens ereboog u hier ziet, bereikte het Romeinse Rijk zijn grootste omvang

Een tijdje geleden stelde ik een Europese historische canon voor van tweeënveertig vensters en nodigde ik u uit toevoegingen te doen en verbeteringen te suggereren. Tussen vandaag en de Europese verkiezingen van 6 juni zal ik in elf blogjes de uitkomst aan u presenteren: steeds vijf vensters en daarnaast een stukje waarin ik de keuzes verantwoord. Bedenk wel: een canon een didactisch hulpmiddel, geen in steen gehouwen waarheid. Een canon heeft meer te doen met wetenschapscommunicatie dan met wetenschap. Wie liever een canon van de geschiedwetenschap leest, vindt die hier.

Ter zake nu.

Het Romeinse Rijk

Periode: Tot de zesde eeuw / tot 1453

In het krachtige en welvarende Romeinse Rijk, dat rond 202 na Chr. zijn grootste omvang bereikte, woonde ongeveer een derde van de wereldbevolking. Hoe vitaal de toenmalige cultuur was blijkt wel uit het feit dat het imperium bleef bestaan tot 1453 (later meer) terwijl de voornaamste Romeinse talen – het Grieks, het Latijn en het Aramees – nog springlevend zijn.

Lees verder “De Europese canon (1-5)”

De monniken van Ierland

Clonmacnoise, een oud Iers klooster

Ik vertelde al eerder dat de zesde eeuw een grote crisis markeerde. De antieke cultuur liep ten einde. In West-Europa was bijvoorbeeld de financiering van de scholen, die ooit in elke stad in het Romeinse Rijk hadden gestaan, problematisch geworden. Dat de kunst van het lezen en schrijven dreigde te verdwijnen, blijkt wel uit kerkelijke richtlijnen betreffende ongeletterde geestelijken. Ook ontbraken de middelen om versleten boeken te kopiëren, zodat de bibliotheken in verval raakten. In Sevilla was bisschop Isidorus de koning te rijk met zijn vierhonderd boeken, terwijl zijn tijdgenoot paus Gregorius in Rome met moeite één bibliotheek geopend kon houden. In Tours begon zijn naamgenoot, bisschop Gregorius, zijn Geschiedenis van de Franken met de vaststelling:

De schrijfcultuur in Gallië is in verval en zelfs op sterven na dood. Intussen wisselen goed en kwaad elkaar af: volksstammen gaan barbaars tekeer, koningen razen als nooit tevoren, ketters vallen kerken aan, rechtgelovigen verdedigen ze, het christendom telt vele vurige aanhangers, maar ook tal van afvalligen, kerken worden door vrome mensen rijkelijk begiftigd en door ongelovigen leeggeroofd. En toch is er geen enkel getalenteerd auteur om dit alles in proza of in poëzie te beschrijven. Hoe vaak heb ik de klacht niet gehoord: “Wat een tijd! De letteren zijn verdwenen en er is niemand meer om de gebeurtenissen van vandaag te boek te stellen!”

Vaak heb ik over deze en andere verzuchtingen nagedacht. Ten slotte besloot ik zelf iets te doen om het verleden bij het nageslacht levendig te houden. Ondanks mijn gebrekkige stijl kon ik het niet laten de twisten van booswichten en het leven van rechtschapen mensen op te tekenen.noot Gregorius van Tours, Geschiedenis van de Franken, proloog; vert. Jef Ector.

Lees verder “De monniken van Ierland”