Wie was Julius Caesar? (2)

Gem met portret van Julius Caesar (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

[Tweede deel van de evaluatie aan het einde van mijn reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Het eerste deel was hier.]

Persoonlijkheidscultus

Ik noemde in het vorige blogje het Forum van Caesar. Dat is te lezen als een monument voor de autocratie, maar dat is niet het hele verhaal. Het was althans niet uniek. Machtige tijdgenoten richtten wel vaker zulke monumenten voor zichzelf op, zoals het theater dat Pompeius bouwde. Dat Julius Caesar de godin Venus adopteerde als stammoeder, was in zijn kringen ook de gewoonste zaak van de wereld. Ruim anderhalve eeuw eerder had Scipio Africanus al beweerd een lijntje te hebben met de goden.

Het is ook opvallend dat het vooral de senatoren zijn geweest die Julius Caesar het ene eerbewijs na het andere toekenden. Ploutarchos constateert dat de eerste daarvan, voorgesteld door Cicero, nog wel een zekere betekenis hadden, maar dat het doorsloeg.noot Ploutarchos, Caesar 57. Vaak denken we dat de Romeinen heel krijgszuchtig waren, zoals de Grieken artistiek zouden zijn geweest, de Perzen wreed, en de Feniciërs eeuwige koopvaarders. Die clichés zijn handig voor een eerste kennismaking, maar als je voor de Romeinen een cliché zoekt dat een karaktertrek benoemt die echt correct is, dan zou ik zeggen dat ze de ergste hielenlikkers uit de wereldgeschiedenis zijn geweest. De dictator heeft een paar eerbewijzen afgeslagen en je bent geneigd te denken dat de stroopsmeerderij zelfs Caesar te gortig werd.

Lees verder “Wie was Julius Caesar? (2)”

Publius Annius Florus

Portret van een tijdgenoot van Hadrianus (Archeologisch museum, Zadar)

Al een paar keer heb ik op deze blog de Romeinse schrijver Publius Annius Florus genoemd, die zeker niet verbleef op de toppen der Parnassos, maar waaraan best een blogje te wijden valt. Florus weet namelijk wel hoe hij een verhaal moet vertellen en is bovendien een vertegenwoordig van wat weleens wordt aangeduid als het Zilveren Latijn. Die naam verraadt een oud waardeoordeel, namelijk dat het Latijn van de eerste eeuw v.Chr. het allerbeste was geweest. Toen stond er voor redenaars echt iets op het spel, en dat maakte het Latijn van auteurs als Cicero zo briljant. Daarna was de retorica in verval geraakt, en zouden geschiedschrijvers hielenlikkers zijn geweest. Nog steeds aardig Latijn, luidde het vooroordeel, maar geen Cicero.

Het vooroordeel is allang weerlegd. Ook een feestrede kan immers een literair hoogtepunt zijn. Los daarvan: geen taalkundige zal zeggen dat het taalgebruik van de ene eeuw beter is dan het andere. Desondanks blijven de zilveren schrijvers (zeker in het onderwijs) wat onderbelicht, hoewel het project van Plinius de Oudere, die feitelijk de wetenschap op de Grieken veroverde, een enorme ambitie verraadt, hoewel een Tacitus echt wel iets te melden heeft, en hoewel je nog altijd kunt lachen om dichters als Juvenalis en Martialis.

Lees verder “Publius Annius Florus”

Een Thesaurus linguae Latinae voor Mussolini

Receptie in de Rijkskanselarij in Berlijn, met v.l.n.r. rijkskanselier Heinrich Brüning, de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken Dino Grandi, minister van Financiën Hermann Dietrich (?), de pauselijke nuntius in Berlijn mgr. Cesare de Orsenigo en minister van Posterijen Georg Schätzel (Federaal archief, foto 102-12474).

In oktober 1931 deden de Duitse kranten uitgebreid verslag van een bezoek dat de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken Dino Grandi had gebracht aan Berlijn. Grandi had met rijkskanselier Heinrich Brüning verschillende kwesties besproken, zoals ontwapening, schulden en herstelbetalingen. Terug in Rome overhandigde Grandi, zo schreven de kranten, namens de Duitse regering een opmerkelijk geschenk aan de Duce: viernoot In werkelijkheid waren het er vijf, zie hieronder. delen van de Thesaurus linguae Latinae.

Lees verder “Een Thesaurus linguae Latinae voor Mussolini”

Romeinse vondsten uit de Waal

Caesar met vondsten uit de Waal

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden bezit meer voorwerpen dan het kan exposeren. Tegelijk zijn er regionale musea die weleens iets anders willen tonen dan het gebruikelijke materiaal. Daarom is er een leuke en mijns inziens belangrijke reeks exposities Onder Ons, waarbij lokale musea het Leidse materiaal gebruiken. Ik heb al geblogd over de Vorst van Oss in Museum Jan Cunen in Oss, over de Etrusken in museum Wierdenland in Ezinge en over het laatantieke grafveld van Rhenen in het plaatselijke Stadsmuseum.

De Etrusken in Ezinge niet te na gesproken is het belang dit: een historische belangstelling begint plaatselijk; een kind ziet iets dat lokaal en herkenbaar is, maar ook anders; het ontwikkelt zo belangstelling voor het verleden. Door de voorwerpen te exposeren waar ze het meest aanzetten tot reflectie, gebruiken musea de culturele waarde van hun objecten het best. De Vorst van Oss dus in Oss, en het laatantieke grafveld van Rhenen in Rhenen.

Lees verder “Romeinse vondsten uit de Waal”

De Karolingische Renaissance (3)

Misschien wel de beste representatie van de Karolingische Renaissance: geleerden presenteren een nieuw leerboek

[Dit is het derde blogje over de Karolingische Renaissance. Het eerste deel was hier.]

De Karolingische geleerden, die ik in mijn vorige stukje introduceerde, beperkten zich niet tot het toezicht op de monniken. Ze vervaardigden ook nieuwe leermiddelen, stortten zich onbesuisd op de neoplatoonse filosofie en bestudeerden het Latijn.

Leermiddelen

Eerst de leermiddelen van de Karolingische Renaissance. Voor het eerst in ruim twee eeuwen werden die weer vervaardigd. Zo kwamen er bloemlezingen uit het oeuvre van de kerkvaders, waaruit de leerling geacht werd de Latijnse spelling te leren en de juiste wijze om een betoog te ordenen. Als de leerling hiervan kennis had genomen, kon hij zich richten op de argumentatieleer. Daarbij moest hij op vragen antwoorden door passages aan te halen uit erkende autoriteiten als Martianus Capella, Boëthius, Cassiodorus en Isidorus van Sevilla. Alcuinus schreef enkele leerboekjes en verzamelde bovendien vraagstukken om de leerlingen te oefenen in logisch denken, zoals ons raadsel van de wolf, de kool en de geit.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (3)”

Faits divers (20)

Een deel van de Elgin Marbles (British Museum, Londen)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks “faits divers”, met ook deze keer een veelvoud aan onderwerpen. We gaan meteen van start.

Barry Kemp

In de eerste plaats: Barry Kemp is overleden. Hij heeft bijna een halve eeuw – zevenenveertig jaar, om precies te zijn – gewerkt in Amarna, de hoofdstad van Egypte ten tijde van koning Echnaton. Zoals de meeste oudheidkundigen van de vorige generatie lag zijn belangstelling in het laatste kwart van de vorige eeuw vooral bij de gewone mensen. Over de grote mannen en vrouwen was al te veel geschreven. Dat weerhield hem overigens niet om de monumentale architectuur van Amarna te conserveren, wat toch wel bij uitstek elitebouwwerken waren. Ook was hij, zoals zo veel archeologen, van mening dat onderzoekers wat meer tijd moesten besteden aan de materiële cultuur en wat minder aan de historische vragen. Kemps betekenis oversteeg dan ook de egyptologie. Voor iedereen die zich verdiept in de Oudheid, of dat nu Egypte betreft of een andere deel, en of dat nu gaat om archeologie of niet, is zijn boek Ancient Egypt. Anatomy of a Civilisation verplichte literatuur. Kemp werd vierentachtig.

Lees verder “Faits divers (20)”

De dood van Priamos

De moord op Priamos (Allard Piersonmuseum, Amsterdam)

De Ilioupersis, “de val van Troje”, was een van de twaalf heldendichten uit de Epische Cyclus, waarin de Grieken hun tradities verzamelden over hun verre verleden. De twee boekrollen van dit gedicht, gecomponeerd door ene Arktinos van Milete, zijn helaas verloren, maar we hebben nog twee uittreksels, ontelbaar veel afbeeldingen en een tiental citaten. Hierdoor kunnen oudheidkundigen toch reconstructies maken. We hebben bovendien literaire hommages én parodieën.

We weten bijvoorbeeld dat het gedicht een scène bevatte waarin Achilleus’ zoon Neoptolemos de Trojaanse koningsburcht binnenstormt, de paleisdeuren forceert en aankomt in een vertrek waar koning Priamos probeert zijn harnas aan te trekken. De grijsaard vlucht naar een altaar, waar de Griekse krijger hem afslacht.

Lees verder “De dood van Priamos”

Kerstmis bij Vergilius?

Vergilius Pius (“de vrome Vergilius”) in de Walburgiskerk in Zutphen

Graag sluit ik aan bij de interessante bijdrage van Wim RavenMidden in de winternacht”, die aangaf waarom de Koran geen beschrijving van Kerstmis bevatte. Er is nog een beroemde tekst waarvan eveneens ten onrechte is beweerd dat er een verwijzing naar het kerstfeest in zat: de Vierde Ecloga of Herderszang van Vergilius.

In deze tekst, opgedragen aan Gaius Asinius Pollio, wordt de geboorte voorspeld van een Kind van goddelijke afkomst tijdens Pollios’s aanstaande consulaat (40 v.Chr.). Tijdens het leven van dit Kind zal het “Gouden Tijdperk” geleidelijk terugkeren. Over de identiteit van het Kind is veel gespeculeerd: de verwachte zonen van Pollio, van Marcus Antonius en van Octavianus komen allen in aanmerking, maar de tekst geeft geen uitsluitsel

Lees verder “Kerstmis bij Vergilius?”

Vergilius & Oudheidkunde

Op 30 november presenteerde Jona Lendering zijn nieuwe boek over de misstanden in de geesteswetenschappen afd. Oudheid: titel Oudheidkunde is een Wetenschap (Uitg. Omniboek). De volgende dag presenteerde ik mijn Vergilius: De toekomst voltooid (Uitg. Verloren), eveneens in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Inmiddels heb ik Oudheidkunde kunnen lezen (moet u ook doen) en kunnen nagaan welke plaats mijn boek zou innemen op de ranglijst van de door Jona geformuleerde eisen aan de disciplines van de Geesteswetenschappen. Ik denk dat Jona Oudheidkunde breder bedoelt als “Altertumswissenschaft” en een letterlijke vertaling van dat begrip liever vermijdt.

In zijn boek levert Jona terechte kritiek op de vergaande specialisaties binnen deze Oudheidkunde, waarbinnen contacten tussen de verschillende disciplines steeds minder worden, terwijl bovendien belangrijke gebieden als spectrumfotografie, DNA-onderzoek en de vergezichten van AI onvoldoende worden betrokken. Ik ben dat met hem eens, maar non omnes omnia possumus en binnen de sterk bekorte studietijd (Jona pleit terecht voor verlenging) moeten helaas keuzes worden gemaakt. Dendrochronologie valt er dan buiten, maar de basisprincipes van wetenschap komen ook nu wel aan de orde in het vak Wetenschapsfilosofie (Leezenberg, aanbevolen).

Lees verder “Vergilius & Oudheidkunde”

Een stamboom voor Vergilius

Vergilius (Vaticaanse Musea, Rome)

Wanneer een oudheidkundige een tekst van Vergilius wil raadplegen, kan hij of zij naar zijn of haar boekenkast of naar een bibliotheek gaan en een editie tevoorschijn halen. Het is echter niet zo eenvoudig als het op het eerste gezicht lijkt: er bestaat namelijk helemaal geen eenduidige uitgave van Vergilius’ werk. Afgezien van het feit dat Vergilius vermoedelijk nog niet klaar was met de Aeneis toen hij stierf: er is er geen originele tekst uit zijn tijd bewaard gebleven. En dit geldt voor de gehele Oudheid en nog lang daarna: er zijn geen originele teksten uit de tijd van de auteur, en zeker geen auteursexemplaren.

Overschrijffouten

Alle teksten uit de oudheid zijn alleen bewaard gebleven omdat zij steeds opnieuw werden overgeschreven, vooral in kloosterbibliotheken. En daar beginnen de problemen: als je overschrijft, ontstaan er fouten. Stel dat een kopiist één fout per bladzijde maakt, maar 10% van de fouten van zijn voorgangers corrigeert. In een tekst van 100 bladzijden heeft het eerste exemplaar 100 fouten, het tweede 190, en het derde al 271.

Lees verder “Een stamboom voor Vergilius”