De Dobruja (1)

De Dobruja rond 1918

Vandaag een blogje buiten mijn eigenlijke expertise, maar ik schrijf het op verzoek. Het gaat over de grens tussen Bulgarije en Roemenië. Voor het grootste deel is dat de benedenloop van de rivier de Donau. Ten zuiden daarvan spreken de mensen Bulgaars, een Slavische taal, en schrijven ze met cyrillische letters, en ten noorden daarvan spreken ze Roemeens, een romaanse taal, en gebruiken ze hetzelfde alfabet als wij.

Dobruja

Alleen helemaal in het oosten ligt de grens wat anders. Zo’n zestig kilometer vóór de rivier de Zwarte Zee bereikt, buigt ’ie naar het noorden af, stroomt 130 kilometer in die richting, en buigt pas daar naar het oosten. De delta strekt zich uit over ruim honderd kilometer. Het gebied bezuiden de Donaumonding staat bekend als de Dobruja, is genoemd naar een veertiende-eeuwse heerser, is half zo groot als België, is politiek heel omstreden geweest en uiteindelijk over de twee landen verdeeld. Ik heb de indruk dat de spanningen steeds nog niet helemaal zijn verdwenen.

Lees verder “De Dobruja (1)”

Vragen rond de jaarwisseling (3)

Reconstructie van het gezicht van Sensaos (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen voor het lijstje “Vragen rond de jaarwisseling” van 2024. De eerste zes vragen beantwoordde ik hier, de volgende zes daar, en hier zijn er nog eens zes.

13. Hoe gradueel ging het klassieke Latijn als voertaal uit West-Europa over in de Romaanse talen?

Voor zover ik weet ligt er een probleem met onze data: we hebben alleen geschreven teksten. Uiteraard bevatten die regelmatig opmerkingen over de spreektaal, maar de schrijftaal kennen we wel beter dan de dagelijkse omgangstaal. Het klassieke Latijn en het klassieke Grieks bleven lang in gebruik omdat dit de talen waren waarmee de elites met elkaar communiceerden. Ze hadden een positie die vergelijkbaar is met het hedendaagse standaard-Arabisch.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (3)”

De Karolingische Renaissance (3)

Misschien wel de beste representatie van de Karolingische Renaissance: geleerden presenteren een nieuw leerboek

[Dit is het derde blogje over de Karolingische Renaissance. Het eerste deel was hier.]

De Karolingische geleerden, die ik in mijn vorige stukje introduceerde, beperkten zich niet tot het toezicht op de monniken. Ze vervaardigden ook nieuwe leermiddelen, stortten zich onbesuisd op de neoplatoonse filosofie en bestudeerden het Latijn.

Leermiddelen

Eerst de leermiddelen van de Karolingische Renaissance. Voor het eerst in ruim twee eeuwen werden die weer vervaardigd. Zo kwamen er bloemlezingen uit het oeuvre van de kerkvaders, waaruit de leerling geacht werd de Latijnse spelling te leren en de juiste wijze om een betoog te ordenen. Als de leerling hiervan kennis had genomen, kon hij zich richten op de argumentatieleer. Daarbij moest hij op vragen antwoorden door passages aan te halen uit erkende autoriteiten als Martianus Capella, Boëthius, Cassiodorus en Isidorus van Sevilla. Alcuinus schreef enkele leerboekjes en verzamelde bovendien vraagstukken om de leerlingen te oefenen in logisch denken, zoals ons raadsel van de wolf, de kool en de geit.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (3)”

De kat en haar naam

Biologen geven dieren en planten geleerde Latijnse namen en u zult bij het horen van het woord Felis wel vermoeden dat het gaat om de kat. Is het niet om de kattenbrokjes, dan wel om de tekenfilmpjes. Omdat de Romeinen er een naam voor hadden, wisten ze van het bestaan van het dier.

De verspreiding van de kat

Dat blijkt niet alleen uit teksten, maar ook uit archeologische vondsten. Een geschiedenis van de kat in de Oudheid zou kunnen beginnen in de Late Steentijd, toen wilde katten in het Nabije Oosten zich aangetrokken voelden door de muizen op de eerste boerderijen. Daar zijn ze door de bewoners gedomesticeerd. Of misschien domesticeerden de katten wel de mens, opdat die voor hen zou zorgen in tijden van muizenschaarste.

Lees verder “De kat en haar naam”

De Late Oudheid (1)

Portret van een Romein, pakweg 425 na Chr. (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De Late Oudheid is in de mode. Waarom dat zo is, ik heb geen idee, maar onlogisch is het niet. Ooit stond de Klassieke Periode centraal en toen men daarop was uitgekeken, ging men kijken naar de Archaïsche Tijd. Die stond in de tweede helft van de twintigste eeuw meer in de belangstelling dan daarvoor. Toen daar het nieuwe vanaf was, verschoof de belangstelling als vanzelf naar de Late Oudheid. Zoiets zal het zijn geweest. Denk ik. Wat misschien ook speelt: de Late Oudheid is de tijd waarin West-Europa is geboren. Het Romeinse Keizerrijk maakte plaats voor koninkrijken die lijken op het latere Italië, Spanje, Frankrijk en Engeland. Het christendom brak door. De romaanse en germaanse talen worden herkenbaar. En aan het eind van de periode was er zelfs een gezamenlijke Saraceense vijand. In een tijd van Europese eenwording ligt belangstelling voor de Late Oudheid voor de hand.

De Gentse universiteit vindt het tijdperk zo belangrijk dat ze het Gentse Centrum voor Late Oudheid (GCLA) geeft opgericht. Er is daar tussen Leie en Schelde namelijk behoorlijk wat expertise aanwezig: vijftig, zestig archeologen, historici, taalkundigen en letterkundigen, en bij laatstgenoemden mag u denken aan Latijn, Grieks en Aramees. Men presenteerde zich gisteren en omdat ik vandaag in Gent moest zijn – ik spreek vanavond – besloot ik een dagje eerder te gaan om te luisteren. Ik ga geen verslag doen, maar bied wel een paar losse observaties. Niks bijzonders, gewoon wat dingen die me troffen.

Lees verder “De Late Oudheid (1)”

De identiteiten van Hariulf

Grafschrift van Hariulf (Landesmuseum, Trier)

De Romeinse bronnen noemen eindeloos veel Germaanse volken en stammen. Een zo’n groep is die van de Bourgondiërs, die we, op gezag van de geograaf Ptolemaios van Alexandrië, in de tweede eeuw na Chr. ergens tussen de Oder-Neisse en de Weichsel kunnen plaatsen. Later, in de crisis van 406/407 (meer…), zou deze groep naar het westen trekken. Dit is een andere manier om te zeggen dat de Bourgondische elite aansluiting zocht bij het netwerk van de Romeinse elites. Ze kregen land toegewezen langs de Rijn, vrijwel zeker rond Worms, waar archeologen inderdaad Oost-Germaanse voorwerpen hebben gevonden. Het Nibelungenlied bevat echo’s uit deze tijd.

Al eerder waren Bourgondiërs naar het westen getrokken. Ze golden als de aartsvijanden van de Alamannen, zoals de Romeinen de bewoners van het huidige Baden-Württemberg aanduidden. Toen keizer Valentinianus I aan de macht was gekomen en zich in 367 via een machtsdemonstratie verder wilde legitimeren, zocht hij een van de Alamannische leiders, een zekere Macrianus, uit als vijand en rukte tegen hem op, samen met de Bourgondiërs. Ergens aan de Neckar versloegen de Romeinen en Bourgondiërs hun tegenstanders.

Lees verder “De identiteiten van Hariulf”

Computer reconstrueert het Latijn

Zomaar een Latijnse inscriptie met mooie letters (Timgad)

Het idee dat de taalkunde een exacte wetenschap kan zijn, is een negentiende-eeuwse gedachte. Taalkundigen ontdekten toen dat de verschillen tussen talen systematisch kunnen zijn: waar Romaanse talen een p hebben, hebben Germaanse een of een vpater correspondeert met vader, pied met voet, pellis met vel. Zulke regelmatigheden noemen we een wet. In dit geval is de voorouder van de Germaanse talen waarschijnlijk ooit gaan afwijken: de p werd een f (en later in het Nederlands een v).

Dat gold voor iedere p: de wet is even hard als willekeurig welke wet uit de natuurkunde, zo meende men. Het blijkt ook, zeker op de langere termijn, voor iedere taalverandering gelden. In ieder geval als je rekening houdt met het feit dat allerlei gebeurtenissen het beeld op het eerste gezicht kunnen verstoren. Behalve vel heeft het Nederlands ook pels, maar dat blijkt een woord te zijn dat we ná die verandering alsnog hebben geleend van het Latijn.

Lees verder “Computer reconstrueert het Latijn”

Oude talen, modern nationalisme

le_type_aryen
“blond comme Hitler, mince comme Göring, grand comme Goebbels”

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn eerste jaar aan de universiteit. Het leek wel alsof de stof altijd ophield op het moment dat ze interessant werd. Ik heb mijn handboek oude geschiedenis, Een kennismaking met de oude wereld van de Blois en Van der Spek, er nog even op nageslagen, en daar stond het inderdaad weer: de auteurs gebruikten woorden als “Indo-Europees” en “Semitisch”

omdat het nu eenmaal gewoonte is volken in te delen en te benoemen op grond van hun taal. De Semitische talen vertonen onderling een sterke verwantschap en hetzelfde geldt voor de verschillende onderafdelingen van de Indo-Europese taalfamilie. … De termen Semitisch en Indo-Europees hebben weinig te maken met ras of natie.

En dat was dat. Terwijl “het is nu eenmaal zo” toch echt het moment is waarop een wetenschapper sceptisch wordt. De eerdere wetenschappers hebben immers een reden gehad volken in te delen op grond van hun taal. Dat kan een goede of een slechte reden zijn geweest, maar een wetenschapper wil weten of die klopt vóór hij dat overneemt. Wie “het is nu eenmaal zo” schrijft, hoort – ietwat gechargeerd gezegd – niet thuis aan een universiteit.

Lees verder “Oude talen, modern nationalisme”