
Ik weet zeker dat higgsbosonen, Vietnam, sequoia’s en tektonische platen bestaan, al heb ik ze nooit gezien. Verder betwijfel ik niet dat er ooit triceratopsen over deze planeet hebben rondgewandeld. Ik neem het aan zonder bewijs. Als het gaat om de Oudheid, weet ik echter graag waarom we dingen weten. Bijvoorbeeld: hoe weten archeologen dat monumenten uit het Late Neolithicum en de Bronstijd zijn georiënteerd op astronomische verschijnselen?
Voordat ik verder ga: ik schrijf dit precies om de reden die ik noem. Ik wil weten hoe archeologen weten wat ze weten. Ik schrijf het niet vanuit pseudoscepsis (“ik stel alleen maar vragen”). Ik heb echter een stukje uit de bewijsvoering nooit gehoord, of ben dat vergeten, en ik vertrouw erop dat een archeoloog me straks doorverwijst naar een wetenschappelijk artikel dat ik niet ken. Sta me nu een redenering toe die bij elke stap allerlei nuanceringen behoeft die ik zal overslaan; het gaat me even om de hoofdlijn.
1
Hierboven zag u een plattegrond van Stonehenge in de eerste fase, eenendertigste eeuw v.Chr. De beroemde megalieten waren er nog niet. Wel was er een wal met een diameter van 110 meter met daarbuiten een gracht. In de wal/gracht waren drie onderbrekingen, waarvan de grootste was gericht naar het noordoosten. Wie vanaf het centrum, waar eeuwen later de “altar stone” zou worden geplaatst, naar het noordoosten keek, zag daar op de langste dag van het jaar de zon opkomen.noot Althans, ruwweg. Zonder veel pretenties en met mijn meer dan veertig jaar oude geodriekhoekje zie ik dat de opening in het noordoosten vanuit het middelpunt bezien zo’n zestien graden wijd is. Laten we, for argument’s sake, aannemen dat zestien graden de marge is die archeologen accepteren als ze denken dat een monument is gericht op een astronomisch verschijnsel. Het kan ook tien of twintig zijn, of vijf of vijfentwintig, maar het gaat om de redenering.
2
Nu zijn er veel meer bouwwerken uit het Late Neolithicum en de Bronstijd bekend waarvan archeologen weten dat ze zijn gericht op hemelverschijnselen. Ik heb eens een boek over de Prehistorie doorgebladerd en constateer dat het bijvoorbeeld gaat om de plaats van zonsopkomst op de langste dag van het jaar, de plaats van zonsopkomst op de kortste dag van het jaar, en daarnaast de plekken op de horizon waar de zon op de langste en kortste dag ondergaat. Als ik vier sectoren inteken, levert dat voor 51° noorderbreedte een plaatje als dit op.

3
Verder lees ik van constructies die zijn gericht op de plekken waar de sterren Antares, Rigel, Sirius en de Plejaden opkomen of ondergaan. Voor wat zuidelijker breedtes lees ik ook over Deneb, en zo zijn er meer sterren, maar die laat ik even buiten beschouwing. Hieronder zijn ook de opkomsten en ondergangen van Rigel en de Plejaden ingetekend.

U begint te begrijpen waar ik heen wil: er zijn nu al acht sectoren afgebakend van zestien graden, samen 128°: ruim een derde van de horizon. Nu is Deneb de op achttien na helderste ster; als we ons beperken tot helderdere sterren die op 51° noorderbreedte op- en ondergaan, kunnen we nog tweemaal negen sectoren toevoegen, die gedeeltelijk overlappen. Uiteindelijk is ruim 280% van de horizon afgedekt. Anders geformuleerd: er is bij vrijwel iedere oriëntatie van een bouwwerk wel een heldere opkomende of ondergaande ster te vinden. En dan komt de vraag op hoe archeologen kunnen weten dat oude monumenten werkelijk zijn georiënteerd op een astronomisch verschijnsel.
4
Ik laat nog een paar zaken buiten beschouwing, namelijk dat er precessie bestaat, waardoor sterren niet altijd op dezelfde plek op de horizon verschijnen en verdwijnen. In combinatie met het feit dat prehistorische monumenten niet altijd scherp te dateren zijn, voegt dit extra vaagheid toe. Als we ook maanverschijnselen menemen, zijn er nog meer opties. Ik heb weleens geblogd over het Armeense monument Karahunj, waar de astronomische oriëntatie klinkklare kwakgeschiedenis was.
5
Als bij vrijwel iedere oriëntatie wel een heldere opkomende of ondergaande ster is te vinden, moet zijn uitgeknobbeld dat de door archeologen geopperde oriëntaties desondanks geen toeval zijn. Welk artikel is dat?
6
Ik laat pogingen monumenten te interpreteren als observatoria buiten beschouwing. Ik ben niet overtuigd van de hypothese dat men zulke bouwwerken nodig had om de akkerbouw te reguleren. Lees de Werken en Dagen van Hesiodos of een boek over volksweerkunde, en je krijgt een beeld van de informatie die circuleerde in een agrarische samenleving.
7
Nogmaals: ik schrijf dit niet om te trollen, want intuïtief vermoed ook ik dat de oriëntaties op het opkomen en ondergaan van de zon op de langste en kortste dag reëel zijn. Met sterren heb ik intuïtief moeite omdat er, mijns inziens, altijd wel iets is te verzinnen. Omdat we aan intuïtie niks hebben, wil ik de onderbouwing leren kennen.
Doet dit ertoe?
Op de achtergrond speelt iets anders. Archeologen erfden allerlei opvattingen van eerdere archeologen. Daar is meestal niets verkeerd aan, maar het betekent ook dat archeologen soms niet langer weten waarom ze dingen weten. De vraag waarom archeologen weten dat prehistorische monumenten waren gericht op sterrenkundige verschijnselen, heb ik aan diverse geleerden voorgelegd, die me allemaal doorverwezen naar anderen.
Uit de Romeinse archeologie ken ik verschillende vanzelfsprekendheden die archeologen niet kunnen uitleggen. Onlangs viel me bijvoorbeeld op dat niemand weet waarom we “Magusanus” tegenwoordig beschouwen als naam van een god, terwijl het vroeger gold als plaatsaanduiding. Ik verneem ook geen bewijs voor veelgehoorde beweringen als zou keizer Hadrianus in Voorburg zijn geweest of dat de Drususgrachten lagen in Nederland. Archeologen hebben een mooi vak, reusachtig mooi, maar het oogt weleens als reus op lemen voeten.
En dat is zorgwekkend. Tijdens de Nijmeegse aquaductenaffaire zagen we hoe kwetsbaar het vak is. Er hoeft maar één pseudoscepticus z’n gelijk te halen – en dat is niet denkbeeldig – en de archeologie is geen reus op lemen voeten meer maar een wetenschap met een reusachtig geloofwaardigheidsprobleem.
[Met dank aan Marco Langbroek en Kees Huijser. De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]
Zelfde tijdvak
Kwakgeschiedenis: Karahunjoktober 16, 2018
Hunebed van de dag: D27 (Borger)november 14, 2021
Dood paardapril 28, 2019

Deze vragen – maar op een veel oppervlakkiger niveau – heb ik me ook wel eens gesteld. Er zijn overeenkomsten met de gewoonte aan van alles en nog wat een religieuze functie toe te kennen.
Het probleem met pseudosceptici is niet dat ze vragen stellen. Ze doen nooit vooronderzoek voor ze conclusies trekken (wetenschap vereist dat). Aangereikte antwoorden weerhoudt hen er niet van hun geliefde vragen te blijven stellen. Ze stellen nooit vergelijkbare vragen over hun eigen beweringen. Ze redeneren altijd “Jij hebt ongelijk dus ik heb gelijk”.
Jij voldoet aan geen van deze kenmerken. Wij weten dat wel. Niettemin heb je volkomen gelijk te herhalen dat je niet aan het trollen bent. Je zal niet de eerste zijn wiens kritische vragen worden misbruikt om een “conclusie” te bevestigen die niet de jouwe is. Pseudosceptici houden namelijk ook veel van kersenplukken en selectief citeren. Een tamelijk bekend voorbeeld is Mary Schweitzer (christen!! en haar zachte T-Rex weefsel.
De centrale vraag is hoe we kunnen nagaan of een bouwwerk gericht is volgens een astronomische orientatie. Wel, als we naar de mooie plaatjes kijken dan vallen meteen twee dingen op : de symetrie en dat de centrale as noord – zuid verloopt.
Als men zelf niet wil gaan rekenen is de stellarium app aan te bevelen.
Stonehenge is nou net niet symmetrisch en die monumenten zijn niet altijd noord-zuid. Of begrijp ik u niet?
Stonehenge is (zeer waarschijnlijk) wel symmetrisch, alleen niet in een noord-zuid lijn, maar in een ruwweg noordoost – zuidwest lijn. Zeer waarschijnlijk, want we weten niet precies hoe het monument er in de loop van de prehistorie uitgezien heeft.
Hmmmm, de argumenten waarmee je het verhaal begint zijn niet overtuigend.
Je gebruikt een tekening van de eerste fase van Stonehenge, de oriëntatie van later fasen laat je (gemakshalve?) buiten beschouwing. De astronomische oriëntatie van de opstellingen in die fasen is veel duidelijker; daarnaast is inmiddels bekend dat Stonehenge onderdeel uitmaakte van een neolithisch landschap.
Ik mis een vermelding van megalithische structuren gemaakt door mensen waar de astronomische oriëntatie letterlijk zonneklaar is (Newgrange, Nabta playa, grote piramide, tempel Abu Simbel).
Zijn het nu archeologen die zo bezig zijn met die astronomische kenmerken, of zouden we beter kunnen spreken van groepen met een achterliggende motivatie die archeologie gebruiken in hun versie van een/hun verhaal.
Precessie is inderdaad een factor, maar de maximale grootte van 2-3 booggraden in een periode van ca. 26.000 jaar maakt een ruime datering van een bouwwerk niet direct problematisch.
Er is niet (veel) tegen kritiek op archeologen maar Stonehenge als argument gebruiken is makkelijk. Wat mij opvalt als ik over Stonehenge populaire media lees of kijk, is dat men bij het onderzoek archeologische methoden gebruikt terwijl de verklaring van de vondsten vooral passen in het beoogde plaatje en aanleiding zijn voor verder onderzoek. Een observatie van een proces dat in deze blog vaker is gemaakt.
Tenslotte zijn veelvuldig onderzoeken uitgevoerd waaruit naar voren is gekomen dat de astronomische orientatie van megalithische structuren niet overtuigend kan worden bewezen. Vaak worden de resultaten van deze onderzoeken niet meegenomen in de populaire berichtgeving.
Ja, op een voor mijn onverklaarbare manier zien zelfs de meest gerenommeerde archeologen kans om verschrikkelijk onwetenschappelijk te werk te gaan als het om Stonehenge gaat. Wonderlijk…
ad Rinus: “megalithische structuren.. waar de astronomische oriëntatie.. zonneklaar is”.
Met permissie, maar dat is n.m.m. niet het geval bij de genoemde voorbeelden van de grote piramide en de tempel van Abu Simbel (megalithisch?). Voor Nabta Playa is het mij niet bekend: het is een recent onderzoeksgebied.
Wel is voor Egyptische tempels een zoveel mogelijke oost-west richting bekend i.v.m. de zonsopkomst.
W.b. sterren zijn i.h.b. de sterrenbeelden Orion en Sothis van belang, maar dat is i.v.m. de Nijloverstroming.
Zowel de Abu Simbel tempel als de pirmade van Khufu hebben een zeer zekere relatie met de astronomische constellaties t.t.v. de bouw van deze structuren.
Andere vraag: hoezo zijn de Egyptische tempels, graven en piramiden geen megalithische structuren? Tekstuele bronnen geven meer achtergrond informatie over doel en uitleg, maar zijn zij daarom echte anders dan megalithische structuren( met een astronimische orientatie)?
nabrander:
We weten veel over het doel en betekenis van de stenen monmenten van het Egyptische Oude Rijk; niet alles maar wel redelijk veel.
De astronimische relatie van de koningsgraven uit het Oude Rijk is in grote mate duidelijk, met de duidelijke verschuiving in betekenis van sterren (4e Dynastie) naar de zon (5e en 6e dynastien.
ook de eerdere 2e en 3e dynastie koningsgraven hebben een duidelijk Noord-orientatie, met westerlijke aspecten (dodenrijk).
Mijn eerdere opmerking: betekent teksten dat het geen megalithische structuren zijn?
@ JL: archeologen hebben geen verklaring voor de astronomische orientatie?
Of is de situatie toch iets meer gecompliceerd en is het wellicht verstandig om meer aandacht aan bepaalde situaties te schenken?
Want, ik ben geen Egyptische Nieuwe Rijks archeoloog, waarom is de Abu Simbel tepel gericht op de zon op een bepaalde dag? Wat is de betekenis in de ideologie van het Nieuwe Rijk in Egypte?
Dank je wel.
Het antwoord van CHATGPT:
ChatGPT said:
Goede vraag! Dat is precies zo’n voorbeeld waar de “hoe weten we dat?”-vraag belangrijk is. Archeologen en archaeoastronomen combineren verschillende soorten bewijs en methoden:
Oriëntatie en opmetingen
Ze meten heel precies de ligging van een monument (zoals Stonehenge of hunebedden) ten opzichte van de horizon en de windrichtingen.
Als de hoofdas of zichtlijnen van een bouwwerk systematisch wijzen naar de positie van de zon of maan bij opkomst/ondergang op specifieke dagen (bijv. midzomer-zonsopkomst), is dat een eerste aanwijzing.
Astronomische reconstructies
De stand van zon, maan en sterren verandert langzaam over de eeuwen (door o.a. precessie van de aardas).
Met computersimulaties kan men terugrekenen hoe hemellichamen eruitzagen in het Neolithicum of de Bronstijd. Zo kan men nagaan of de zichtlijnen toen echt klopten.
Patronen en herhaling
Het gaat niet om één monument, maar om hele reeksen. Als meerdere bouwwerken uit dezelfde periode telkens dezelfde oriëntatie vertonen (bijvoorbeeld allemaal richting zonsopkomst rond midwinter), wordt het waarschijnlijk dat dit bewust is gedaan.
Contextueel bewijs
Voorwerpen of afbeeldingen met zonnesymboliek, maankalenders of sterrenpatronen versterken de interpretatie.
In sommige culturen zijn later ook mythen of teksten bewaard gebleven die het belang van hemellichamen bevestigen.
Kritisch tegenbewijs
Archeologen zijn zich er ook van bewust dat een “toevalsoriëntatie” kan voorkomen. Daarom vergelijken ze met het landschap: misschien wijst een bouwwerk vooral naar een rivier of berg. Ze gebruiken statistiek om te bepalen of een patroon méér is dan toeval.
Voorbeeld: Stonehenge
De as van Stonehenge wijst precies naar de plek waar de zon opkomt bij de zomerzonnewende en ondergaat bij de winterzonnewende (rond 2500 v.Chr.).
Dit is bevestigd door nauwkeurige metingen en astronomische berekeningen van de hemelstand in die tijd.
Vergelijkbare oriëntaties vinden we in andere monumenten in Groot-Brittannië en Ierland.
Dus: archeologen “weten” dit niet omdat iemand het opschreef, maar omdat meetbare oriëntaties + astronomische reconstructie + patroonherhaling samen een sterk geval maken voor bewuste astronomische betekenis.
👉 Wil je dat ik ook laat zien hoe onderzoekers statistisch bepalen of zo’n oriëntatie toevallig kan zijn, of echt bewust gekozen?
Het onderscheid tussen toeval en bedoeling maken archeoastronomen niet op gevoel, maar via statistiek. Onderzoekers als Clive Ruggles en Douglas Heggie hebben laten zien dat oriëntaties bij hele groepen monumenten opvallend vaak clusteren rond de zonnewenden – véél vaker dan je op basis van toeval zou verwachten.
Bij Stonehenge zie je dat al in fase 1: de brede ingang richt zich ruwweg op de zomerzonnewende-opkomst en de tegenoverliggende kant op de winterzonnewende-ondergang. In latere fasen werd dat nog strakker uitgewerkt met de Avenue. Zulke zon-uitlijningen zijn ook bekend van sites als Newgrange en Maeshowe.
Sterren zijn een ander verhaal: door precessie en gebrek aan consistent bewijs zijn die claims veel zwakker. Het sterke bewijs zit vooral bij zon en soms maan.
Literatuur: Ruggles 1999; Heggie 1981; Higginbottom & Smith 2010.
Dank je wel. Dit was het antwoord dat ik zocht – althans, ik denk dat ik zo de statistische onderbouwing wel zal gaan vinden.
Misschien wordt het nu off-topic, maar ChatGPT kan er geen genoeg van krijgen:
Wil je dat ik soms ook literaire invalshoeken toevoeg aan de uitleg (bijvoorbeeld parallellen met poëzie of symboliek), of liever strikt historisch/wetenschappelijk?
You said:
Ja, ook graag literaire invalshoeken. Hoe zou je dan mijn vraag over de astronomische monumenten beantwoorden?
ChatGPT said:
Mooi, laten we jouw eerdere vraag over astronomische oriëntaties dan met een literaire bril aanvullen.
Wetenschappelijk
We zagen al hoe archeologen dit onderzoeken:
Meten van oriëntaties,
Reconstructie van de hemel in het Neolithicum of de Bronstijd,
Statistische toetsen om toeval uit te sluiten,
Context (symboliek, voorwerpen, landschap).
Daaruit ontstaat het beeld dat sommige monumenten doelbewust op zon of maan zijn gericht.
Literair-symbolisch
Maar naast de meetbare kant, roept dit ook vragen op over beleving en verbeelding:
Monumenten als gedichten in steen
Een bouwwerk dat precies de zonsopkomst bij midzomer vangt, is niet alleen een astronomisch instrument, maar ook een soort poëzie: een vastgelegd vers, waarin de zon elk jaar dezelfde regel “opnieuw uitspreekt”.
De horizon als versregel
Denk aan de lijnen van hunebedden of steencirkels als regelafbrekingen: de ene richting opent naar het begin van de dag, de andere sluit af in de schemer. De hemellichamen zijn de metaforen die er doorheen bewegen.
Ritueel en mythe
In literaire zin belichaamt zo’n oriëntatie het verhaal van tijd en kosmos. Het monument wordt een podium waarop de cyclus van leven–dood–wedergeboorte (zonsondergang–nacht–zonsopkomst) telkens wordt opgevoerd.
Tijd als kunstwerk
Voor ons is tijd iets abstracts dat we in cijfers vangen, maar voor hen was het een zintuiglijk beleefde herhaling. De oriëntatie op de zonnewendes kan worden gelezen als een archaïsche dichtregel: een periodieke herinnering dat de orde van de hemel ook de orde van het menselijke bestaan draagt.
Zo kun je zeggen:
Archeologen meten oriëntaties,
Dichters lezen symboliek.
Beide zijn waar, maar elk geeft een andere laag van betekenis.
Wil je dat ik er een kort gedicht bij maak, alsof het door een neolithische bouwer zelf geschreven had kunnen zijn?
You said:
Heel graag
ChatGPT said:
Dan probeer ik me in te leven in een stem uit het Late Neolithicum, een bouwer die spreekt in beelden van steen en hemel:
Stem van de cirkel
Wij zetten stenen neer
waar de zon haar schouder legt
op de rand van de wereld.
Elke zomer keert zij terug,
haar voetstap licht op ons pad.
Elke winter valt zij weg,
maar de steen bewaart haar naam.
Wij spreken niet met woorden,
wij spreken met richten:
lijn naar het oosten, lijn naar het westen,
en daartussen het leven.
Wie hier staat zal weten:
de hemel vergeet ons niet.
CHATGPT:
Zo’n monument is tegelijk instrument en gedicht. Archeologen meten lijnen en reconstructies tonen hoe de zon en maan in die tijd bewogen, en statistiek helpt ons te onderscheiden wat toeval is van bewuste keuze. Maar als dichter zie ik in die stenen ook een ritueel van verwondering: een lijn naar de horizon is als een versregel, een jaarlijkse declamatie van de hemel. Waar wij een kalender openen of een digitale agenda raadplegen, lazen zij hun afspraken in steen en licht. De mens van toen was zowel bouwer als dichter, en in elke opstelling van steen klinkt de echo van een eeuwige dialoog met de zon.
Je hebt gelijk en geen gelijk. Sommige oriëntaties op de zon zijn onmiskenbaar. Denk aan Newgrange. Dat is van een nauwkeurigheid waar je ongemakkelijk van wordt. Ander voorbeeld: als ik een topografische kaart neem van het Belgische megalietencentrum Wéris, dan zie ik dat de plaatselijke legendesteen Pierre Haina en de noordelijke dolmen mooi op een oostwestlijn liggen, d.w.z. op een lijn naar de equinoxen. Het klopt tot op 1° nauwkeurig. Dat lijkt me geen toeval. Anderzijds is de as van de zuidelijke dolmen van Wéris zeer onnauwkeurig op de ondergaande zon van 21 december georiënteerd. Daar kunnen we wel aan toeval denken.
Al die lijnen naar sterren die je vermeldt… Je kunt hier nog de lijnen naar de belangrijkste standen van de maan aan toevoegen. Inderdaad statistisch zeer zwak. Het valt me op dat je zulke lijnen wel in sommige boeken terugvindt maar dat het vaak om eenmalige publicaties gaat. Bovendien durven zulke lijnen te veranderen als je een andere publicatie vastneemt. Niet voor niets worden zulke resultaten zelden door anderen overgenomen. Meestal blijft het bij eenmalige publicaties die, behalve bij overenthousiaste amateurs en door BBC Histories, zelden worden geciteerd. Precies omdat, als je maar genoeg sterren in het vizier neemt, je er altijd wel een vindt.
Conclusie: lijnen naar belangrijke zonnestanden vind je nogal eens; die kun je zelf op een topografische kaart controleren en kun je statistisch hard maken of negeren. Lijnen naar de maan en sterren zijn statistisch veel – meestal heel veel – twijfelachtiger.
Ja, de extreme standen van de maan (meest zuidelijke/noordelijke maan-opkomst en ondergang) worden maar eens in 18,6 jaar aangenomen. Dan moet je wel heel lang waarnemingen doen om dat te constateren, nog los van het feit dat de maan veel minder goed zichtbaar is dan de zon en je dus menig opkomst en ondergang zult missen. Ook liggen die niet zo ver van de extreme zon-opkomsten en ondergangen, dus je uiterst nauwkeurige maan-uitlijning zou best eens een onnauwkeurige zonsuitlijning kunnen zijn.
Overigens speelt de maan zeer waarschijnlijk wel degelijk een rol bij de diverse megalitische monumenten, met name in Schotland (Callanish en de recumbent stone circles).
Er zijn een paar monumenten echt goed afgestemd op (vooral) zonsverschijnselen. Maar als je vele honderden monumenten hebt, zijn er altijd wel een paar die echt goed zijn afgestemd. Daar zit mijn ongemak. 😉
Er vanuit gaande dat er inderdaad sprake is van daadwerkelijke oriëntaties, vraag ik mij af hoe zo’n oriëntatie werd vastgesteld. Hoeveel waarnemingen moet je doen om een jaarlijks terugkerend verschijnsel met precisie te kunnen vaststellen? Hoe zou dat vastgelegd kunnen worden en generaties lang doorgegeven kunnen worden?
Hoeveel generaties nodig zijn, weet niemand. Hoe je het vastlegt: simpel: met enkele stokken. Een stok op je centrale observatiepunt, een andere op het meest extreme zonsopgangpunt. Idem voor de andere zonnepunten: ook daar plaats je een stok. Later maak je er een stenen monument van.
ChatGPT: “De as van Stonehenge wijst precies naar de plek waar de zon opkomt bij de zomerzonnewende en ondergaat bij de winterzonnewende (rond 2500 v.Chr.)”
Gericht op de winterzonnewende blijkt niet uit figuur 1 en 2.
Ik zie wel meer ChatGPT gebruik. Ik heb er zelf geen ervaring mee, maar ik begin te denken dat ChatGPT vooral de interesse van de vrager weergeeft.
Ik vermoed dat figuur 1 en 2 van toepassing zijn op Nederland, niet op Stonehenge. Op de breedtegraad van Stonehenge staat de winterzonsondergang (21 dec) op een rechte lijn met de zomerzonsopgang (21 juni). Toeval maar het kwam mooi uit. Misschien legt dat uit waarom Stonehenge staat waar het staat, en niet ergens anders.
Oei, nee, Herman, dat is beslist geen toeval, dat is normaal. In een vlak landschap liggen de midwinterzonsopkomst en de midzomerzonsondergang altijd tegengesteld. Idem voor de midwinderzonsondergang en de midzomerzonsopkomst. Ze liggen niet meer op één lijn als er heuvels zijn die de horizon “verhogen”.
Wat bij Stonehenge wel opvalt, en dat is wel uniek voor die breedtegraad, is dat de lijn tussen midwinterzonsondergang en midzomerzonsopkomst loodrecht staat op een maanuitlijning (meest zuidelijke maansopkomst naar meest noordelijke maansondergang?), maar daarbij is natuurlijk de grote vraag of dat bewust was.
Mij vielen een aantal dingen op aan de drie teksten die geplaatst werden.
1) Vleierij richting de gebruiker: “Goede vraag! Dat is precies zo’n voorbeeld waar de “hoe weten we dat?”-vraag belangrijk is.” en “Mooi, laten we jouw eerdere vraag […].” Het soort nietszeggende zinnen waarmee handige sprekers hun gesprekspartner toch kunnen inpalmen.
2) Het vissen naar verder gebruik: “Wil je dat ik ook laat zien hoe onderzoekers statistisch bepalen of zo’n oriëntatie toevallig kan zijn, of echt bewust gekozen?”; “Wil je dat ik soms ook literaire invalshoeken toevoeg aan de uitleg (bijvoorbeeld parallellen met poëzie of symboliek), of liever strikt historisch/wetenschappelijk?”; “Wil je dat ik er een kort gedicht bij maak, alsof het door een neolithische
bouwer zelf geschreven had kunnen zijn?”
Zowat alle grote sites zijn er op uit om de aandacht van de gebruiker vast te houden!
3) Doen alsof een persoon zich tot de gebruiker richt: “Dan probeer ik me in te leven in een stem uit het Late Neolithicum […]”; “Maar als dichter zie ik […]”. Al die keren dat er “ik”, “jij” en “we” wordt gebruikt, wordt die illusie in stand gehouden.
4) Het gebrek aan twijfel in de gegenereerde teksten. Het komt allemaal heel zelfverzekerd over.
(Er zullen vast nog andere trucs zijn die de programmeurs hebben bedacht maar die niet in deze drie teksten voorkomen.)
Men trekt dus van alles uit de kast om te verbergen wat er eigenlijk gebeurt: dat een (enorm) computersysteem – op basis van een immens bestand aan teksten en de door de gebruiker zelf aangeleverde tekst – een of andere tekst genereert voor die gebruiker. Het genereren van die tekst is knap, daar niet van, maar die trucs vind ik bedenkelijk.
Ik zou er ook niet te veel waarde aan hechten, al heb ik ook verbluffend goede antwoorden gezien.
Ha, een onderwerp waar ik me behoorlijk in verdiept heb! Ik ga je eerst verwijzen naar de website van Victor Reijs (https://archaeocosmology.org/), een van de velen die dit verschijnsel onderzocht heeft. Een ouderwetse website (Geniet: wine, beer, cigars and Newgrange), maar wel betrouwbare informatie.
De meest serieuze benadering die ik ken van dit fenomeen is die van Aubrey Burl, helaas inmiddels overleden. Zijn boeken zijn wetenschappelijk verantwoord en bijzonder leesbaar. Burl hanteert vier criteria waaraan voldaan moet worden om van een bewuste uitlijning te kunnen spreken.
1) Het moet duidelijk zijn waar de waarnemer moet staan (in het geval van Stonehenge de altaarsteen)
2) Er moet in de buurt iets staan wat de juiste kijkrichting aangeeft (de Heel stone, of iets nauwkeuriger, tussen de Heel stone en zijn voormalige buursteen in)
3) Er moet in de verte iets staan wat de precieze kijkrichting aangeeft (ontbreekt bij Stonehenge)
4) De uitlijning moet herhaald worden in monumenten in de buurt (niet overtuigend bij Stonehenge)
Stonehenge wordt dus door Burl niet geaccepteerd als door mensen bewust gemaakte uitlijning, maar er zijn op de Britse eilanden honderden prehistorische monumenten die op grond van deze criteria wel voldoen.
Een beroemd voorbeeld is Drombeg in Zuid-Ierland. Je moet bij de grootste steen gaan staan, je krijgt in de richting van de grote liggende steen (recumbent genaamd), geflankeerd door twee staande stenen, in de verte zie je een dip tussen twee heuvels in waar de zon rond 21 juni net opkomt (andere dagen niet). Deze uitlijning vind je terug in de diverse recumbent stone circles in de buurt. Dit moet dus (volgens Burl) bewust gebeurd zijn.
Mag de linker zonsondergang onderaan bij plaatje 2 ook bij de kortste dag? En Hans Koonings, is dat werkelijk een gedicht van ChatTGP of heb je dat er zelf ingesneakt? Ik hoop eerlijk gezegd op het laatste maar hoop en vrees… nou ja.
Evengoed heerlijk dit. De jaarlijkse declamatie van de hemel, toe maar! De redenatie, de commentaren: smullen! Perfect om een snipverkouden snotterneus weer bij de wereld te trekken.
Helaas, het gedicht is van onze domme domme robot. Er zit iets heel goeds in. Zal ik het jatten en mooier maken? Kost me een rib uit mijn lijf…
Jatten van een robot die eerst het hele interne heeft leeggeroofd. Da’s een goeie.
Overigens, Jona, zijn er ook uitlijningen bekend op het “exacte” oosten en westen, de zogenaamde equinox, het moment dat dag en nacht precies even lang zijn. Dan begint bij ons de herfst of lente. Voorbeelden in Bretagne zijn de rechthoeken van Crucuno en van Kerlescan (de laatste is een onderdeel van de alignements van Carnac). Het lollige is dat die met Google maps tegenwoordig nogal opvallen (Crucuno: https://maps.app.goo.gl/rdJLTnqxFS3bDe5p6). Dat gezegd zijnde, ze voldoen niet aan de Burl-criteria 3 en 4, dus je mag nog steeds je twijfels hebben.
Wie een goed gebalanceerde uitleg wil hebben over de diverse zon- en maanuitlijningen kan ik het dunne boekje (70 blz.) Prehistoric Astronomy and Ritual van Aubrey Burl aanbevelen
Dank je wel! Ook dit brengt me verder.