Prehistorisch Apulië

De geografie van Apulië

In dit artikel wil ik samenvatten wat we weten over de pre-Romeinse geschiedenis van de huidige Italiaanse provincie Puglia, die grotendeels samenvalt met de gelijknamige historische regio Apulië. Ik was er zopas op reis en dat geeft altijd inspiratie. Bovendien is de cultuur die aan de Romeinen voorafging mij aangenaam raadselachtig.

Geografische situering

Dat Apulië een eigen geschiedenis heeft, begrijpen we door eerst te kijken naar de aardrijkskunde.  De Apennijnen, de ruggengraat van Italië, buigen in het zuiden af en maken zo in het oosten ruimte voor een vlakte, die de historische regio vormt. Er zijn enkele uitzonderingen: de kleine uitstulping in het noorden – het “spoor” van de laars – is een geïsoleerde hoogvlakte, het nationaal park van Gargano. Centraal ligt de Alta Murgia, eveneens een hoger gelegen nationaal park.

De laagvlakte daar tussenin wordt verdeeld in de Tavoliere rond Foggia en de Salento, de echte hak van Italië. Bijzonder is dat er quasi geen rivieren zijn in deze regio. In het noorden heb je nog wel de Ofanto, die zich amper 170 kilometer richting Adriatische Zee slingert, en rond Bari is er bescheiden afwatering van de Alta Murgia, maar in de Salento is er … niks. Dat komt niet alleen doordat de streek zeer vlak is, maar vooral doordat ze geologisch bestaat uit kalksteen. Het water baant zich geen weg naar zee maar sijpelt de grond in. Wat je dus mist aan rivierenschoon, win je aan karstgrotten en andere spelingen der natuur.

Prehistorisch Apulië

De Prehistorie

De ons bekende menselijke geschiedenis van Apulië begint bij Foggia. In Pirro Nord zijn vuurstenen gevonden, die ongeveer 800.000 jaar oud zijn.noot Een studie uit 2024, gepubliceerd in Quaternary Geochronology, reviseert de traditionele datering van anderhalf miljoen jaar naar ca. 800.000 op basis van nieuwe dateringen van sediment en fossielen. Het blijft een van de oudste sites in West-Europa, maar niet meer het alleroudste. In het bergdorp Altamura nabij Bari zit een gefossiliseerd skelet van een Neanderthaler in een karstgrot verankerd. Bijzonder is dat men het sinds de ontdekking in 1993 mooi heeft laten zitten. Men denkt nog altijd na over een manier om het skelet uit de karst te halen, maar men is bang onherstelbare schade aan te richten en intussen is de geest van de archeologie verschoven van ophalen naar laten zitten voor later. Men is er echter alvast in geslaagd via de Uranium-Thorium-datering van een stukje karst het skelet te dateren tussen 172 en 128 duizend jaar oud. Een schraapsel uit een schouderblad leverde in 2015 een genetisch staal op dat zich liet identificeren als dat van de Neanderthaler. Het was daarmee destijds het oudste dergelijke DNA.

De Neanderthaler van Altamura (© Wikimedia Commons)

De oudste fossielen van de Homo Sapiens in Italië zijn aangetroffen in de Grotta del Cavallo in Salento: twee tanden van 43.000 tot 41.000 jaar oud. Ze werden een tijdlang beschouwd als de oudste in Europa, maar o.a. in Bulgarije is intussen ouder materiaal gevonden. Dan is er Delia, een vrouwelijke hominide die 28.000 jaar geleden leefde. Zij is ontdekt in Ostuni, met de resten van een terminale foetus in haar baarmoeder, een zeldzaamheid in het archeologisch onderzoek.

Botten uit de Grotta delle Veneri bij Parabita suggereren het bestaan van vruchtbaarheidsculten uit het Gravettien-tijdperk (ongeveer 25.000 jaar geleden), terwijl in de grot Le Mura in Monopoli fossiele resten zijn gevonden van een kind van ongeveer anderhalf jaar, gedateerd op 17.000 jaar. DNA-onderzoek uit 2024 voegt toe dat het kind blauwe ogen had en een donkere huid. Deze en andere vondsten leiden tot de hypothese dat Apulië deel uitmaakte van de toevluchtsoorden (“refugia”) voor de eerste Europese moderne mensen tijdens de laatste ijstijd.

Bij Manfredonia zijn de nederzetting en de graven van Masseria Candelaro ontdekt, daterend uit het zesde millennium v.Chr., die aantonen dat de vlakte ten zuiden van de Gargano sinds het vroege Neolithicum bewoond was. In Passo di Corvo, aan de rand van Foggia, staat een van de grootste neolithische archeologische sites van Europa (zesde tot vierde millennium  millennium v.Chr.). De daar aangetroffen landbouwpraktijk kwam vermoedelijk vanuit het Midden-Oosten naar Italië en entte zich op de vruchtbare Apulische vlakte.  De Laterza-cultuur, vernoemd naar het dorp waar de grafplaatsen zijn aangetroffen, was mogelijk de laatste neolithische cultuur van Italië voor de Bronstijd.

Bronstijd

Recente opgravingen in Roca Vecchia hebben een imposant vestingwerk uit de Bronstijd (zeventiende tot en met elfde eeuw v.Chr.) aan het licht gebracht, met aanwijzingen voor Mykeense contacten. In hetzelfde gebied bevindt zich nog een belangrijke archeologische site: de grot van Posia Piccola (ook Poesia Piccola genoemd), ontdekt in 1983. Die draagt talrijke votiefinscripties, soms over elkaar gelegd, uit verschillende tijdperken en beschavingen.

Ook uit de Bronstijd dateren de vondsten rond Ruvo di Puglia: een nederzetting op de weg van Molfetta naar Matera uit ongeveer 2000 v.Chr. In de hutten zijn sporen aangetroffen van metaal- en steenbewerking, waaronder een bronzen bijl.

[Deze vijfdelige gastbijdrage van Dieter Verhofstadt wordt vervolgd. Dank je wel Dieter!]

Cairns en brochs en Skara Brae (2)

Cairn Whiteford Hill, Orkney

[Tweede en laatste blogje van het verslag dat Arnold den Teuling van zijn reis door Schotland. Het eerste was hier.]

We maken nu een flinke sprong terug in de tijd, naar het Late Neolithicum, d.w.z. het midden van het vierde millennium v.Chr., met talloze voorbeelden van cairns, grafmonumenten bestaande uit keien, maar met een of meer grafkamers. Deze kennen we ook uit Bretagne en het Zweedse eiland Gotland, en ze zullen ongetwijfeld op meer plaatsen te vinden zijn. Ze dateren uit dezelfde periode als de hunebedden op het Noord-Europese vasteland. Uit dezelfde tijd dateren stone circles, die ouder zijn dan Stonehenge en Avebury, en ook in rijen opgestelde stenen die ouder zijn dan de alignements van Carnac in Bretagne.

Skara Brae

Maar het meest spectaculair is toch onmiskenbaar het neolithische dorp Skara Brae op de westkust van het Mainland van Orkney. Het is om onbekende redenen vrijwel intact verlaten, nadat het drie of vier eeuwen bewoond was geweest. Zelfs de aardewerk potten stonden nog in hun rekken toen het halverwege de negentiende eeuw werd ontdekt. Door een storm was het zandduin erbovenop weggeblazen, en een deel van het dorp is ook in zee gespoeld.

Lees verder “Cairns en brochs en Skara Brae (2)”

Archeoastronomie

Stonehenge, fase 1

Ik weet zeker dat higgsbosonen, Vietnam, sequoia’s en tektonische platen bestaan, al heb ik ze nooit gezien. Verder betwijfel ik niet dat er ooit triceratopsen over deze planeet hebben rondgewandeld. Ik neem het aan zonder bewijs. Als het gaat om de Oudheid, weet ik echter graag waarom we dingen weten. Bijvoorbeeld: hoe weten archeologen dat monumenten uit het Late Neolithicum en de Bronstijd zijn georiënteerd op astronomische verschijnselen?

Voordat ik verder ga: ik schrijf dit precies om de reden die ik noem. Ik wil weten hoe archeologen weten wat ze weten. Ik schrijf het niet vanuit pseudoscepsis (“ik stel alleen maar vragen”). Ik heb echter een stukje uit de bewijsvoering nooit gehoord, of ben dat vergeten, en ik vertrouw erop dat een archeoloog me straks doorverwijst naar een wetenschappelijk artikel dat ik niet ken. Sta me nu een redenering toe die bij elke stap allerlei nuanceringen behoeft die ik zal overslaan; het gaat me even om de hoofdlijn.

Lees verder “Archeoastronomie”

Oorlog in Sumerië

Spijkerschrifttekst van Enmetena van Lagash over de oorlog met Umma (Louvre, Parijs)

Het schijnt voor te komen, en het is natuurlijk heel bijzonder, dat mensen dagenlang niet denken aan het conflict tussen de Sumerische stadstaten Lagash en Umma. Het is een van de oudst-gedocumenteerde oorlogen uit de geschiedenis. De inzet was niet gering: door het onduidelijke verloop van de grens tussen de twee staatjes was de watervoorziening onzeker en dus ook de welvaart.

Dit was de menselijke dimensie van het conflict, waar wij iets van begrijpen. Er was echter een tweede dimensie. Als het land eigendom was van de stadsgoden, dan was dit dus tegelijk een conflict tussen twee goden. Gelukkig waren er altijd verstandige goden, zoals het hoofd van het Sumerische pantheon, Enlil. Diens vertegenwoordiger op aarde, koning Mesalim van Kish (pakweg 2550 v.Chr.) stelde de grens vast en plaatste daar een stèle. Probleem opgelost – althans voorlopig.

Lees verder “Oorlog in Sumerië”

De oudste poëzie

Orfeus improviseert zijn poëzie (Museum van Antiochië)

De woordenschat van de Indo-Europese talen gaat terug op een oertaal die in het huidige Oekraïne gesproken is geweest toen de Steentijd overging in de Bronstijd. Die taal kunnen taalkundigen redelijk goed reconstrueren dankzij goed gefundeerde klankwetten en zo kunnen ze uitspraken doen over de tussenliggende eeuwen. Zeg maar de Bronstijd, de periode waaraan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden vanaf 18 oktober een overzichtstentoonstelling zal wijden. Taal en archeologie gaan hier hand in hand, want een fors deel van de archeologische interpretatie veronderstelt informatie die de taalkundigen hebben geleverd. Omgekeerd helpt de archeologie tegen al te malle, op taal gebaseerde reconstructies van de oude samenlevingen.

Het potentieel van de taalkunde beperkt zich echter niet tot de vaststelling dat er koningen, gezinnen en hemelgoden zijn geweest, of dat er zaken bestonden als magische rituelen en de uitwisseling van geschenken. Taalkundigen kunnen ook uitspraken doen over de vorm van de poëzie. Niet over de inhoud helaas; wat men in de gedichten vertelde, is voorgoed verloren. Maar hoe de dichters te werk gingen, daarover kunnen taalkundigen uitspraken doen. Ze kijken daarvoor naar de poëzie van de Indo-Europese talen, herkennen overeenkomsten en beredeneren hoe die kan zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke Proto-Indo-Europese oerpoëzie.

Lees verder “De oudste poëzie”

De Bronstijd: sociale stratificatie

Het zwaard van Jutphaas: teken van sociale stratificatie (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Dit najaar begint in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie over de Bronstijd. Om die tijd te begrijpen, benutten oudheidkundigen vanouds drie soorten bewijsmateriaal. Om te beginnen waren er de antiquariërs van de zeventiende en achttiende eeuw, die materiële overblijfselen combineerden met etnografische informatie. Voortaan was die vreemd gevormde steen geen uit de hemel gevallen dondersteen maar een projectiel, want op Vuurland gebruikten mensen stenen pijlpunten. In de late achttiende eeuw plaatsten geleerden als Turgot en De Condorcet de gecombineerde informatie in één grote theorie over de menselijke ontwikkeling. Twee soorten bewijsmateriaal waren verenigd en de Prehistorie was ontdekt.

Tegelijkertijd ontsloten taalkundigen de derde bewijscategorie: ze begrepen dat de reconstrueerde Proto-Indo-Europese taal eveneens zicht bood op wat toen nog een vaag gedefinieerde oertijd was. Inmiddels weten we dat de Yamnaya-cultuur (ca.3300-ca.2600 v.Chr.) de drager was van de Proto-Indo-Europese talen en dat zaken die aanwezig waren in én het vierde millennium v.Chr. én de samenlevingen waarin de Indo-Europese talen zijn gesproken, ook aanwezig moeten zijn geweest in de tussenliggende periode. De Bronstijd dus. Ik blogde al eens over de structuur van de eigennamen, over religie en over bezit.

Lees verder “De Bronstijd: sociale stratificatie”

De Proto-Indo-Europese samenleving: namen

Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

Met het oog op de naderende Bronstijdtentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden, beloofde ik wat te zullen schrijven over de Chalcolithicum/Bronstijd-samenleving die we kunnen reconstrueren aan de hand van wat we kunnen reconstrueren van het Proto-Indo-Europees. Dat ik tweemaal “we kunnen reconstrueren” schrijf, is lelijk maar geen toeval. Als we het hebben over het Proto-Indo-Europees, bedoelen we  een verzameling dialecten. En “de” daarop gebaseerde samenleving is natuurlijk eveneens slechts een benadering. Zoals alle oudheidkundige kennis.

Eén van de dingen waar de reconstructie echter redelijk solide is, is de naamgeving. We kennen namelijk heel veel persoonsnamen, afkomstig uit vrijwel alle Indo-Europese talen. En in bijna al die talen zien we hetzelfde patroon, dat taalkundigen aanduiden als tweestammigheid. Dat wil zeggen dat een naam bestaat uit twee elementen. De Griekse naam Nikolaos – het is vandaag immers het feest van de geboorte van Sint-Nikolaas – bestaat uit twee elementen, namelijk nikè, “overwinning”, en laos, “volk”. Het betekent dus zoiets als “overwinning voor het volk” of “overwinnaar van het volk”.

Lees verder “De Proto-Indo-Europese samenleving: namen”

De Proto-Indo-Europese godsdienst

Mjölnir (Zweeds Historisch Museum, Stockholm)

Binnenkort is in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie over de Bronstijd. Het leek me, zoals ik al eerder schreef, een aardig idee de toenmalige samenleving te beschrijven aan de hand van de taal. Dit Bronstijderfgoed biedt immers een fantastisch venster op een van de toenmalige samenlevingen: de Yamnaya-cultuur in het huidige Oekraïne. Die is gedeeltelijk te reconstrueren aan de hand van de gedeelde woordenschat van latere volken, die het schrift beheersten. De redenering is hierbij dat als iets het geval is geweest in én de Proto-Indo-Europese samenleving rond 3000 v.Chr. én de schrijvende samenlevingen, het eveneens het geval moet zijn geweest in de tussenliggende Bronstijdsamenlevingen.

Vader Hemel

Zo kunnen we ook uitspraken doen over de religie van de Bronstijd. Die was, om te beginnen, polytheïstisch. Iets preciezer: men vereerde – voor zover de documentatie reikt – vooral hemelgoden, en dan vooral Vader Hemel. Die heet in het Grieks Zeus Pater, in het Latijn Ju-piter, in het Indisch Dyaus Pitar. Het tweede element betekent vader, het eerste element, *Dyeus, is afgeleid van een werkwoord dat zoiets als “stralen” of “schijnen” betekent. Datzelfde werkwoord ligt aan de basis voor het woord voor god, dat in het Latijn deus is, in het Indisch devas, in het Keltisch dewos, in het Hittitisch šiuš en in het Gotisch teiws. Het Griekse theos lijkt er weliswaar op maar heeft een andere herkomst.

Lees verder “De Proto-Indo-Europese godsdienst”

De Proto-Indo-Europese samenleving: bezit

In de Proto-Indo-Europese samenleving heette dit *peku.

De Bronstijd is de tijd waarin Europa zijn talen heeft gekregen. Indo-Europese talen. De relevantie ervan – of beter: de relevantie van het taalkundig onderzoek – staat buiten kijf. De Indo-Europese talen vormen immers een loepzuiver voorbeeld van de wijze waarop geesteswetenschappelijk onderzoek onze samenleving vormt: toen de Indo-Europese taalfamilie was ontdekt, veranderde de aard van het Europese nationalisme en gingen we volken definiëren als taalgemeenschappen. Il n’y a pas de Belges: de eeuwige Belgische staatshervormingen zijn een regelrecht gevolg van een oudheidkundige ontdekking. Niets meer, niets minder.

De Proto-Indo-Europese samenleving

Bovendien vormen de oude talen zelf ons belangrijkste erfgoed. Alle reden dus om ze als bron van informatie te gebruiken en een vroegantieke samenleving te schetsen. Ik wil dus de gedeelde woordenschat bekijken om te zien wat we kunnen weten over de wereld van de sprekers van de Proto-Indo-Europese talen. Omdat die verwante woorden hebben voor de onderdelen van een wagen, hebben we het over een wereld die is ontstaan na de uitvinding van het wiel – laten we zeggen ná 3500 v.Chr. Een wereld die ergens rond 2800 v.Chr. uiteen begon te vallen.

Lees verder “De Proto-Indo-Europese samenleving: bezit”

Proto-Indo-Europees in de Breestraat

Het huis van Scaliger (Breestraat 113, Leiden), die de Indo-Europese taalfamilie op het spoor kwam.

Je zou de talen die in Europa worden gesproken in groepen kunnen verdelen, realiseerde de Leidse hoogleraar Joseph Scaliger (1540-1609) zich. Groepen van talen die op elkaar lijken. Neem bijvoorbeeld het woordje ‘god’. In het Duits luidt dat Gott, in het Engels god, in het Noors gud: groep 1. Maar het Franse woordje dieu lijkt daar in de verste verte niet op, evenmin als het Spaanse dios, het Portugese deus en het Italiaanse dio: samen vormen die groep 2. In Rusland daarentegen noemen ze het opperwezen bog, in Slowakije boh, in Polen bóg: groep 3. En wat houden we dan over? Natuurlijk het Griekse theós, een buitenbeentje dat in zijn eentje groep 4 vormt.

Het inzicht dat sommige (groepen) Europese talen meer op elkaar lijken dan andere, maar dat ze onderling weer meer op elkaar lijken dan op het Hebreeuws, Arabisch en Aramees, roept wel meteen de vraag op: wat is de verklaring daarvoor?

Lees verder “Proto-Indo-Europees in de Breestraat”