Hypothetische geschiedschrijving

Turgot, vertegenwoordiger van de hypothetische geschiedschrijving

Weinig denkers hebben zo’n grote invloed gehad op het wetenschappelijk denken als Isaac Newton. Zijn tijdgenoten waren danig onder de indruk van zijn methode, waardoor de wijsgeren van de achttiende eeuw, de Verlichtingsfilosofen, probeerden een vergelijkbare wetenschappelijkheid te betrachten bij hun analyse van het intrigerende verschijnsel mens.

Hypothetische geschiedschrijving

Ze beschouwden de Middeleeuwen als de tijd waarin was getoond hoe het niet moest. De mensen zouden onvrij zijn geweest, hun denken beheerst door autoriteiten en knellende dogma’s, met misère als gevolg. De Oudheid gold daarentegen als ideaal. Vrije burgers van vrije steden hadden toen de grondslagen gelegd van de beschaving en een welvarende staat. Deze bewondering betekende echter niet dat de Verlichters alles geloofden wat de classici, historici en antiquariërs beweerden. Vaak deelden ze de pyrronistische kritiek – een Voltaire publiceerde een Pyrrhonisme de l’histoire – en liever dan zich te verliezen in de details van de traditionele oudheidkunde, schiepen ze een alternatief: de hypothetische geschiedschrijving.

Lees verder “Hypothetische geschiedschrijving”

Diffusie en acculturatie

Een voorbeeld van diffusie: keizer Galerius met een Germaanse mantelspeld (Archeologisch museum, Thessaloniki)

Grosso modo zijn alle mensen hetzelfde. Dezelfde zintuigen, dezelfde hersenen, ruim een half dozijn identieke basisemoties. We kunnen de evident bestaande culturele verschillen dus nauwelijks verklaren vanuit onze biologie. Maar hoe dan wel?

De verklaring van verschil

Het oudste antwoord: degeneratie. De mensheid had zich over de aarde verspreid vanuit de Hof van Eden en de mensen waren gaandeweg minder oud, minder slim en minder vaardig geworden. Daarom gebruikten de mensen die het verst van Eden woonden, in Tasmanië of op Vuurland bijvoorbeeld, stenen instrumenten. Ze waren de metaalbewerking verleerd.

Het op een na oudste antwoord: evolutie. De mensheid was begonnen als aaseter en had zich via de stadia van wildheid en barbarij opgewerkt tot beschaving. Als mensen verschillend leefden, kwam het doordat ze zich bevonden op verschillende evolutionaire niveaus. Ik blogde al eens over auteurs als De Condorcet, die hardop dachten over de verdere verbetering van de samenleving. Vanzelfsprekend was dit vroege evolutionisme een eurocentrische benadering, maar in de achttiende eeuw, toen Europeanen driekwart van de planeet beheersten, was het wel een béétje begrijpelijk dat men zichzelf beschouwde als eerste op de weg richting heilstaat. Uiteraard bleven er ook biologische (lees: racistische) verklaringen, maar grosso modo bleef het evolutionisme gedurende de negentiende eeuw het dominante denkmodel.

Lees verder “Diffusie en acculturatie”

Hypothetische geschiedschrijving

Een van de vertegenwoordigers van de hypothetische geschiedschrijving was Condorcet (Parijs)

Weinig denkers hebben zo’n grote invloed gehad op het wetenschappelijk denken als Isaac Newton. Zijn tijdgenoten waren danig onder de indruk van zijn methode, waardoor de wijsgeren van de achttiende eeuw, de Verlichtingsfilosofen, probeerden een vergelijkbare wetenschappelijkheid te betrachten bij hun analyse van het intrigerende verschijnsel mens.

Hypothetische geschiedschrijving

Ze beschouwden de Middeleeuwen als de tijd waarin was getoond hoe het niet moest. De mensen zouden onvrij zijn geweest, hun denken beheerst door autoriteiten en knellende dogma’s, met misère als gevolg. De Oudheid gold daarentegen als ideaal. Vrije burgers van vrije steden hadden toen de grondslagen gelegd van de beschaving en een welvarende staat. Deze bewondering betekende echter niet dat de Verlichters alles geloofden wat de classici, historici en antiquariërs beweerden. Vaak deelden ze de pyrronistische kritiek – een Voltaire publiceerde een Pyrrhonisme de l’histoire – en liever dan zich te verliezen in de details van de traditionele oudheidkunde, schiepen ze een alternatief: de hypothetische geschiedschrijving.

Lees verder “Hypothetische geschiedschrijving”

Potten en pannen

Oscar Montelius (©Stockholms Stadsmuseum)

En zo maakte voormalig staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra toch school met zijn opmerking dat hij niet wist wat hij aan moest met “musea vol opgegraven potten en pannen”. Zijn epigoon blijkt niemand minder dan de Turkse premier Recep Erdoğan, die eveneens van mening is dat potten en pannen behoorlijk in de weg kunnen liggen. Lees maar. Beide heren bedoelen, vanzelfsprekend, dat ze niet goed weten waartoe archeologisch onderzoek dient.

Voor een oudheidkundige is zoiets natuurlijk vervelend om te lezen, maar de mannen hebben wel een punt: het belang van de oudheidkundige disciplines spreekt niet vanzelf en zal af en toe moeten worden uitgelegd. De subsidie van archeologische musea is geen absoluut recht en er zijn legio situaties denkbaar waarin het oudheidkundig onderzoek moet wijken voor andere zaken.

Lees verder “Potten en pannen”