Kindergraf

Egyptisch kindergraf (Staatliches Museum Ägyptischer Kunst, München)

De leukste voorwerpen uit de Oudheid zijn standaardobjecten die nét even anders zijn dan je verwacht. Zoals het bovenstaande reliëfje uit het Staatliches Museum Ägyptischer Kunst in München. Al beken ik dat ik me wat beschroomd voel om dit vierde-eeuwse kindergraf uit Antinoupolis “leuk” te noemen. Er zit zoveel verdriet achter.

Maar toch. Van dit soort Romeinse reliëfs gaan er dertien in een dozijn. Ze staan dan ook in een eeuwenoude traditie. De Egyptenaren maakten al sinds mensenheugenis standbeelden voor degenen die ze begroeven. In de Romeinse tijd gingen ze daar gewoon mee verder. De enige aanpassing was dat die afbeeldingen niet langer vrijstaand waren, maar dat de beelden waren geplaatst in een kader of nis. Zo’n nis kon duiden op vergoddelijking – ik blogde er al eens over – of op opname onder de hemelingen.

Lees verder “Kindergraf”

Ausonius aan de Moezel

De Moezel bij Mehring

Een jaar of vier geleden mocht ik op deze blog een gedichtje van Leo van Zanen publiceren over de Togatus Barberini. Het is opgenomen in de bundel De bezoeker, die vandaag officieel wordt gepresenteerd en die u hier kunt bestellen. Het eerste exemplaar zal vanavond in een (wegens de corona: helaas besloten) bijeenkomst in de Leidse boekhandel De Kler worden overhandigd aan Jean Pierre Rawie.

In de bundel zijn ook drie gedichten opgenomen over Van Zanens Romeinse voorganger Decimus Magnus Ausonius. Die moet u plaatsen in de vierde eeuw na Chr.; hij was – behalve dichter – ook de docent van keizer Gratianus (r.367-383).

Het motto quis color ille, “wat is dat voor kleur?” is ontleend aan zijn bekendste gedicht Mosella ofwel Het lied van de Moezel. Dat is door Patrick Lateur vertaald in het Nederlands.

Lees verder “Ausonius aan de Moezel”

Byzantijnse krabbel (12): Fabels

Een kwatrijn is een gedichtje van vier regels. De grootmeester van het genre is de middeleeuwse Perzische auteur Omar Khayyam, over wie ik al eens blogde, twee keer zelfs: 1, 2 en nog een derde keer als een bonus die eigenlijk niet over hem gaat. De weinige keren dat ik zelf heb geprobeerd een kwatrijn te schrijven, ontdekte ik dat het moeilijk is een gedachte in precies vier regels te gieten: om echt iets te zeggen, had ik er eigenlijk altijd meer nodig. Sonnetten zijn makkelijker.

Des te knapper vind ik het als iemand in een kwatrijn een compleet verhaal kan vertellen. Dat probeerde de Byzantijnse dichter Ignatios, die het kwatrijn benutte voor het vertellen van fabels: verhaaltjes met een plot en een moraal, en dat in vier zinnetjes.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (12): Fabels”