Curtius Rufus

Portret van een Romein, tweede kwart eerste eeuw (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

We moeten het eens hebben over Quintus Curtius Rufus. Een Romeinse officier waarvan er dertien in een dozijn gingen, maar wel een Romeinse officier die wordt vermeld door de Romeinse geschiedschrijver Tacitus. Hier is het citaat, dat begint met een schitterende insinuatie.

Over de afkomst van Curtius Rufus, die volgens sommigen de zoon was van een gladiator, wil ik geen onjuistheden beweren, terwijl ik me er tegelijk voor schaam de waarheid uit de doeken te doen. Eenmaal volwassen werd hij lid van de staf van een quaestor die Africa als standplaats had gekregen. Toen hij zich in de stad Hadrumetum in een zuilengalerij bevond waar hij op dat moment – het was midden op de dag – helemaal alleen was, was er een vrouwelijke gedaante van bovenmenselijke afmetingen aan hem verschenen en hoorde hij haar zeggen: “Jij, Rufus, jij bent de man die als gouverneur naar deze provincie zal komen.”noot Tacitus, Annalen 11.2-21; vert. Marinus Wes.

Lees verder “Curtius Rufus”

Oudheidkunde en oudheidkundes

Niet dat dit theatermasker uit het museum in Thessaloniki iets wezenlijks over oudheidkunde overdraagt, maar ach, het is wel zo aardig.

Het kwam vorige week even ter sprake: wat is eigenlijk het verschil tussen al die oudheidkundige disciplines? Misschien is het zinvol om wat begripsverheldering te bieden, temeer omdat ik nogal eens word geconfronteerd met mensen die niet begrijpen dat geschiedenis een vak is.

De classici

De oude wereld wordt vanouds bestudeerd door mensen die ik classici zal noemen. Die staan in een prachtige traditie, teruggaand op de Renaissance, toen de inzet was dat de mensen graag beter wilden schrijven en de Oudheid als voorbeeld namen. Er waren destijds ook geleerden die de Oudheid niet zozeer wilden volgen maar gewoon wilden kennen. In feite zijn deze attitudes nog altijd aanwezig: er zijn nog volop classici die vooral bewondering voelen voor wat inderdaad mooi is – het boek van Simon Goldhill dat ik ooit besprak is een voorbeeld – en er zijn mensen die hun vakgroep liever “Griekse en Latijnse taal en cultuur” noemen. Meestal worden ze samen aangeboden, al oogt dat toch een beetje alsof je het hebt over de faculteit “Franse en Duitse taal en cultuur”, maar zo vreemd is dat niet: een groot deel van de Romeinse literatuur is nu eenmaal in het Grieks. Veel opvallender is eigenlijk de afwezigheid van het Aramees voor wie de literatuur en cultuur van de Romeinen wil bestuderen.

De archeologen

De tweede grote groep wetenschappers die zich met de oude wereld bezighoudt, zijn de archeologen. Oorspronkelijk waren dat vooral kunsthistorici à la Winckelmann, die de bewonderende houding deelden met sommige classici. Ik kan ver met hen mee gaan. Als ik niet meer minimaal eens per week zou denken “dit is mooi”, zou ik ander werk moeten gaan zoeken.

Lees verder “Oudheidkunde en oudheidkundes”

Maus

In 1991 schreef striptekenaar Art Spiegelman een korte brief naar The New York Times, met het verzoek of de krant, die Spiegelmans stripverhaal Maus had opgenomen in een bestsellerlijst, het niet langer wilde classificeren als fictie. Het was namelijk non-fictie. Zo geschiedde, want Maus mag dan een bizarre vorm hebben, het is van de eerste tot de laatste bladzijde waar gebeurd.

In de twee delen, My Father Bleeds History en And Here My Troubles Began, vertelt Spiegelman drie verhalen tegelijk. In het eerste daarvan, dat zich afspeelt rond 1980, beschrijft hij hoe hij zijn vader Vladek interviewt: hoe heeft deze, als Poolse jood, de Holocaust overleefd? Vladeks verslag van de Tweede Wereldoorlog vormt, zoals u al vermoedde, het tweede verhaal. In het tweede deel komt daar als verhaallijn nog bij hoe Spiegelman, eind jaren tachtig, worstelt met de materie en het succes van het eerste deel. Zo toont hij zichzelf, zittend achter de tekentafel, boven een enorme stapel lijken.

Lees verder “Maus”

Een monument voor het Verzet

Het zou overdreven zijn te zeggen dat Jacques Presser (1899-1970) de grootste Nederlandse historicus van de twintigste eeuw was, maar hij was wel degene met de beste pen. Die benutte hij niet alleen voor wetenschappelijke publicaties als Napoleon (1946), maar ook voor literaire werken als De nacht van de girondijnen (1957), en voor de twee delen van Ondergang (1965), die zowel wetenschappelijk als literair zijn. De grens tussen non-fictie en fictie is ook moeilijk te trekken in zijn onlangs ontdekte Homo submersus: enerzijds een roman-in-dagboekvorm, anderzijds documentatie van zijn onderduiktijd in Overwoud, een gehucht ten oosten van Barneveld.

Het eenvoudige verhaal blijft ogenschijnlijk dicht bij Pressers eigen ervaringen: een jood uit Amsterdam duikt in de zomer van 1943 onder in het huis van een onderwijzer aan een christelijke school in een dorpje aan de rand van de Veluwe. Hij is bezig met het voorbereiden van een wetenschappelijke publicatie. De onderwijzer, tevens het hoofd van de organisatie die joden helpt, is nogal loslippig, waardoor zijn tijdelijke huisgenoot veel informatie krijgt over andere onderduikers. Van hun levens en van de activiteiten van hun redders is Homo submersus de kroniek, bijgehouden om een bevriende socioloog in staat te stellen het verschijnsel onderduik te onderzoeken.

Lees verder “Een monument voor het Verzet”

Klassieke novelle over Westerbork

Als er in 1941 literaire top-tiens hadden bestaan, zou het lijstje voor non-fictie zijn aangevoerd door De Tachtigjarige Oorlog van B.W. Schaper. Het boek over Neêrlands nationale oorlog tegen de Spanjaarden werd nog datzelfde jaar herdrukt en was zo succesvol dat de Duitsers het bekroonden met een verschijningsverbod. Daarbij bleef het. Gelukkig, want de goede Bertus Schaper zou zijn leven niet zeker zijn geweest als de bezetter had geweten voor wie hij stand-in was: voor Jacques Presser (1899-1970), leraar geschiedenis, socialist, lid van Ter Braaks Comité van waakzaamheid tegen het nationaal-socialisme en (volgens de Duitsers) jood.

Onmiddellijk na de Bevrijding werd de mystificatie uitgelegd, en vanaf dat moment was Presser – die de oorlog als door een wonder had overleefd – een van ’s lands bekendste historici. In 1946 verscheen zijn Napoleon. Historie en legende. Zelden is een geschiedkundige zo achter zijn schrijftafel gaan zitten met het idee zijn onderwerp tot op de grond toe af te branden: in feite had Presser natuurlijk Mussolini, Hitler en Stalin in het vizier. Niet dat hij ongeïnteresseerd was in de historische waarheid, maar in zijn perspectiefkeuze liet hij zich explicieter dan zijn collega’s leiden door de actualiteit. Zo was ook De Tachtigjarige Oorlog voor hem eigenlijk slechts een aanleiding geweest om het verslagen Nederlandse volk moed in te spreken. Van De nacht der Girondijnen, het hier besproken boek, valt iets soortgelijks te vertellen – maar daarover later.

Lees verder “Klassieke novelle over Westerbork”

Joods, of ze wilden of niet

Wetenschapsjournalist Theo Toebosch woont vier blokken van mij vandaan. Ik kom hem op straat wel eens tegen. We zullen twee of drie keer hebben geluncht. Ik mag dus niet beweren dat ik onbevooroordeeld ben begonnen aan zijn boek over de familie Josephus Jitta, Uitverkoren zondebokken. Toch denk ik dat ik, als ik onbevooroordeelder aan dit boek was begonnen, moeilijk een andere recensie zou kunnen schrijven dan de huidige. Het is moeilijk Toebosch’ enthousiasme voor de stof niet te delen.

De woorden ‘uitverkoren’ en ‘zondebok’ suggereren dat we te maken hebben met een joodse familie, wat correct blijkt te zijn in de eerste helft van het boek, waarin Toebosch het leven beschrijft van de joden van Bamberg. Een van hen, Nathan (1739-1829), kan een financiële betrekking (‘hofjood’) krijgen bij de Prince de Ligne, die grootse plannen heeft met een dorp in Henegouwen. Het loopt echter op niets uit en Nathan vestigt zich uiteindelijk in Amsterdam, waar hij de achternaam Josephus Jitta aanneemt als Napoleon in 1812 de burgerlijke stand invoert.

Lees verder “Joods, of ze wilden of niet”