De Peelhelm

De Peelhelm (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

In mijn reeks museumstukken vandaag een van de beroemdste voorwerpen uit de Oudheid: de Peelhelm. Rond 300 n.Chr. gemaakt van verguld zilver, in 1910 gevonden door turfsteker Gebbel Smolenaars in de Peel, tegenwoordig in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. De helm is niet het enige voorwerp dat Smolenaars uit het veen haalde: hij vond ook enkele vierde-eeuwse munten, een mantelspeld, delen van een paardentuig en een ruiterspoor.

Net als moderne helmen bestaat de Peelhelm uit een binnen- en een buitenhelm. De binnenhelm moet van ijzer gemaakt zijn geweest. Doordat het voorwerp gelegen heeft in veen, is het ijzer compleet weggeroest. De buitenhelm, gemaakt van edelmetaal, heeft het wel overleefd. Ze bestaat uit veertien onderdelen die met gespjes en riempjes waren verbonden.

Er was meer. Een linkerschoen. Drie rechterschoenen in verschillende maten. En textiel, waarvan we weten dat het is vervaardigd in Syrië. Tot slot vermeld ik drie inscripties. De minst interessante vermeldt het zilvergewicht: een pond en anderhalf ons. Zulke prijskaartjes waren destijds niet ongebruikelijk.

De tweede inscriptie vermeldt een legeronderdeel: de Zesde Stablesiaanse Garde. Dit was een cavalerie-onderdeel dat de keizer begeleidde als hij op reis was. Soms streden ze aan het front. Een combinatie van commandotroepen en lijfwacht dus. Elitetroepen.

En dan is er de derde inscriptie. Die vermeldt een Marcus Titus Lunamis. We weten niet wie het was. Omdat het legeronderdeel staat vermeld, is wel aangenomen dat de kostbare helm eigendom was van dat onderdeel. Als dit correct is, kan Lunamis dus niet de eigenaar zijn geweest en kan het gaan om de edelsmid. Dit is de gebruikelijke uitleg, maar je zou hebben verwacht dat deze zijn handtekening aanvulde met een letter F, de afkorting van fecit, “hij heeft het gemaakt”.

Was Lunamis dan toch de eigenaar? Er is een tegenargument. Je zou dan namelijk hebben verwacht dat de man zijn naam op het voorwerp zou hebben aangebracht in een genitief, de naamval waarmee bezit wordt aangeduid. Zo was het althans in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling; uit latere tijden hebben we niet zoveel voorbeelden. Overigens geldt dit argument ook tegen de interpretatie dat de Zesde Stablesiaanse Garde de eigenaar was: ook die naam is niet in de genitief geschreven.

Kortom: we hebben geen idee wie de eigenaar was. Dat maakt de interpretatie weer lastig. Is hier een ruiter verdwaald en verdronken in het moeras? Ik herinner me hoe ik als kind een verhaal van Jaap ter Haar heb gelezen dat het zo presenteerde. Of bracht een soldaat, na te zijn gedemobiliseerd, in de Peel een wapenoffer? Ook dat kan waar zijn. Als we nou zouden weten wie de eigenaar was, kwamen we een stap verder: aannemend – aannemend! – dat je niet andermans spullen offert, duidt een helm die eigendom was van een legeronderdeel op toevallig verlies en dus een verdrinking. Een helm die persoonlijk bezit was, duidt mogelijk op een offer. Ik schrijf “mogelijk” want je kunt natuurlijk ook verdrinken met je persoonlijke bezit bij je.

Laten we afronden met iets dat we wel weten. De munten duiden op een datering rond 320. De gebruiker van de helm diende dus in de nabijheid van keizer Constantijn, wiens macht was gebaseerd op het leger van West-Europa. Je kunt je voorstellen dat de soldaat die deze pronkhelm heeft gedragen, heeft deelgenomen aan campagnes tegen de Franken (tot 314), aan de veldtocht tegen Constantijns rivaal Maxentius die culmineerde in de slag bij de Milvische Brug (312-313) en aan de eerste burgeroorlog tegen Licinius (316-317).

Het zevende deel van Roman Imperial Coinage, waarin alle munten van Constantijn staan beschreven, vermeldt waar de keizer in de genoemde jaren zoal is geweest: Arles, Trier, Lyon, Rome, Milaan, Verona, Sisak, Sremska MitrovicaSofia, Plovdiv, Thessaloniki. In al die steden kan de drager van de helm, die deze steden eveneens moet hebben bezocht, zijn Syrische kleding hebben gekocht, maar gegeven zijn plek aan het keizerlijk hof valt ook niet uit te sluiten dat hij op zeker moment een speciale missie heeft uitgevoerd in een stad als Antiochië.

Kortom, hier zit een roman in. Die ga ik niet schrijven. Ik noem dit voorwerp echter ook terloops in Het visioen van Constantijn, het boek dat ik maakte met Vincent Hunink en dat in april in de boekhandel ligt.

[Dit was de 258e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

32 gedachtes over “De Peelhelm

  1. Rob Duijf

    …aannemend – aannemend! – dat je niet andermans spullen offert,..

    Het zou kunnen zijn, dat de eigenaar van de helm dodelijk gewond raakte en op het slagveld zijn strijdmakker vroeg: ‘beste vriend, offer deze helm in het heilige moeras van mijn geboortegrond.’…

  2. Ton Spamer

    Er is de laatste jaren veel vergaderd en gepubliceerd over de Peelhelm. Er is in Meijel een congres geweest. (Daar claimen ze de helm, alhoewel die op Deurnes grondgebied werd gevonden). Hele sagen zijn er bedacht over roofmoorden en zo door iemand die zichzelf ‘visionair’ noemde. De nuchtere werkelijkheid heeft vastgesteld dat de veenlaag in het desbetreffende gebied in die periode niet dik genoeg was om er in te verdrinken.
    De helm was te kostbaar om die na eventueel verlies niet te gaan zoeken. Blijft over een offer.
    Dat past goed bij het feit dat niet ver er vandaan de Willibrordusput ligt, in 1326 door de hertog van Brabant als grenspunt gekwalificeerd. Grenspunten waren “van oudsher bekend”. De putten die aan Willibrordus werden toegeschreven zijn meer dan eens oude Keltische offerplaatsen en Keltische toponiemen zijn er in de directe omgeving genoeg. Maar interpretaties natuurlijk ook…

    1. “Blijft over een offer”

      Ik dacht het niet. Een offer kan niet verklaren waarom er een aantal gewone zaken van lage kwaliteit wel zijn aangetroffen maar een aantal zaken van hoge kwaliteit ontbreken. Er is gesuggereerd dat een soldaat zijn uitrusting offerde, maar buiten de helm mist een zwaard, pantser maar vooral de soldatenriem (cingulum militare) – een soldaat zou juist dit statussymbool offeren. Wel aangetroffen zijn onbeduidende zaken zoals tentpanelen en de schoenen van zeker drie (!) verschillende personen.

      Ik mijn opinie is deze ‘bonte verzameling’ veel beter te verklaren met een ongeval waarin de lastdieren van een cavalerie-eenheid in ongunstige omstandigheden (storm? nacht?) een deel van hun lading verloren. Bij zoekpogingen verloren verschillende soldaten een schoen in de zachte grond.
      Zoiets overkwam ook keizer Valentinianus I in c. 368, toen zijn culbicularius tijdens een hinderlaag door de Alamannen in het veen verdween, inclusief de helm van de keizer. (Ammianus Marcellinus; Rerum Gestarum libri qui supersunt, Liber XXVII.10.11:
      Per ignota itaque et palustres uligines devius tendens insidiatricis manus locatae per obliqua subito oppetisset adcursu, ni necessitatis adiumento postremo per labilem limum incitato iumento digressus, legionum se gremiis inmersisset post abruptum periculum, cui adeo proximus fuit, ut galeam eius cubicularius ferens auro lapillisque distinctam, cum ipso tegmine penitus interiret nec postea vivus reperiretur aut interfectus.)

      Ik prefereer deze mogelijkheid boven de afgezaagde ‘offerandes’ waar archeologen al een eeuw mee aankomen als ze een depotvondst doen die ze niet kunnen verklaren. 😉

      1. Robbert

        Beste Robert Vermaat,
        Mijn medische potjeslatijn helpt mij iets, maar te weinig bij uw citaat. Hoe luidt de vertaling?
        Met vriendelijke groeten, Robbert, HBS-B-er

        1. Ik ben Robert niet, maar geef toch even antwoord:

          Then, as he was making his way by devious paths over unknown places and marshy bogs, a band of the enemy placed in ambush in a hidden spot would have slain him by a sudden attack, had he not resorted to the last means of safety, put spurs to his horse, ridden away through the slippery mud, and taken refuge in the bosom of his legions after an imminent danger to which he was so very close that the chamberlain who carried the emperor’s helmet, adorned with gold and precious stones, completely disappeared together with the helmet itself, and could be found later neither alive nor dead.

          http://penelope.uchicago.edu/Thayer/E/Roman/Texts/Ammian/27*.html#10.11

          1. Robbert

            Hartelijk dank, een beeldende tekst.
            (Engels werd uitstekend onderwezen indertijd en ook Frans en Duits).
            In ’t vervolg zal ik eens neuzen op internet, wellicht met succes.

        2. Excuus.

          Hier te vinden in de landstaal: http://www.ammianus.info/

          Maar toen hij zo zijn weg zocht over ongebaand en drassig terrein dat hem onbekend was, zou hij onder de handen van een troep vijanden die in een hinderlaag gelegen was en plotseling opdook, de dood hebben gevonden als hij zich niet ternauwernood had kunnen redden door zijn paard de sporen te geven, over het glibberige, modderige terrein was ontkomen en zich tussen de legioenen in veiligheid had kunnen brengen. En hoe na hij de dood was geweest, bleek toen zijn cubicularius, die de keizerlijke, met goud en edelstenen versierde helm had gedragen, met helm en al spoorloos verdwenen was en ook later dood noch levend werd teruggevonden

      2. Ton Spamer

        Geen enkel bezwaar tegen een een ongeval. is inderdaad plausibeler. Maar Jona kan toelichten wat al die zwaarden deden in de Maas bij Lith. Ook een ongeval?

    1. Vermoedelijk waren de stiksels de belangrijkste aanwijzing. Tegenwoordig zouden ze ook pollenonderzoek kunnen doen naar de herkomst. Van de Lijkwade van Turijn is bijvoorbeeld zeker dat die in een Mediterraan klimaat is geweest. (Wat in Turijn natuurlijk te verwachten viel.)

  3. “Net als moderne helmen bestaat de Peelhelm uit een binnen- en een buitenhelm. ”

    Sorry Jona maar dat is een incorrecte beschrijving. Modernen helmen hebben inderdaad een dubbele constructie, meestal een dunnere kunststof binnenhelm met de eigenlijke metalen helm eroverheen. Maar de jongste kunststof helmen hebben dat zelfs niet meer dacht ik.

    De Romeinse helm die in De Peel gevonden werd is van een geheel andere constructie. De ‘binnenhelm’ zo je wilt is een muts van dikke vilt. Die vangt (net als de moderne versie) de klappen op, en is op maat gesneden. Er zijn ‘haren’ in de helm gevonden en men denkt nu dat dit viltrestanten zouden kunnen zijn geweest.
    De helm zelf is van ijzer, opgebouwd uit een aantal helmdelen die aan elkaar vastgemaakt werden met klinknageltjes. Elk deel van die helm is bedekt met een flinterdun laagje verguld zilver – inclusief de klinknagels. Het is dit deel van de helm, dat op het ijzer ‘gelijmd’ werd, dat in De Peel gevonden werd. Geen ‘buitenhelm’ dus, maar het restant van de decoratie (die, als ik het goed heb, ook werd aangebracht tegen oxidatie).

    1. klaas hielkema

      O, dat maakt nogal een verschil. In het oorspronkelijke bericht staat “verguld zilver”. Dat maakt het ook tot een buitengewoon uitzonderlijk en kostbaar voorwerp. U schrijft “ijzer met een flinterdun laagje verguld zilver”. Een gebruiksvoorwerp dus, geen sierhelm. Wel heel bijzonder, maar geen buitengewoon staaltje van edelsmeedkunst.

    2. klaas hielkema

      Als het “een flinterdun laagje” was, hoe kan er dan “een pond en anderhalf ons” zilver in verwerkt zijn… Ik ben nu de draad kwijt, helaas. Er zal toch geen flinterdun laagje verguld zilver in Leiden liggen?

      1. Beste Klaas,
        Ik heb geen idee wat er precies in Leiden ligt. Ik neem aan dat er een soort laag bestaat die niet alleen edelmetaal bevat, en ik weet dat een moderne edelsmid betrokken is geweest bij de renovatie van de helm. dat was in 1910, dus misschien is er wel aan toegevoegd? Men had geen idee van laat-Romeinse helmen (tot in de jaren 60 golden ze nog als ‘paradehelmen’) of van laat-Romeinse eenheden (mijn reden om tegen een vervalsing te stemmen).
        Of het gewicht inderdaad hetzelfde is als de claim die in de inscriptie vermeld staat of dat deze ‘pond en anderhalf ons’ direct vertaald kunnen worden naar ‘650 gram’ (ook niet heel veel) weet ik helaas ook niet.

        Ik weet alleen dat ze de linker wangklep nooit hebben gevonden, en dat van bijna alle Romeinse helmen uit deze periode de metalen delen bedekt of omhuld zijn geweest met een minimum van deze legering. Dat gaat op voor de zeer rijk versierde helmen zoals deze, maar ook de ‘gewone’ helmen die voor het gewone voetvolk bestemd waren. Het gewicht was uiterst precies en de smid diende zeer strikt binnen de marges te blijven. Deze barbaracarii (sp.) waren ‘halfvrij’, geen slaven maar ook niet vrij om een ander beroep te kiezen, en daarom als specialist aan te merken. het oorspronkelijk gewicht aan edelmetaal zal dus zeker op de helm hebben gezeten.

        1. Ik krijg toch het idee dat die laat-Romeinse eenheden anno 1910/1911 wel degelijk bekend waren. Men wist natuurlijk minder dan nu, en had zeker minder overzicht, maar dat men bijvoorbeeld de Notitia Dignitatum kende, blijkt wel uit het RMO-verslag van april/mei 1911. Er even vanuit gaande dat Theelen dat allemaal netjes heeft overgetypt, lezen we daar:

          “Als tweede inscriptie op onze helm zagen wij rechts op de helmrand die van Stablesia VI. Zij duidt een afdeling aan der equites Stablesiani, een ruiter-korps, dat zoals uit de Notitia Dignitatum blijkt, tijdens het latere Romeinse keizerrijk in verscheidene provincies verspreid lag. Etc.” (p. 42 van de PDF). Met als conclusie dat blijkens de inscriptie de Stablesiani dus ook in Nederland zijn geweest.

        2. klaas hielkema

          Dank je zeer, Robert. Heel verhelderend. Dus zeker geen sier helm van verguld zilver, maar een gebruikshelm met effectieve anti corrosie laag.
          Dat betekent wel dat er in Leiden iets van die oorspronkelijke binnenlaag moet zijn. Een flinterdunne anti corrosie coating alleen kan het niet zijn. Dat zou men bij het MvO toch moeten weten.

  4. De Equites Stablesiani zijn ook interessant. Ze worden genoemd in de Notitia Dignitatum, vijftien eenheden in totaal, maar niemand schijnt te weten waar de naam op slaat. De eenheid STABLESIA VI – zie de inscriptie op de helm – staat overigens niet tussen de vijftien bekende eenheden. Kennelijk zijn er ook complotdenkers die menen dat de inscriptie na de vondst in 1910 is toegevoegd.

    En wat te denken van de naam Marcus Titus Lunamis? Een dubbele voornaam? Titus als familienaam? En wat betekent Lunamis? Vragen, vragen.

    1. Theo Joppe

      Ad fontes! Heb ik altijd geleerd. De officiële beschrijving van de helm door het RMO (Oudheidkundige Mededelingen van het RMO 5 (Nijhoff 1911)) is op dit pdf te vinden vanaf pdf-p. 33:

      http://www.theelen.info/%5B20160117%5D%20dossier%20Peelhelm.pdf

      Daar wordt de inscriptie zo getranscribeerd:

      ? TIT VA_ON VRS LIBRI – [pondteken]

      Het is duidelijk dat vanaf Libri het gewicht wordt aangegeven. De beschrijver (en zijn externe correspondent) suggereren op p. 41:

      TIT VALON VRS

      Dat ziet er meteen weer een stuk vertrouwder uit! Geen Lunamis te bekennen. Je zou zelfs kunnen denken dat de bezitter gewoon “Titus Vallonius Ursus” heette. Overigens stelt het rapport dat het hier een complete uitrusting betreft — dat maakt een ongelukje in het veen toch wel wat waarschijnlijker, lijkt me.

      1. Theo Joppe

        Mijn transcriptie klopt helaas niet helemaal — de ‘vishaken’ in de transcripties zijn niet doorgekomen. Maar het is na te kijken in het pdf.

      2. Theo Joppe

        Voor de volledigheid: de voorgestelde transcriptie van de originele beschrijving is

        (M?) TIT(II) VAL(L)ON(II) VRS(I)

          1. Theo Joppe

            Natuurlijk, maar “Lunamis”?? Dat slaat nergens op en kan niet kloppen (en de zeer gewaardeerde Messalla snapt er ook niets van). En zo dom waren ze in 1911 ook niet hoor — vaak nog een stuk erudieter dan nu wat tekstconstitutie betreft. Maar goed, er is natuurlijk geen enkele reden om een prima Romeinse soldatennaam (Ursus! en nog wel een genitivus!) te vervangen door iets onbegrijpelijks.

          2. Jona, voor zover ik dat stuk uit 1911 gelezen heb, waar moeilijk doorheen te komen is, wordt ook geen antwoord gegeven op de vraag waar de benaming van de Equites stablesiani vandaan komt, hetgeen Messalla zich hierboven ook afvraagt.
            Ik las een verklaring, die ik geef voor wat ze waard is. De Romeinen waren gemiddeld een stuk kleiner dan de Germanen of de Galliërs. Daardoor zouden ze zich minder vertrouwd voelen met het berijden van grotere paarden en dus minder goede ruiters zijn. Dat heb ik op een paar websites gevonden die mij niet helemaal vertrouwen inboezemen en waarnaar ik dan ook niet verwijs. Toch zijn er twee hypothesen die ook dezelfde kant uitgaan.
            Stalknechten/ rijknechten van Germaanse, Gallische of Iberische komaf zouden vanaf Gallienus zijn toegevoegd aan de elitetroepen die de keizer begeleidden en later ook door Constantijn zijn gebruikt als cavalerie-elitetroepen en bodyguards.

            Op de Engelse Wikipedia (https://www.wikiwand.com/en/Equites_Stablesiani ) las ik ook
            toch ook iets dergelijks. De hypothesen van Hoffmann en Speidel wijzen in dezelfde richting. Het woord stablesianus zou stalknecht/ paardenverzorger/ rijknecht betekenen, hetgeen m.i. niet direct inhoudt dat het dan om superieure ruiters zou gaan. Tevens trof ik het woord als zodanig niet aan in de Lewis en Short op de website van Perseus.

            Wat het aantal eenheden van equites stablesiani betreft, worden er in de Notitio dignitatum 15 vermeld terwijl er tussen de laat 3de eeuw en vroege 6de eeuw 20 geweest zouden zijn. De rest zou epigrafisch zijn vastgelegd waaronder wellicht ook dat STABLESIA VI wat op de Peelhelm staat.

            Over ditzelfde onderwerp een uitgebreid en interessant artikel (als PDF gratis te downloaden):
            https://www.wikiwand.com/en/Equites_Stablesiani

      3. Dank Theo, heel interessant. Die meneer Theelen had ik ook gevonden. Kennelijk exploiteert hij meerdere websites. Ik kan zijn ‘credentials’ moeilijk beoordelen, maar hij is dus ook degene die beweert dat de inscriptie STABLESIA VI later is toegevoegd. In dit stuk (http://www.constantinus.nl/Power%20and%20Glory/%5B20170924%5D%20J.H.%20Holwerda.pdf) neemt hij Jan Hendrik Holwerda op de korrel, destijds conservator en onderdirecteur van het RMO (zijn vader Holwerda sr. was toen directeur). Theelen betoogt in feite drie dingen: Holwerda jr. heeft de inscriptie van de ruitereenheid vervalst, er was sprake van nepotisme bij het RMO en Holwerda sr. heeft zijn zoon bij diens proefschrift op ongeoorloofde wijze geholpen. Een zesde afdeling van de Equites Stablesiani zou nooit bestaan hebben.

        Ik moet zeggen: ik kan dit allemaal niet goed beoordelen. Ik heb geen idee wie meneer Theelen is, over welke expertise hij beschikt (op het door hem opgegeven adres zit Theelen Beleggingen B.V.) en in hoeverre zijn ideeën door anderen gedeeld worden (hij lijkt een eenling te zijn). Wellicht kunnen Jona of Robert Vermaat hier nog iets over zeggen. Meneer Theelen mist in elk geval de gave zijn ‘naspeuringen’ op een publieksvriendelijke, overzichtelijke wijze te presenteren. Ik had bij zijn persoonlijke website waarschijnlijk dezelfde ervaring als Roger hieronder. Er is moeilijk doorheen te komen.

        Maar even los van de echtheid van het STABLESIA VI en de handel en wandel van Holwerda jr., wat in 1911 werd geschreven over de inscriptie met de naam van de drager of maker is wel buitengewoon intrigerend. Het RMO, dat in 2011 een tentoonstelling aan de helm wijdde, heeft een plaatje op zijn website van een telegram dat in juni 1910 naar het museum werd gestuurd (zie http://www.rmo.nl/tentoonstellingen/archief/de-gouden-peelhelm/een-telegram-en-een-tekening). Dat telegram was afkomstig van ene A.F. van Beurden, aangeduid als ‘amateur-archeoloog’. Op het tweede plaatje zie je dat Van Beurden ook heeft geprobeerd de inscriptie na te tekenen. Erg veel chocola is daar niet van te maken, en zeker geen Lunamis. Van Beurden geeft ook geen aanwijzing dat hij de inscriptie STABLESIA VI heeft gezien, maar dat kan hij gewoon gemist hebben natuurlijk (hij was tenslotte amateur). In de Oudheidkundige Mededeelingen van april/mei 1911 wordt het STABLESIA VI dan weer wel genoemd, en wordt dus zijdens de Berlijnse professor Bohn de suggestie gedaan dat er (M?) TIT(II) VAL(L)ON(II) VRS(I) kan hebben gestaan.

        Wederom kan ik dit allemaal nauwelijks beoordelen. Wat ontbreekt is de uitleg waarom het RMO van de suggestie van professor Bohn is afgestapt en waarom het de switch naar de curieuze naam Marcus Titus Lunamis heeft gemaakt. Met die naam Lunamis kunnen we echt niets. Google op Lunamis en je vindt voornamelijk kralenpatronen en hengels… Dunamis/dynamis is tenminste een (Grieks) woord, maar dat staat er dan kennelijk niet. Maar hoe weten we dat eigenlijk? Ik kan eigenlijk geen goede foto’s van de inscriptie(s) vinden. De beste – die ook niet van briljante kwaliteit zijn – staan dan weer bij meneer Theelen. Zo blijven we dan weer met een hoop vragen zitten.

        1. Theo Joppe

          Messalla, ik verbaasde me er ook al over dat er nauwelijks afbeeldingen zijn van de inscripties; zeker bij zo’n topstuk. Maar benieuwd waar het RMO mee komt!

          Tja, dat STABLESIA. Volgens mij zie je hier al mooi de overgang naar de Romaanse talen (stable!), want wij zouden braaf “stabulensia” (o.i.d.) leren. Het is echt een gok, want we weten meer niet dan wel over de competenties binnen het latere Romeinse leger: maar zouden dit geen ruitertroepen kunnen zijn onder het direct bevel van de “comes stabuli”, dus rechtstreeks ressorterend onder het keizerlijk hof? Je leest hier en daar dat die functie meer ging over de logistiek, maar het was bijvoorbeeld één van de eerste hoge functies die Stilicho bekleedde; dus, weliswaar een tijd later, moet het toch wel een belangrijke post zijn geweest. Enfin, het is natuurlijk speculatie.

        2. Ik heb het artikel van Theelen gelezen en mijn eigen conclusie is dat er, ondanks allerlei verdachtmakingen, volgens mij geen enkele reden gepresenteerd is waarom deze vervalsing eigenlijk plaats heeft moeten vinden (motief). Los daarvan heb ik ook geen harde bewijzen gevonden dát zo’n vervalsing heeft plaatsgevonden, omdat de aangevoerde redenen dit aan te (moeten) nemen geen steek houden (bewijs).
          Blijft een voor mij onduidelijke aanklacht tegen reeds lang overleden personen, die ik verder niet interessant vind. En daarnaast de ergernis over de zoveelste afleiding van het onderwerp (de helm) middels een stuk platte sensatie die te veel aandacht krijgt.

          1. Dank, dat is een heldere conclusie. Wat mij betreft hoeft het RMO ook niet op de beschuldigingen van meneer Theelen richting Holwerda te reageren. Veel interessanter is de vraag hoe het museum tot de conclusie is gekomen dat de inscriptie, die door professor Bohn als (M?) TIT(II) VAL(L)ON(II) VRS(I) werd geïnterpreteerd, als Marcus Titus Lunamis gelezen dient te worden. Ik hoop dat het RMO daar nog op in wil gaan. Natuurlijk zeg ik niet dat die huidige interpretatie verkeerd is, wel dat ik de juistheid niet zelf kan beoordelen, omdat er – helaas – geen goede foto’s van de inscripties zijn. En het argument “ja, maar dat was 1911” vind ik echt te simpel.

Reacties zijn gesloten.