Aristoteles over de E.U.-grondwet (3)

De “Ludovisi Aristoteles” (Museo Altemps, Rome)

[Dit is de tekst van een artikel dat ik, onmiddellijk na de afwijzing van de EU-grondwet in een referendum in 2005, schreef voor Frontaal Naakt. Het lijkt me onverminderd actueel. Het eerste deel is hier.]

Pathos

‘Pathos’ wil zeggen dat je een beroep doet op gevoelens die leven bij het publiek: zet ze aan tot medelijden of woede, geef ze zelfvertrouwen of jaag ze angst aan. En dat laatste, dat heeft de Nederlandse kiezer in de aanloop naar de stemming over de EU-grondwet in 2005 geweten. Minister Donner waarschuwde voor oorlog, minister Brinkhorst stelde een economische crisis in het vooruitzicht, premier Balkenende sprak over Auschwitz en de VVD had een televisiespotje waarin was te zien hoe de treinen naar de gaskamers vertrokken.

Die dreigementen sloegen als een boemerang terug op de sprekers. De kiezers weigerden zich angst te laten aanpraten. Bij verwerping van de grondwet bleef immers het Verdrag van Nice van kracht. We hadden in 2005 geen oorlog, de Europese economie verkeerde niet in een acute crisis en we vergasten geen joden. Europa kon echt wel even vooruit met het Verdrag van Nice. (De ironie was overigens dat het feit dat de kiezers zich geen angst meer lieten aanjagen bewees hoe succesvol de Europese integratie tot dan toe was geweest.)

Op één punt raakten de voorstanders van de grondwet de emoties van het publiek wél. De ene minister was ongelukkig met het referendum omdat het publiek niet zou begrijpen waar het om ging; een ander vond de nee-stemmers het niet snapten en beter thuis konden blijven; een derde liet zich nog minder diplomatiek uit. Met zulke opmerkingen appelleerden ze wel aan de gevoelens van je kiezers, want door aan hun verstandelijke vermogens te twijfelen of ze af te serveren als cynici, maakten ze die heel kwaad. Wie een communicatiestrategie op pathos baseert, moet verrekte goed weten welk type emotie hij wil bespelen en het heeft er de schijn van dat de diverse sprekers zich destijds onvoldoende realiseerden dat beledigingen nogal contraproductief werken. Of, om het minder deftig te zeggen: ze hadden een bord voor de kop. En zo komen we bij ethos: is de boodschapper geloofwaardig?

[wordt vervolgd]