De affaire-Golb (1)

4QTestimonia (Jordan Museum, Amman)

Von Guttenberg, nóg vijf Duitsers, Philippe Guggler, Diederik Stapel, Roos Vonk, Don Poldermans… het lijstje academische fraudeurs van 2011 is ontluisterend lang. Het betreft echter alleen Europese gevallen. Ik rakel een recente kwestie op uit de Verenigde Staten: de affaire-Golb.

Deze rel, waarvan de hoofdpersoon inmiddels in de gevangenis zit, is interessant omdat ze de oudheidkunde betreft, de meest  irrelevante discipline ter wereld. Dat betekent dat áls er iets verkeerd gaat, het alleen kan liggen aan de wetenschappers zelf. Ze kunnen niet, zoals klimaatwetenschappers, farmacologen en economen, verwijzen naar politieke of commerciële druk. De affaire duidt op interne academische rot.

***

Begin oktober 2010 deed een Amerikaanse jury uitspraak in een rechtszaak die was aangespannen tegen een zekere Raphael Golb, de zoon van een beroemde Dode Zee-rollenspecialist, Norman Golb. Zoonlief werd schuldig bevonden van onder meer “identity theft, criminal impersonation, forgery, harassment, and unauthorized use of a computer”. De straf werd 18 november bekendgemaakt: zes maanden gevangenis.

De kwestie is nogal complex. Om haar te begrijpen moeten we terug naar de late jaren veertig, toen de Dode Zee-rollen werden ontdekt. Het gaat om tienduizenden snippers perkament die behoorden tot een kleine zeshonderd boekrollen. Om het materiaal uit te geven werd een internationaal team samengesteld, waarbij werd uitgegaan van een gebruikelijke overeenkomst: de universiteiten betaalden de onderzoekers en kregen in ruil het copyright op de uitgave. Ondertussen lag het materiaal onder embargo. Het onderzoek vorderde gestaag, maar niet snel genoeg volgens degenen die niet tot het geprivilegieerde onderzoeksteam behoorden. Al gauw circuleerden de wildste geruchten. De protesten werden intensiever en in de jaren negentig werd het embargo opgeheven.

Eén van de belangrijkste conclusies van het onderzoek was, op dat moment, dat het jodendom in de tijd dat de Tempel in Jeruzalem er nog stond, extreem complex was. Niet iedereen was blij met die conclusie. Voordien bestond het beeld dat er een eenvoudige continuïteit was van het Tempeljodendom naar het rabbijnse jodendom. Twintigste-eeuwse joden meenden dat het christendom een voor hen verwaarloosbare zijtak was, terwijl christenen vonden dat Jezus zó’n totale vernieuwing had gebracht, dat het jodendom voor moderne christenen irrelevant was. Beide standpunten waren na de ontdekking van de pluriformiteit van het Tempeljodendom niet meer zo vanzelfsprekend. De banden tussen de twee religies waren niet langer verwaarloosbaar.

Relevant is hier ook de relatie tot het zionisme: als het rabbijnse jodendom niet zonder meer het Tempeljodendom als voorland mag claimen, is de Israëlische claim op Palestina minder goed gefundeerd. (Voor alle duidelijkheid: er hebben altijd Joden in het gebied geleefd en er zijn dus ook andere soorten claims mogelijk.)

Geleerden die wezen op de problematische continuïteit, kregen meer dan eens het verwijt antisemitisch bezig te zijn – een verwijt dat niet per se onterecht hoefde te zijn, maar wat sleets begon te klinken. Zo bestond er al een zekere frustratie en was het moddergooien al begonnen toen Norman Golb in 1995 zijn boek Who Wrote the Dead Sea Scrolls? publiceerde.

[wordt vervolgd]