Klassieke literatuur (3b): Griekse poëzie

Pindaros
Pindaros

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet.

Nadat ik heldendicht en leerdicht had behandeld, was ik begonnen met de resterende poëzie. Sapfo was aan de orde gekomen en vandaag begin ik met de rest.]

Het uitstel sinds de vorige aflevering heeft een reden. Ik moet nu gaan schrijven over een onderwerp dat me niet goed ligt. Een mens heeft nu eenmaal zo zijn voorkeuren. Zoals ik geen echte “klik” heb met opera, profsport, gastronomie en TV, zo heb ik ook geen speciale band met Griekse en Latijnse poëzie. Niet omdat ik er tegen ben natuurlijk. De keren dat ik naar de opera ging, heb ik ervan genoten; ik weet wel ongeveer hoe Ajax het doet; ik waardeer het als iemand lekker kookt; ik heb geboeid gekeken naar Breaking Bad. Op soortgelijke wijze zie ik wel dat Griekse en Latijnse poëzie mooi is, maar het trekt me minder dan proza.

Zoiets dwingt je na te denken over je smaakcriteria en ik beken dat ik er, hoewel ik de afgelopen weken verschillende opzetjes voor dit stukje heb geschreven, niet echt uit ben gekomen. Ik geef daarom een overzicht van enkele dichters die vaak worden geciteerd – en dat moet het dan maar even zijn.

In de eerste plaats moet ik dan enkele tijdgenoten van Sapfo noemen, maar het probleem met hen is dat ze al even fragmentarisch zijn overgeleverd als hun collega. We moeten wachten tot Pindaros tot we een dichter vinden van wie we echt substantieel veel materiaal hebben.

In de eerste plaats is daar Archilochos, die van vrij veel poëtische markten thuis lijkt te zijn geweest en af en toe intens gemeen kon zijn. Bijvoorbeeld voor de familie van een zekere Lykambes, die nogal wat beschimpingen te verduren kreeg. Een wat langer fragment beschrijft hoe de dichter een erotische ontmoeting heeft met een van Lykambes’ ongetrouwde dochters, wat destijds als schandalig gold. Volgens de traditie kon de familie de oneer niet aan en pleegde ze zelfmoord.

Nog meer scheldpartijen vinden we bij Hipponax, van wie de onsterfelijke regel is dat een man maar twee keer gelukkig is met een vrouw: als hij haar trouwt en als hij haar begraaft. De vrouwenhaat is beslist niet zonder parallel in de antieke literatuur en hier kan ik uitleggen waarom het me niks doet. Ik begrijp weliswaar dat ook schelden een kunst kan zijn maar ik zie er de lol niet van. Ik zie dan weer wel wat lol in de roman die Jan van Aken schreef over de schelddichter, Koning voor een dag.

Veel boeiender dan Hipponax vond ik de gedichtjes die zijn overgeleverd op naam van Theognis, een norse aristocraat uit Megara, die er maar niks aan vond dat zijn stad in handen was van “slechte mensen”. Daarmee bedoelde hij de nouveaux riches van zijn tijd, de zesde eeuw. Niet alle op zijn naam overgeleverde gedichten zijn van Theognis, zelf maar het materiaal is interessant, al was het maar omdat de weerzin tegen nieuwkomers van alle tijden is.

Pindaros schreef overwinningsliederen. Stel, u had de hardlooprace gewonnen bij een van de grote Griekse spelen – dat moest de wereld natuurlijk wel weten. Op de huldiging liet u zich dan toezingen met een ode, die Pindaros dan voor u had geschreven. In het nummer dat uw favoriete oudheidkundige tijdschrift (neem een abonnement!) onlangs aan de Griekse atletische festivals wijdde, was een artikel over Pindaros dat ik zelf met plezier heb gelezen.

We slaan even wat tijd over en komen aan bij Kallimachos, die u moet plaatsen in de eerste helft van de derde eeuw. Een selectie van zijn poëzie is vertaald door Annette Harder onder de titel Geen gezang vol gedreun (2000): en dat geeft precies aan wat de opzet was. Kallimachos was een geleerd man, werkte in de Bibliotheek van Alexandrië, kende de traditionele poëzie als geen ander, zocht iets originelers en schiep iets wat je “geleerdenpoëzie” kunt noemen, vol reflectie op het dichterschap zélf. In zijn Hymne aan Zeus merkt hij ergens op dat de geleerden het niet eens zijn over de vraag waar Zeus was geboren: er was een obscure traditie die de gebeurtenis plaatste op de Peloponnesos en een algemeen bekende overlevering dat Zeus ter wereld was gekomen op het eiland Kreta. Uiteindelijk kiest Kallimachos dan voor het eerste want “alle Kretenzers zijn leugenaars”. Het mag dan geen gezang zijn vol gedreun, het is wel een gezang vol vertoon van belezenheid.

Hij zocht de polemiek en hekelde vooral de poëzie van zijn tijdgenoot Apollonios, die een heldendicht over de Argonauten schreef dat ik al eerder noemde. Volgens Kallimachos was het epos van Apollonios het beste te vergelijken met een trage, breed stromende (en dus modderige) rivier, terwijl zijn eigen poëzie was als een beker met fris water. De populariteit van het Argonautenverhaal leed er niet onder.

Ik schakel in het volgende stukje over naar de Romeinen, maar niet na een excuus. Alle Griekse poëzie die ik in de afgelopen stukjes heb behandeld, is geschreven tussen pakweg 750 en 250 v.Chr. De Oudheid zou daarna nog een eeuw of acht, negen duren. Ik ken de toen geschreven Griekse poëzie echter nauwelijks en ik kan me er weliswaar achter verschuilen dat classici er traditioneel ook niet veel mee doen, maar dat is natuurlijk geen excuus: een mens mag dan zo zijn voorkeuren hebben, een oudheidkundige dient wél zijn vak te beheersen. Vandaag was ik merkbaar op een deelgebied waar ik me niet op mijn gemak voel.

[Wordt vervolgd]

8 gedachtes over “Klassieke literatuur (3b): Griekse poëzie

  1. Gert M. Knepper

    ‘ Mijn slapen zijn al grijs
    mijn hoofd al wit –
    mijn dierbare jeugd: voorbij;
    mijn tanden worden oud…
    Veel tijd voor het lieve leven
    rest mij niet meer.
    Daarom klaag ik dus,
    bang voor de Onderwereld.
    Want de diepe Hades is vreselijk,
    en de weg er naartoe is moeizaam:
    wie is afgedaald keert nooit weerom.’

    Mooi toch? Van Anakreon (ca. 500 vC), die nog veel meer moois heeft gemaakt.

    1. Knotwilg

      Mij bevalt het niet. Het gewichtig onderwerp smoort het vermoeden van banaliteit. Het gedicht gebruikt louter het mechanisme van herkenning. Nergens een verrassing, een persoonlijk aspect of een sublimering.

      1. Gert M. Knepper

        Ik begrijp je kritiek – maar je legt wel typisch hedendaagse maatstaven aan. Originaliteit was wel het laatste wat een klassiek auteur nastreefde. In de Oudheid werd juist dit gedicht bijzonder gewaardeerd. Maar in een vertaling gaat er uiteraard heel wat verloren; het “hupse ” metrum bijvoorbeeld.

  2. Gherardus Havingha

    ‘ “alle Kretenzers zijn leugenaars” ‘
    Huh, er was toch tenminste één Kretenzer die géén leugenaar was?
    (zijn broer was er wel weer eentje…) 😉

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s