Meer NWA: tunnels bij de piramiden

De piramide van Cheops
De piramide van Cheops

Ik vertelde gisteren dat de oudheidkundige disciplines te maken hebben met een gierend gebrek aan data en dat er door de empirische zwakte nogal wat subjectiviteit is geslopen in de verbanden tussen die data. Die verbanden laten zich, door datzelfde datagebrek, moeilijk weerleggen en zo zitten we opgezadeld met enkele achterhaalde negentiende-eeuwse sjablonen (superieur Europa versus inferieur Azië, humanisme versus religie, imperium versus barbaren) en met enkele begrippen die ook al niet passen bij de antieke verhoudingen. Ik noemde het koningschap, steden en de staat.

Het dringt niet echt door dat die sjabloons achterhaald en die begrippen geproblematiseerd zijn, zodat de oudheidkunde blijft worstelen met de negentiende eeuw. Dat geldt voor de wetenschappers zélf, die al een halve eeuw streven naar interdisciplinariteit maar er almaar niet in slagen de historisch gegroeide grenzen van hun vakgebieden te slechten, en dat geldt voor het grote publiek. Dat merken we bij deze nagekomen vraag uit de Nationale Wetenschapsagenda (NWA):

Ligt er een tunnelsysteem onder de piramiden van Gizeh?

Antwoord: nee.

Dat is zo’n negentiende-eeuwse mythe. Eigenlijk is ’ie nog ouder: West-Europese geleerden hebben altijd gedacht dat de oude Egyptenaren hen waren voorgegaan in de queeste naar wijsheid – een idee dat weer afkomstig is van Griekse filosofen als Plato – en hebben daarom gemeend dat de piramiden verborgen inzichten moesten bevatten. En laten we eerlijk zijn: die enorme, door mensen vervaardigde bergen zijn indrukwekkend genoeg om te vermoeden dat ze méér moeten zijn dan het graf van een koning.

Dat vermoeden hadden in elk geval de eerste professionele egyptologen nog, zoals de onderzoekers die behoorden bij de expeditie van Napoleon. Niet dat het geen echte geleerden waren, maar het waren kinderen van hun tijd, met alle vooroordelen van dien. Bijvoorbeeld over de aard van het koningschap. Een zelfbewust, verlicht volk zou rond 1800 niet op het idee zijn gekomen zo’n enorme inspanning te leveren voor het graf van één mens – en dus moesten de piramides méér zijn dan vorstengraven.

Wat de egyptologen op dat moment nog moesten ontdekken, was de religieuze kant van het koningschap in het Egyptische Oude Rijk. (En dat is waarom ik gisteren wees op het problematische van het begrip “koning”.) De bevolking van het land van de Nijl wist dat de kosmos geordend bleef doordat allerlei rituelen plaatsvonden waarin de farao een rol speelde en daarom was het voor de mensen toen wat minder vreemd dan voor ons om de heerser na het einde van zijn aardse bestaan te helpen bij zijn apotheose, zodat hij verder kon gaan met het steunen van de mensheid. (Ik wilde schrijven dat de Egyptenaren iets “bovennatuurlijks” toeschreven aan het koningschap, maar het onderscheid tussen natuurlijk en bovennatuurlijk is misschien wel het meest misleidende negentiende-eeuws sjabloon.)

Terug naar 1800: de eerste egyptologen waren er dus van overtuigd dat er iets bijzonders moest zijn en omdat de piramiden zelf niets opleverden, zelfs geen geschreven tekst, werd het raadsel alleen maar groter. En zo werd de sfinx een mysterie. (Ik herinner me dat ik als kind een boek had met een prachtige tekening van de kamers die zich zouden bevinden in de sfinx. De auteur schreef erbij dat het fantasie was, wat ik destijds erg jammer vond.) Toen ook de sfinx geen geheimen bleek te hebben om prijs te geven, kwamen er theorieën over ondergrondse kanalen. Als er boven de grond niets was, moest het onder de grond zijn.

Maar er zijn geen tunnels en geen ondergrondse kanalen. Dat is vastgesteld met georadar, d.w.z. elektromagnetische apparatuur waarmee je holtes in de bodem kunt opsporen. Er is daarover geen enkele discussie. Het echte mysterie is, denk ik, dat we zo graag willen dat er een mysterie is, terwijl de wetenschappelijke puzzels minstens net zo fascinerend zijn.

[Met dank aan Olaf Kaper, die me bevestigde dat er echt niets, helemaal niets, aan tunnels is te vinden bij Gizeh.]

5 gedachtes over “Meer NWA: tunnels bij de piramiden

    1. Wij trekken een grens tussen natuurlijk en bovennatuurlijk. De impliciete norm is dat sommige dingen kunnen omdat ze gebeuren volgens de natuurwetten en andere dingen niet. Als we horen over dingen die niet kunnen, zoals een wonderdoener die water in wijn verandert, dan noemen we dat óf vierkant onmogelijk óf schrijven zoiets toe aan het bovennatuurlijke.

      Dat onderscheid kenden ze niet in de Oudheid. De natuurwetten zijn een zeventiende-eeuwse vondst en werden pas onderdeel van het collectieve bewustzijn in de negentiende eeuw. Ons onderscheid tussen “dat kan wel” en “dat kan niet” was domweg niet bekend.

      Waar wij in een koning dus een mens zien met een ongebruikelijke taak en verantwoordelijkheid, zag een Egyptenaar een wezen dat de orde in de kosmos bewaarde. Wij zouden zoiets óf onmogelijk vinden óf rekenen tot het bovennatuurlijke.

      1. Ben Spaans

        Ah zo. Sacraal koningschap is overigens in Europa ook zeker niet onbekend. Na Constantijn was een directe vergoddelijking niet meer aan de orde, maar aan Europese vorsten kleefde toch nog een hoop magie en heiligheid aan. De kroningsceremonies met het gebruik van heilige olie voor zalving brengen een vorst in de sfeer van het goddelijke. Aan Franse en Engelse koningen werd via de ‘koninklijke aanraking’ een genezend vermogen voor een huidziekte toegeschreven.

        Overigens, er is ergens wel een grens aan in hoeverre je mee kan gaan met een cultuur die wonderen voor vanzelfsprekend houdt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s