
Deze reeks over de voor-westerse wereld heet zo omdat ze gaat over de tijd vóór het concept van “het westen” ontstond en omdat ze gaat over de diepere historische structuren en processen – zeg maar aan de omstandigheden die voorafgaan aan de keuzes waarmee individuen geschiedenis maken. Iets minder abstract: deze reeks gaat over een agrarische samenleving. En zoals u weet valt de landbouw uiteen in akkerbouw en veeteelt.
Toen ik onlangs een nog te plaatsen blogje over het jaarritme voorbereidde, realiseerde ik me dat ik het daarin vooral had over de akkerbouw. Herders kwamen alleen in het voor- en najaar aan de orde, als zij de kuddes verplaatsten van een akkerbouwersdorp naar een ongebruikt stuk land en weer terug. Over deze veetelers aan de rand van de samenleving valt wel iets te weten: hoewel het archeologisch bewijs indirect is (textiel, zuivel…), duiken herders regelmatig op in de geschreven bronnen. Naast deze vorm van gemengd bedrijf bestonden er echter ook pure veetelerssamenlevingen, de zogeheten “cattle cultures”, die we eigenlijk alleen kennen door etnografische parallellen.
Voordat ik de kenmerken schets, nog even een dubbele kanttekening. Eén: ook pure veetelerssamenlevingen, waarin het vee niet een aanvulling is op de akkerbouw, bestaan niet in isolement. De tweede, daaruit voortvloeiende kanttekening: moderne cattle cultures delen dus in allerlei aspecten van de moderne samenleving, zoals de mobiele telefoon, de pick-up en de AK-47. Desondanks is generalisering tussen nu en toen mogelijk.
Dieet
Een voor de hand liggend aspect is dat het dieet in een cattle culture vooral draait om zuivel, waarbij u mag denken aan al dan niet gefermenteerde melk, boter, yoghurt en kaas. Verder zijn er methoden om runderen te aderlaten, zodat hun bloed valt te drinken en het menselijk dieet voldoende ijzer bevat. Naast deze op het eigen vee gebaseerde voedselbronnen is er natuurlijk visserij en eet men ook wortels, peulvruchten en in het wild groeiend graan, zoals gierst.
Vlees staat vanzelfsprekend zelden op het menu, want je kunt alleen aan dit voedsel komen door een rund of schaap te doden, terwijl die dieren je bestaansbasis vormen. Je zet er de toekomst van je afstammelingen mee op het spel. Het is geen toeval dat Tantalos en Lykaon in de Griekse sagen bij wijze van vleesmaaltijd hun eigen kinderen serveren: er is immers niet zo gek veel verschil.
Iets minder schokkend zijn de overwinningsmaaltijden van geroosterd rund- en schaapsvlees die de Homerische helden aanrichten. Het gaat dan vermoedelijk om vlees dat is bemachtigd op een verslagen tegenstander. Door diens vee te doden, krijgt de vijand geen kans zich economisch te herstellen. Het roven van jonge vrouwen (eufemistisch aangeduid als “schaking”) gaat in één moeite door en heeft precies dezelfde functie.
Oorlog
En daarmee kom ik bij een vrij wezenlijk punt: de agressie in cattle cultures. Die is (a) kleinschalig, (b) altijd aanwezig en (c) heel logisch. De kuddes moeten worden verplaatst, kunnen bezwaarlijk permanent worden omheind en zijn dus behoorlijk kwetsbaar voor diefstal. De dief neemt weinig risico en kan enorme winst behalen. Veeroof is daardoor schering en inslag. We kennen dit verschijnsel dan ook uit de Griekse sagen, zoals in het verhaal over de veediefstal die Kastor en Polydeukes en hun neven uitvoerden in Arkadië, en de daarop volgende ruzie over de kostbare buit. De goden stonden niet boven veeroof: Hermes jatte de runderen van Apollo.
Omdat veediefstal zo makkelijk is, en omdat er geen staatsapparaat is, is de beste verdediging een geloofwaardige afschrikking. Men treedt agressief op na bijvoorbeeld een belediging, niet omdat men van nature agressief is, niet omdat men opvallend korte lontjes heeft en niet omdat men wreed is, maar omdat deze agressie de maatschappelijke orde schraagt. Omdat de eer opvallend snel in het geding komt, zijn er ook opvallend complexe erecodes.
Erecodes
Deze codes betreffen het hele leven, en dus ook de veediefstal. Die is vaak seizoensgebonden, moet plaatsvinden met traditionele wapens en mag liever niet leiden tot een onomkeerbare verstoring van de menselijke verhoudingen. (Austen Henry Layard vertelt ergens dat iemand die een dier stal, even later bij de bestolene op visite ging om te informeren naar de stamboom.) Er zijn zo allerlei regels die het geweld beperken: als oorlog onvermijdelijk is, wordt die uitgevochten door kampioenen en niet door de gehele gemeenschap (zie David en Goliath of de Horatii en Curatii). En die kampioenen kijken eerst of een gevecht wel mogelijk is, zoals wanneer Diomedes en Glaukos ontdekken dat hun grootouders ooit bij elkaar op visite zijn geweest, zodat er van een gevecht geen sprake kan zijn.
Cattle cultures lijken vooral iets van de Vroege IJzertijd. In de tijd van Homeros waren ze al verleden tijd; toen de Odyssee werd samengesteld, was akkerbouw allang de voornaamste bestaanswijze van de “broodetende mensheid”. Later vinden we ze echter nog bij de nomadische groepen in Centraal-Eurazië en de Sahara waarover ik al eerder blogde. Wie die gebieden beschouwt als perifeer, begaat een vergissing. In de eerste plaats omdat deze cattle cultures de Mediterrane en oud-oosterse wereld verbonden met China en subsaharaal Afrika, en in de tweede plaats omdat de erecodes uit de IJzertijd ook in het latere Griekenland, Rome en Perzië aanwezig zijn gebleven.
[Een overzicht van de blogjes in de reeks over de voor-westerse geschiedenis is hier.]
Zelfde tijdvak
De Proto-Indo-Europese samenleving: bezitjuli 4, 2024
De Ammonietenjanuari 10, 2024
Kybele in Anatoliëjuli 10, 2023

Het lijkt me sterk dat vlees zelden op het menu stond. Er worden om en nabij evenveel stiertjes als pinkjes (pink?) geboren, en evenveel rammetjes als ooitjes. Je hebt volwassen groepen van misschien 10 koeien en 1 stier, en 20 ooien en 1 ram, een aantal jaren dezelfde stier / ram. Dat geeft je zo’n 5 stiertjes per jaar per groep en 10 rammetjes per jaar per groep om op te eten.
Aan de goden offer je stieren en rammen: nooit koeien en ooien. Koeien en ooien zijn veel kostbaarder.
Eens, daar zat ik ook al aan te denken. Als er gasten komen worden er dieren geslacht – die zullen ze niet eerst buitgemaakt hebben.
Jona schreef ergens dat *peku vee in het proto-indo-europees ook iets als geld betekend.
Runderen hebben misschien meer prestige dan schapen, maar schapen zijn minstens even nuttig: melk, vlees en ook nog wol. De Yamnaya hielden in ieder geval schapen: zoals blijkt uit de genomics van de Europese schapenrassen. Net als voor mensen is er een Anatolisch genoom en een steppe genoom.
Zo moeilijk was die bron toch niet te vinden:
“Itaque Caesaris amici, me dico et Oppium, dirumparis licet, (in) monumentum illud quod tu tollere laudibus solebas, ut forum laxaremus et usque ad atrium libertatis explicaremus, contempsimus sexcenties HS; cum privatis non poterat transigi minore pecunia. efficiemus rem gloriosissimam; nam in campo Martio saepta tributis comitiis marmorea sumus et tecta facturi eaque cingemus excelsa porticu, ut mille passuum conficiatur. simul adiungetur huic operi villa etiam publica. dices ‘quid mihi hoc monumentum proderit?'”
“And so we friends of Caesar – myself and Oppius I mean, though you may explode with wrath at my confession – have thought nothing of spending half a million of money for that public work of which you used to speak so enthusiastically, the extension of the forum and continuation of it as far as the Hall of Liberty. We could not satisfy the private owners with less; but we will make it a most magnificent affair. In the Campus Martius we are going to make polling-barriers of marble for the tribal assemblies, roof them over, and surround them with a lofty colonnade a mile in circumference. And at the same time we shall join this to the Villa Publica. You will ask ‘What advantage shall I derive from the work?'”
Cicero, Ad Att. IV.16.9 of in andere indeling IV.17.7
Verkeerde blog?
Ligt hier dan de sleutel voor de transitie van een matriarchale naar een patriarchale maatschappij na het 4.2k-klimaatevent?
De Yamnaya’s migreerden gedwongen naar de Balkan. Ze waren resistenter tegen het pestvirus en vervingen zo snel de bestaande matriarchale (akkerbouw)-gemeenschappen met hun agressief-patriarchale (herder)-gemeenschappen.
Hiermee wordt de hypothese dat de uitvinding van het brons de motor is van toenemende agressie/patriarchaat toch wel genuanceerd.
Er is gewoon geen ‘matriarchale maatschappij’ geweest. Laat u niet misleiden door beelden van (grote) vrouwen dan wel mogelijke godinnen en dergelijke.
Het idee wil maar niet dood…
Het is ook niet helemaal onwaar. Het is niet zo dat archeologen ineens hebben ontdekt dat vrouwen de macht hadden, maar sinds het DNA-onderzoek er is, is wel duidelijk dat allerlei machtige mannen feitelijk machtige vrouwen waren: soms krijgers, soms vorsten. Dat nuanceert het beeld dat mannen “de” macht hadden. Die hadden ze, maar minder absoluut dan aangenomen.
Belangrijk is hier ook het groeiende bewijs voor samenlevingen waar mannen hun intrek namen bij de familie van hun vrouw. Dat plaatst de man in een zwakkere positie (zijn familie is ver weg) dan tot voor kort werd aangenomen; althans, er blijken inmiddels meer matrilocale samenlevingen te zijn geweest.
Zoals je zegt: het idee van matriarchale samenlevingen wil maar niet dood. Maar daaruit volgt niet (en dat beweer je ook niet) dat het patriarchaat zo absoluut was als ook wel wordt aangenomen.
Hatsjepsut
Koningin Artemisia
Kleopatra
Boudica
Keizerin Wu
Keizerin Irene
Koningin Margaretha van de Unie van Kalmar
Jeane D’Arc
Mary I
Elizabeth I
Keizerin Maria Theresia
Catharina II
Keizerin-Weduwe Tsjoe Tsi (vergeef me even geen Pinying)
Niemand gaat echt hard maken dat deze vrouwen optraden in ‘matriarchale’ samenlevingen.
Daar moeten we dus ook maar niet vanuit uitgaan bij mogelijk geïdentificeerde ‘machtige’ vrouwen uit het Neolithicum of de vroege Bronstijd e.d.
Ik heb ooit een inleidende module Culturele Antropologie (voor historici nog wel) gedaan. Matrilineaire afstammingssystemen zijn niet hetzelfde als een ‘matriarchaat’. Wel lijkt de positie van vrouwen bij matrilineaire organisatie beter te zijn. Maar het is zeker niet zo dat mannen daarin ‘ondergeschikt’ zijn.
“Later vinden we ze echter nog bij de nomadische groepen in Centraal-Eurazië en de Sahara”
Ik denk ook in de gebieden waar landbouw onzeker was, bijvoorbeeld in Schotland waar met vee hield dat nog eeuwen via speciale routes naar de bevolkingscentra werd gedreven. Ik heb ook van (Middeleeuws) Wales begrepen dat veehouderij veel belangrijker was dan landbouw?