Klassieke literatuur (11): briefliteratuur

Brief van een in Italië gestationeerde vlootsoldaat aan zijn familie in Filadelfia (Egypte). Let op de tekst in de marge: schrijfmateriaal was kostbaar. (Neues Museum, Berlijn)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek helaas niet. Vandaag behandel ik de briefliteratuur.]

Een brief was in de Oudheid nooit zomaar een brief. Je ziet het aan de aanhef van de oudste exemplaren, kleitabletten die beginnen met iets als “Tot de koning van X, spreek:”. Dat was de instructie die de briefschrijver bedoelde voor degene die het document zou voorlezen. In een tijd waarin vrijwel iedereen ongeletterd was, veronderstelde een brief dus niet alleen een afzender en een ontvanger, maar ook een voorlezer en een klerk. Die laatste was er zelfs als de afzender geletterd was. Iemand van stand bevuilde zich niet en liet het aan anderen over inktvingers te krijgen. Zelfs als het epistel was verzegeld, waren dus allerlei mensen van de inhoud op de hoogte. Alle reden om verzorgd te schrijven. Zo ontstond de briefliteratuur.

Zorgvuldigheid en fictie

Dat wil niet zeggen dat elke brief even informatief en zorgvuldig gecomponeerd was. Van de Romeinse senator Cicero, van wie veel correspondentie is overgeleverd, zijn briefjes bekend waarvan de strekking is dat er weinig valt te melden maar dat er een bode is die de kant van de geadresseerde op gaat, en dat hij dus toch even de groeten doet. Triviaal dus. Van keizer Trajanus zijn brieven over aan gouverneur Plinius de Jongere (onlangs vertaald door Vincent Hunink) en daarbij merk je weleens dat de vorst zijn aandacht er niet bij had.

Maar toch: in een brief probeerde je een beetje aardig voor de dag te komen. In de Romeinse tijd herkenden voorname mensen de briefliteratuur als medium voor zelfpresentatie. Ze begonnen hun brieven uit te geven. Als vanzelf werd dit daarna een vorm voor fictie: er zijn literaire auteurs geweest die fictieve brieven schreven, zoals de Athener Alkifron. Hein van Dolen vertaalde deze namaakcorrespondentie in het Nederlands onder de titel Post uit Athene. Nog leuker is dat zulke literaire brievencollecties niet altijd werden herkend. Ploutarchos citeert fictieve brieven tussen Aristoteles en Alexander alsof ze echt zijn.

Senatoriële correspondentie

De brieven van Cicero zou ik niemand aanraden die zich begint te verdiepen in de antieke cultuur. Ze veronderstellen grondige kennis van de complexe politieke situatie van dat moment. Die kennen we dankzij deze brieven in detail, dus de correspondentie is belangrijk, maar het is geen lectuur om mee te beginnen.

Plinius is toegankelijker. Hij heeft drie keer drie boekrollen met correspondentie uitgegeven en daar heeft iemand anders, vermoedelijk zijn protegé Suetonius (de biograaf), nog een tiende boek aan toegevoegd met correspondentie met Trajanus. Het resultaat toont hoe een Romeinse senator zich wenste te presenteren: hij neemt zijn verantwoordelijkheid voor de samenleving door op te treden als pleitbezorger voor deze of gene zaak, is geïnteresseerd in literatuur, is betrokken bij zijn slaven, heeft verhalen te vertellen over bijvoorbeeld uitbarstende vulkanen, spookhuizen, dolfijnen en kinderen. Alle brieven zijn vertaald door Ton Peters; Vincent Hunink heeft enkele selecties vertaald (De Vesuvius in vlammen, Mijn landhuizen, Majesteit!, Mijn lieve Calpurnia).

Overigens is die zelfpresentatie in onze ogen soms wat curieus. Als Plinius de filosoof Euphrates heeft ontmoet, prijst hij vooral diens baard, maar over zijn denkbeelden heeft de epistolograaf weinig te melden. Intrigerend is ook een opmerking dat hij een lange toespraak mocht houden en dat de keizer meer dan eens bezorgd vroeg of Plinius niet aan zijn stem moest denken. Het lijkt erop dat de spreker niet heeft begrepen wat de heerser feitelijk vroeg.

Synesios

Ik sla enkele voorbeelden van antieke briefliteratuur over en noem nog even Synesios van Kyrene. De reden is dat diens correspondentie minstens voor een deel niet bedoeld was voor publicatie. Hier hebben we, net als in de papyri uit Egypte, wat mensen elkaar echt schreven. (De vraag komt natuurlijk op waarom het later wel is uitgegeven.) Het toont echter dat brieven doorgaans kort waren – papyrus en perkament waren kostbaar, schrijven was nooit simpel – en dat ook in de privécorrespondentie schitterende kunstwerken werden vervaardigd. Ik zou u adviseren Brief 4 volledig te lezen: een fantastisch verhaal over een catastrofaal verlopen boottocht, waarmee Synesios probeert zijn broer te vermaken. Dat lukt hem buitengewoon goed.

Ook documenteert Synesios een aspect van de oude wereld dat altijd weer verrast: je kwam destijds nergens zonder aanbevelingsbrieven. De Oudheid was een wereld zonder diploma’s en je wist als opdrachtgever nooit wat je aan een sollicitant had. Daarom moesten mensen voor een ander instaan.

Ik twijfel er niet aan dat ergens op deze planeet een oudheidkundige heeft rondgelopen die jarenlang antieke aanbevelingsbrieven heeft bestudeerd. Zo’n boek, over een aspect van de briefliteratuur dat ons minder snel iets zegt, zou ik graag eens lezen.

31 gedachtes over “Klassieke literatuur (11): briefliteratuur

  1. In het geval van Plinius kan het ook gaan om een zeer verfijnd gevoel voor humor, dat pas met de komst van Oscar Wilde (en later Monty Python) werd overtroffen. In de passage over des denkers baard kan men een ontwijkende beweging zien (intellectueel gezien bracht hij niets bijzonders naar voren, maar hij zag er verzorgd uit- dat telt ook, nietwaar?, zoiets), en de opmerking van de keizer kan bv ook als omgekeerde zelfspot worden uitgelegd. Toegegeven, het is onwaarschijnlijk- de Romeinen staan immers niet echt bekend als de grappigste mensen uit de wereldgeschiedenis (de Assyriers waren natuurlijk stukken leuker), maar het valt niet 100% uit te sluiten dat Plinius zijn tijd ver vooruit was…

  2. Maartos Paargos

    Leuk verhaal! Het roept bij mij de vraag op hoe de brieven uitgewisseld werden. Je hebt het over een bode; waren die in dienst van de elite? Of moet je het zien als een soort zzp-ers die je in kon huren om je brief te bezorgen? En weten we wat het versturen van een brief kostte? Kortom; wat weten we over de “posterijen” in de oudheid?

    1. Er waren, zoals je zegt, ZZP-ers die tegen betaling brieven meenamen. Ik heb in het limes-museum van Weissenburg een reliëf gezien van een postbode.

      De overheid had een eigen brievendienst, voor het leger en voor magistraten. De details heb ik even niet paraat. Interessant detail: de usurpatie van Vitellius op 2 januari 69 was na twee weken al bekend in Rome. Informatie kon, zelfs met besneeuwde Alpenpassen in de winter, vrij snel reizen.

      Ik zou meer willen weten over het gebruik van andere middelen. Gebruikten de boeren misschien trommels om informatie door te geven? Etnografische parallellen genoeg maar we zullen het nooit weten want het is niet opgeschreven.

      1. Medellín, 26 augustus 2020

        @ Jona

        Jaren geleden toen (eindelijk..mede naar aanleiding van de vraag naar het waarom van de daartoe vormgegeven ¨draden-torentjes¨ op, onder meer, de Bijenkorf in Amsterdam) uitgelegd werd hoe men snel met elkaar kon communiceren voordat er interactieve communicatie via kabels en later draadloos ontstond, kwam het wonderschone sémaphore systeem dat onder Napoléon weer boven water. Inclusief de prachtige varianten op dat systeem in Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

        In mijn verwondering hierover stelde ik me toen dezelfde vraag die Jona ook stelt nu. En inderdaad… er waren historische voorgangers van de sémaphore, zowel in Egypte, Griekenland en Rome (en wie weet waar nog meer..).

        Phanaria. Met eigen ¨codes¨ via rooksignalen vanaf torens.

        Razendsnel kon men boodschappen overbrengen. Ik heb naarstig gezocht naar plaatjes of publicaties over phanaria, maar kom nog niet veel verder. Het lijkt me niet erg waarschijnlijk dat er geen onderzoek naar phanaria of fanaria gedaan is.

        Hierbi tochj wat bronmateriaal.

        https://fr.wikipedia.org/wiki/S%C3%A9maphore_(signalisation_maritime)

        https://fr.wikipedia.org/wiki/S%C3%A9maphore_(communication)

        https://www.livehistoryindia.com/cover-story/2019/03/24/mysterious-towers-relics-of-the-visual-telegraph

        https://rangandatta.wordpress.com/2013/07/17/semaphore-towers-a-pre-telegram-communication-system/

        https://www.youtube.com/watch?v=HLy5O9rc7rA

        https://en.wikipedia.org/wiki/Flag_semaphore

        b.à.v.

        JL

        1. Medellín, 26 augustus 2020

          Nog een kleine aanvulling, gelukkig vond ik toch de uitwerking van wat in één van de geciteerde pagina´s de ¨Guets des Romains¨ (meer dan 3.000 in totaal Jona! ) genoemd wordt..

          https://journals.openedition.org/rha/7107 (zie svp sectie 16)

          https://grehcognin.fr/images/deux_mille/romains/tours-signaux.pdf

          https://whc.unesco.org/fr/list/430/

          http://cartophiles-groix.wifeo.com/feu-et-fumee.php

          En, Napoléon zal er jaloers op geweest zijn, het systeem uit de Romeinse tijd kon dag en nacht functioneren (overdag rook, ´s nachts licht/donker contrast)… wellicht waren de Romeinen het bijna twee duizend jaar latere systeem van Napoléon dus de baas wat vol-continu bedrijf betreft…

          (Laten we voor het gemak even uitgaan van 4 generatie per eeuw, dat betekent dat 80 voorvaderen voor Napoléon men net wat sneller en behendiger was.)

          JL

  3. gmknepper

    Vraag voor je verjaardag het boek “Ancient Letters: Classical and Late Antique Epistolography”, eds. Ruth Morello and A. D. Morrison (New York: Oxford Univ. Press, 2007), met op blz 149–68 het artikel van R. D. Rees “Letters of Recommendation and the Rhetoric of Praise”.

  4. jacob krekel

    “Het toont echter dat brieven doorgaans kort waren…..”
    De bief van Synesios heeft meer dan 3800 woorden, wat niet echt kort is. De brieven van Cicero die wij op school lazen zijn meestal minder dan 10% daarvan.
    Een ander bekende briefschrijver was Paulus. Die maakte nog veel langere brieven dan Synesios. Zo lang, dat ik me altijd heb afgevraagd op wat voor materiaal die geschreven werden en hoe hij aan dat schrijfmateriaal kwam. Want: ” – papyrus en perkament waren kostbaar, schrijven was nooit simpel – “.

    1. Synesios’ vierde brief was bedoeld om te imponeren en is niet representatief. Het gaat veel vaker om korte aantekeningen, kattebelletjes.

      Van Paulus’ brieven is vaak beweerd dat het eigenlijk essays zijn. In een eerdere versie van dit stukje wilde ik ze noemen, ook om de handtekening van 2 Thessalonicenzen, maar ik wilde het niet te complex maken.

      1. gmknepper

        Paulus’ brieven zijn letterlijk een verhaal apart, wat al blijkt uit het feit dat ze merendeels niet aan één persoon maar aan een hele groep geschreven zijn. En die handtekening uit 2 Tess. zou de zaak nog complexer maken dan je dacht, want 2 Tess is pseudepigrafisch;-).

  5. Paul

    Op dit moment lees ik de brieven tussen Marcus Aurelius en Fronto. Af en toe geeft het een mooie inkijk op het dagelijkse leven van de keizer. Veel brieven gaan over kleine kwaaltjes, maar ook over persoonlijk verlies. De recente Nederlandse vertaling van deze brieven is een toegankelijke aanrader.

    Dat geld ook voor de brieven van Seneca aan Lucilius waar de rol van leraar en student weer duidelijk naar voren komt.

    De brieven van Cicero vond ik wel erg gestileerd, maar ik heb begrepen dat deze door Cicero zijn herbewerkt voor publicatie.

    1. Ik bedenk ineens dat ik Seneca’s correspondentie met Lucilius mooi had kunnen noemen als voorbeeld van schijn-epistolografie à la Alkifron. Met dit verschil dat je de laatste leest voor je plezier en de eerste om jezelf geestelijk te verrijken. Seneca heeft een bepaalde wijsheid die me steeds voor hem inneemt, ongeacht het feit dat hij naar onze maatstaven corrupt was.

      1. @Jona: Die wijsheid van Seneca was nu juist iets wat me niet aansprak. Elkeen kijkt met eigen blik. Geef mij maar Cioran (in september komen 3 vertalingen van hem uit, ik neem aan dat Maarten van Buuren de vertaler is, maar weet dat niet zeker).

  6. De klerk en de voorlezer. Dat is weer even een goede reminder om niet in de val van het bekende te trappen. Een brief is een brief en inhoud is inhoud, maar de presentatievorm was dus wezenlijk anders dan tegenwoordig. Een soortgelijk verschil zien we nu: de al dan niet met de hand geschreven brief met het oponthoud van de postzegel, de brievenbus, het sorteren en het bezorgen door de postbode wordt grotendeels verdrongen door de digitale brief. Direct van afzender naar ontvanger. Alleen weet je nooit wie er ongevraagd meeleest. Hoogst waarschijnlijk niemand, maar de techniek zal het niet uitsluiten.

    1. FrankB

      Bijvoorbeeld proton mail versleutelt alle berichten. In de Oudheid was het risico groter dat een bode werd onderschept. Al is geheimschrift ook weer erg oud.

      1. Martin

        Ja, symmetrische encryptie, met een geheime sleutel, werd al door J. Caesar gebruikt. Bv elke letter vervangen door de letter op x plaatsen verder in het alfabet. Maar dan moeten zender en ontvanger eerst een sleutel overeen komen, wat niet zo handig is. Bij public key crypto, zoals in PGP, is de encryptie sleutel publiek, waarbij het de bedoeling is om het ontdekken van de decryptie sleutel op de basis van publieke informatie nagenoeg onmogelijk te maken, althans hopelijk. Encryptie en wiskunde in de klassieke oudheid is ook een interessant thema.

    2. De geschreven brief verdrongen door digitaal: ik heb de indruk dat digitale boodschappen en brieven korter zijn dan de vroegere brief. Ik vraag me af of anderen ook een dergelijke ervaring hebben.

      1. FrankB

        Ik niet. Als ik er voor ga zitten (ik geef toe, niet zo vaak, maar dat was met brieven ook niet) kan ik ellenlange emails schrijven.

      2. Willem Vermeer

        Ja, zo voelde het in ieder geval toen die overgang plaatsvond. Jaren ’90. We waren in die tijd nogal bezig met middeleeuwse Russische brieven op berkenbast. Die gaan meestal over zakelijke dingen en zijn dan geschreven op een manier waarbij de hoeveelheid informatie maximaal is. Ons trof dat toen als “e-mail-achtig”.

  7. Willem Vermeer

    Tekst in de marge kwam ook bij ons voor in de tijd dat er nog met de hand op stukjes papier geschreven werd. Laatst nog een voorbeeld tegengekomen uit 1959, in een brief van Karel van het Reve aan Carl Ebeling toen die onder de Kaukasische Avaren zat.

  8. Rob Duijf

    Ik denk dat dat komt, omdat de geschreven communicatie veel sneller verloopt. Er zit geen postzegel tussen. Bovendien zijn er andere communicatievormen bijgekomen. Digitale boodschappen kunnen we gemakkelijk personaliseren. Als we elkaar op afstand even willen zien en spreken, dan Skypen of videoappen we even. Wil je echter wat meer tijd nemen om je gedachten, gevoelens en emoties goed te verwoorden, dan is ook de cursor van het digitale medium geduldig…

Reacties zijn gesloten.