LIDaR en de gevolgen

Een vergeten doolhof bij Arcen (foto RAAP)

Een week of twee geleden blogde ik over de vernieuwing die de oudheidkunde in de twintigste eeuw heeft ondergaan dankzij lucht- en satellietfotografie. Daarbij werden soil marks en crop marks geregistreerd, die de aanwezigheid van gebouwen kunnen documenteren. Met radar werden oude rivierbeddingen opgespoord. Dit is allemaal tweedimensioneel. Onze eenentwintigste eeuw voegde er de derde dimensie aan toe: laserscans.

LIDaR

In feite gaat het om iets dat lijkt op een radar: een apparaat zendt een signaal uit en registreert de echo. Het tijdverloop tussen signaal en echo geeft de afstand aan. Alleen gaat het dit keer niet om een radiosignaal maar om een laserpuls. Die pulsen worden bij duizenden en duizenden gezet, waardoor heel gedetailleerde metingen mogelijk zijn en obstakels te omzeilen zijn. Als bijvoorbeeld een vliegtuig – het kan ook een satelliet zijn – pulsen uitzendt boven een bos, zullen negen van de tien pulsen terugkaatsen van het bladerdak maar zal de tiende puls de bodem raken. Zo ontstaat een dubbel signaal en zijn niet alleen de boomkruinen te registreren maar valt ook het bodemreliëf in kaart te brengen. De methode staat bekend als LIDaR ofwel Laser Imaging Detection and Ranging.

Het bekendste voorbeeld uit de archeologie is Caracol, een stad van de Maya’s in het huidige Belize. Normaal veldwerk zoals ik zelf nog eens heb mogen leren zou vele maanden, misschien wel jaren hebben gekost, maar in 2010 ging het allemaal bliksemsnel. Dichter bij huis ontdekte de Duitse archeoloog Steve Bödecker met LIDaR allerlei Romeinse marskampen en oefenkampen (bij Bonn, bij Xanten). Uit Nederland is er deze leuke ontdekking.

U kunt het hoogtebestand voor Nederland hier en voor Vlaanderen daar bekijken. Het is namelijk voor een deel openbare informatie, waarvan de kwaliteit alleen maar zal verbeteren. Als alles goed gaat, begint de Duitse TerraSAR-X NG in 2025 met waarnemingen die de aarde vastleggen met een resolutie van 25 centimeter. Dat heet microreliëf.

Elk voordeel heeft een nadeel

Dit is allemaal geweldig mooi. U kunt zich voorstellen hoe oudheidkundigen de LIDaR-metingen gebruiken voor drie-dimensionele reconstructies. Eén probleem heb ik hierboven al aangestipt: het is openbare informatie. Een vandaal zou met een paar muisklikken kunnen ontdekken waar verhandelbare oudheden in de grond zitten. Een mogelijke oplossing is dat de fijnste resolutie niet openbaar wordt gemaakt. Daarom schreef ik dat het “voor een deel openbare informatie” is, maar dat is onbevredigend. Het is principieel onjuist als wetenschappers informatie achterhouden. Bovendien is de onuitgesproken aanname dat archeologen alleen maar keurig zijn.

Het kan trouwens nog leuk worden als het microreliëf echt een beetje goed in kaart is gebracht. Inclusief de oneffenheid in uw achtertuin die u wilde egaliseren. Ik kan me voorstellen dat een louche ondernemer, die alle bouwplannen in het land controleert op verstoringen van het microreliëf, zich bij u aandient met de vraag hoeveel u wil betalen opdat hij geen melding maakt van verstoring van het bodemarchief. “U hebt een mooie tuin,” zal zo iemand zeggen, “het zou jammer zijn als er archeologen kwamen kijken.”

Bescherming

Wat ons brengt bij het tweede probleem: wat is een vindplaats eigenlijk? De bescherming van het bodemarchief veronderstelt afbakening, maar die is er niet langer nu archeologen hele landschappen kunnen bestuderen. Hoe meer informatie hoe beter, natuurlijk, maar het betekent ook dat een steeds groter gebied te typeren valt als wetenschappelijke informatie. Nu weet elke archeoloog dat je niet álles kunt bewaren, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik verwijs nog eens naar de drogreden die mijn goede vriend Richard hier aan de kaak stelt.

Kortom, LIDaR dwingt ons geheel anders naar het bodemarchief te kijken. Het laatste woord is er nog niet over gezegd. Ook omdat er nog een vierde dimensie is, tijd, waarover we het ook nog eens moeten hebben. 

[De reeks “Methode op Maandag” (MoM) toont wat de oudheidkundige wetenschappen maakt tot wetenschappen. Overzichten van deze en vergelijkbare stukjes zijn hier en daar. Dit stuk over archeologische luchtfotografie en satellietfotografie wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

23 gedachtes over “LIDaR en de gevolgen

  1. Rob Duijf

    “U hebt een mooie tuin,” zal zo iemand zeggen, “het zou jammer zijn als er archeologen kwamen kijken.”

    Het hangt er natuurlijk wel van af hoe oud dat perceel is, er vanuitgaande dat bij de aanvraag van de bouwvergunning ook de archeologische waardenkaart is geraadpleegd. Bureauonderzoek is in ieder geval sinds het Verdrag van Malta (Valetta) verplicht bij bouwprojecten die de ondergrond verstoren.

    Anders geldt dat je niet dieper dan de bouwvoor mag spitten in je achtertuintje. De natuurlijke ondergrond (zand, veen, klei) bevindt zich tot ca. 60 cm onder het maaiveld. Voor werkzaamheden die dieper gaan, moet vergunning worden aangevraagd.

    1. Rob Duijf

      ‘Daarin zie je vaak iemand een X-ray apparaat over een grasveld rollen om te zien wat er onder de grond zit.’

      Die techniek is geen X-ray, maar elektrische weerstandsmeting. Daarbij worden steeds twee elektroden in de grond gestoken waardoor een stroomstoot wordt gegeven. Harde objecten in de ondergrond, zoals stenen muren, zullen de stroom minder goed geleiden. Door het potentiaalverschil tussen de elektroden te meten, kan zo de ondergrond op basis van de elektrische weerstand in kaart worden gebracht.

  2. Huibert Schijf

    Het probleem van de openbaarheid van gegevens beperkt zich natuurlijk niet tot LIDaR gegevens. Iedere bibliotheek, krantenarchief (delpher.nl) of archief kan gegevens opleveren waarvan de openbaarheid wellicht nadelen oplevert. Voor archieven bestaat een Archiefwet die bedoeld is om privacy te beschermen. Maar elders? Overigens is het een interessant probleem hoe die LIDaR gegevens worden geïnterpreteerd en systematisch worden opgeslagen. Is daar voldoende menskracht voor?

    1. Menskracht is inderdaad een probleem. Er is zó veel informatie bij gekomen! Maar er zijn ook mogelijkheden met artificiële intelligentie, waarmee plausibele vindplaatsen zijn te identificeren. Het is techniek die nog in ontwikkeling is maar de tekens zijn gunstig. Uiteindelijk zal wel ter plekke gekeken moeten worden wat en hoe. Het is daarin niet anders dan de toepassing van AI in de digitale paleografie. Optische identificatie is nog niet nutteloos.

  3. Jacob Krekel

    Je moet het verleden ook over je schouder kunnen gooien. Als de behoudzucht van deze tijd al in de mideeleeuwen had bestaan, dan was er niet één gotische kathedraal gebouwd. Want die staan allemaal op een plek waar eerst een oudere kerk heeft gestaan, die volgens de huidige inzichten behouden had moeten worden.
    Om maar te zwijgen van de kransen van kapellen die later aangebouwd zijn en die op het moement van bouwen geen van alle “origineel” waren.
    Er zijn kortom ergere dingen dan dat we nooit kennis over de lijken in de oude kerk zullen vergaren.

    1. Rob Duijf

      ‘Als de behoudzucht van deze tijd al in de mideeleeuwen had bestaan, dan was er niet één gotische kathedraal gebouwd.’

      Ik vraag me af of het behouden cq conserveren van wat cultureel waardevol wordt geacht, omdat het ons verhaal vertelt, hetzelfde is als behoudzucht. Het tweede lid van dat woord verwijst naar ziekte, begeerte, zo je wilt: de ziekelijke neiging om te behouden.

      Zo zijn er nog wel wat meer zuchten waar we onder gebukt gaan, zoals zelfzucht, hebzucht, geldzucht, koopzucht; kortom, de ziekelijke begeerte naar wat we niet hebben maar wel willen hebben en als we het eenmaal hebben niet meer los willen laten. De ziekelijke gedachte dat we zonder al die materiële en immateriële verworvenheden niet zouden kunnen bestaan. Dus als we toch iets over onze schouder willen gooien, laten we het dan radicaal doen!

      Niet alles van archeologische waarde blijft overigens bewaard. Het bodemarchief wordt eerst archeologisch onderzocht alvorens te verdwijnen onder lagen zand onder nieuwe vinexwijken, industrieterreinen en spoorlijnen. Zo behoudzuchtig zijn we dus niet, al zijn we zuinig op de visuele monumenten en het niet-visuele bodemarchief dat we voorlopig in de grond laat zitten zolang het niet door projectontwikkelaars wordt bedreigd.

      Het betekent wel dat de Nederlandse overheid zijn verplichtingen die het in het Verdrag van Malta is aangegaan moet nakomen en niet alleen moet zorgdragen voor het behoud, de ontsluiting en de conservering van het cultureel erfgoed, maar dat het ook de verplichting heeft tot het geven van publieksvoorlichting.

      1. FrankB

        “Ik vraag me af of …..”
        Weet u iets beters dan?

        “verwijst naar …..”
        De Nederlandse taal is er berucht om dat woorden (of delen van woorden) van betekenis veranderen, afhankelijk van de context. Het is dus maar de vraag of u hier een hoogstpersoonlijke gewoonte beschrijft of iets gebruikelijks onder de Nldse bevolking. De Van Dale online geeft als betekenis van het woord ‘zucht’ oa ‘verlangen’, dus ik gok het eerste.

        https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/zucht#.YS0bP-hR3IU

          1. Martin van Staveren

            Rob, “De ziekelijke gedachte dat we zonder al die materiële en immateriële verworvenheden niet zouden kunnen bestaan”.

            Het gaat er ook wel een beetje om hoe wij bestaan. Helemaal geen geld hebben wordt iha niet prettig gevonden.

            1. Rob Duijf

              Het gaat er ook wel een beetje om hoe wij bestaan.’

              Het gaat zeker om hoe wij bestaan, maar in de eerste plaats om wat de kwaliteit van dat bestaan is. Helaas hebben we wereld zo ingericht dat we geld nodig hebben om in dat bestaan te kunnen voorzien.

              Geld hoeft geen probleem te zijn, al zou je je kunnen afvragen of we ook zonder zouden kunnen en wat er nodig is voor een echte, zorgzame samenleving. Dat is een enorm belangrijke vraag! Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst duidelijk zijn waarom we er economieën op na houden die op geld zijn gebaseerd. Daar zal ik verder niet op ingaan, ik ben geen econoom. Ik kijk naar het innerlijke aspect, omdat de wereld die wij creëeren – dus ook de economie – daaruit voortkomt. De kwaliteit van ons bewustzijn bepaalt de kwaliteit van ons handelen en dus ons bestaan.

              ‘Helemaal geen geld hebben wordt iha niet prettig gevonden.’

              Het probleem is dat we gehecht raken aan geld, want kunnen er niet alleen mee in ons (minimum noodzakelijke) bestaan voorzien, het verschaft ook rijkdom, bezit, respect, aanzien, macht, plezier en genot, het idee dat we kunnen doen en laten wat we willen.

              Gehechtheid doet niet alleen onvermijdelijk verlangen naar meer, het maakt ook hypocriet en corrupt, afgunstig en naijverig. Het maakt ons bang om te verliezen wat we hebben, of niet te kunnen bereiken wat we willen hebben. Het stimuleert onze rivaliteit en laat ons concurreren i.p.v. samenwerken, omdat het ons van anderen scheidt en isoleert.

              Alles wat we hebben, onthouden we aan anderen. Volgens de Wereldbank moeten wereldwijd meer dan 730 miljoen mensen rondkomen met minder dan 1,90 dollar per dag. Een groot deel daarvan heeft helemaal niets; geen eten, geen schoon drinkwater, geen sanitaire voorzieningen, geen medische hulp; kortom geen vooruitzicht op leven.

              https://unric.org/nl/armoede-en-honger-nemen-toe-in-europa/

              Maar er is nog een ander soort rijkdom, namelijk het vermogen om niet meer te nemen dan je praktisch nodig hebt. Dat kan, ook in een moderne maatschappij als de onze, waarin hoge eisen worden gesteld aan wat je hebt en wie je bent.

  4. Frans Buijs

    En zoals gewoonlijk is de blog pas compleet
    Als Frank B het allemaal beter weet
    In definitie 5 (ziekelijke lust) worden drankzucht en vernielzucht genoemd en ik heb nog nooit gehoord van hebverlangen, dus we kunnen hebzucht en behoudzucht ook wel in die categorie plaatsen. Dus:
    Zucht. Diepe zucht.

  5. Christo Thanos

    Is het werkelijk een probleem dat verfijnde informatie slechte mensen op het idee kan brengen waar verhandelbare oudheden te vinden zijn?

    Dat is allang het geval, maar we hebben het niet door!!! (of kunnen er niets aan doen)

    Sinds 1995 ben ik werkzaam binnen de Nederlandse archeologie. Ik onderscheid (gemakshalve en simplistisch) drie soorten amateurarcheologen (m/v/o; amateur in de zin van: het is geen betaalde baan):
    – de goedwillende amateur: veelal lang actief in de regio, vaak georganiseerd en informatie wordt gedeeld. En voert geen (bewuste) illegale acties uit.;
    – de onwetende amateur: deze vindt het bijvoorbeeld leuk om een detector aan te schaffen en gaat goedbedoeld en fris (en onwetend) aan de slag, vaak niet verenigd;
    – de ‘criminele’ amateur: goed verenigd en belust op het vinden en verhandelen van oudheden. Deelt geen informatie. En is illegaal bezig.

    Bij het minder openstellen van bijvoorbeeld LIDaR-data tref je de eerste groep. Lokale amateurs kunnen met dit soort gegevens veel nieuwe dingen ontdekken, waar de professionele archeoloog vaak niet aan toe komt.

    De tweede groep amateurs moeten we (professionele en amateurarcheologen samen) zien te bereiken en te verleiden om volgens ‘onze regels’ te werken: bijvoorbeeld goede documentatie, delen van gegevens en je aan de wet te houden.

    De derde groep zal niets van een beperking op informatie aantrekken. Op de cultuurhistorische waardenkaart van Zuid-Holland staan alle bekende archeologische terreinen binnen de provincie (terreinen van provinciaal belang). Vervolgens worden deze terreinen met een zwaardere archeologische dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan (zie ruimtelijkeplannen.nl)., Daarnaast is deze groep zeer georganiseerd: een netwerk dat alle graafwerkzaamheden in de gaten houdt (en na 17.00 even op de bouwplaats komt “kijken”), goede contacten met loonwerkbedrijven, georganiseerde trips maakt naar bijvoorbeeld Roemenië om akkers leeg te piepen, enz.

    Voor deze laatste categorie van ‘amateurs’ is geen kruid gewassen. Als gehele groep van archeologen (prof/amateur) moeten we juist inzetten in het goede gebruik van deze nieuwe data bij de ervaren amateur en het enthousiasmeren van de beginnende amateur.

    Iets minder openbaren omdat zodoende misbruik van gemaakt kan worden, is een utopie. Er zullen altijd mensen zijn die bij een geschikte gelegenheid ergens misbruik van zullen maken.

  6. Christo Thanos

    Het is pertinent onjuist dat mensen rekening moeten houden met archeologie bij het graven in de tuin.

    Ja, we hebben te maken met het Verdrag van Malta. Dankzij dit verdrag moet archeologie geregeld zijn in het bestemmingsplan (zie ruimtelijkeplannen.nl). Dit is het wettelijke toetsingskader!. Je kunt dan ook niet meer schermen met Malta.

    In het bestemmingsplan staat of je huis valt in een zone met een archeologische dubbelbestemming. Bij deze dubbelbestemming hoort een grens: een oppervlaktemaat en een dieptemaat. Bijvoorbeeld 50m²/30 cm. Dit houdt in dat bij ontwikkelingen/graafwerkzaamheden met een oppervlak van 50 m² en ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld, een archeologisch onderzoek verplicht is. (ook heipalen vallen onder een diepe verstoring).

    Wie in de historische binnenstad van Schoonhoven (ja, een echt middeleeuws stadje) of in het centrum van Bodegraven (restanten Romeins castellum) de tuin over een oppervlakte van 45 m² tot 5 m diep wilt omspitten, kan niet verplicht worden om een archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Maar: eventuele vondsten moeten, conform de Erfgoedwet, wel netjes gemeld worden bij de gemeente.

    1. Rob Duijf

      ‘Je kunt dan ook niet meer schermen met Malta.’

      Inderdaad. Ik vergeet nog wel eens dat Malta al lang geïmplementeerd is in de RO-wetgeving.

Reacties zijn gesloten.