
In het vorige blogje legde ik uit hoe het denken over de Timaios, waarin Plato schetst hoe de wereld is geschapen, een model vormde voor de discussies over Christus. Die was immers ook geschapen – of toch niet?
Origenes
De christelijke geleerde Origenes (c.185-c.253) betwijfelde niet dat God de Vader hemel en aarde had geschapen. Daarbij stuitte hij op het probleem dat ook speelde bij Plato’s Timaios: een scheppende God zou van mening zijn veranderd en niet volmaakt zijn geweest. Origines loste het op dezelfde wijze op als de symbolische uitleggers van Plato hadden gedaan: hij vatte de schepping op als een gebeurtenis buiten de tijd. Het universum kon dus geen begin in de tijd hebben. De buiten-de-tijd-staande God was ook om een andere reden logisch: God kon immers alleen almachtig zijn als er iets was waarover hij macht kon uitoefenen. Er moest noodzakelijkerwijs voortdurend minimaal één schepsel zijn waarover God heersen kon.
Dat was de Zoon – het Woord van God, dat verzelfstandigde attribuut van God waar Filon van Alexandrië al op had gewezen. De Vader was, met andere woorden, de tijdloze, eeuwige oorzaak die een eeuwige Zoon voortbracht. Het probleem met deze symbolische oplossing, dat er bij een buiten-de-tijd-staande God geen voorzienigheid zou zijn, viel te neutraliseren doordat die werd uitgeoefend via de Zoon. Origenes introduceerde daarmee echter wel een hiërarchie, waarin de Zoon lager stond dan de Vader. Dit is weliswaar perfect in overeenstemming met het Nieuwe Testament – ik blogde er al eens over – maar zou later als probleem worden ervaren.
Areios
Een van de geleerden die zich in deze academische discussie mengde, was de Alexandrijnse presbyter Areios (c.250-336). Hij accepteerde Origenes’ kosmische hiërarchie, waarin de Zoon lager was dan de Vader, en stelde dat Christus een schepsel was, onderworpen aan de tijd. Zijn Vader mocht er dan buiten staan, maar Christus was geboren en gestorven in de geschiedenis. Hij was daarmee wezenlijk anders dan de Vader, of, om de jargonterm te gebruiken, “niet uit het wezen van de Vader”.
Een andere ariaanse jargonterm: “Er was eens toen de Zoon niet was”. Het is analoog aan wat de letterlijke platonisten zeiden: “Er was een tijd waarin de wereld niet was”. Zoon of wereld, beide waren geschapen en onderworpen aan de tijd. Wat dus betekende dat God een handeling zou hebben uitgevoerd in de tijd – en dat deed afbreuk aan zijn volmaaktheid. Een bekend probleem. Ik schreef al dat er in de discussie een element van herhaling zat.
En Gods onvolmaaktheid was nog maar een eerste probleem. Een andere moeilijkheid met Areios’ standpunt was dat Christus, om de mensheid te verlossen, volledig god moest zijn. Een mens of een lagere god kan zoiets niet. Kortom, Areios gooide een paar problemen neer. Dat viel slecht en hij mocht zijn ideeën verder uitwerken in ballingschap. En keizer Constantijn, die niet om deze discussie had gevraagd, moest op zoek naar een compromisformule.
Het concilie van Nikaia
In 325 organiseerde Constantijn het Concilie van Nikaia, dat over allerlei zaken belangrijke beslissingen nam. Er kwam ook een formule op tafel die weliswaar neerkwam op een veroordeling van Areios, maar toch vooral een compromis inhield. De bisschoppen gingen akkoord met de formulering dat Christus “één in wezen was met de Vader en uit het wezen van de Vader”. Aan die woorden kon iedereen een eigen uitleg geven.
Met deze formule was echter niets gezegd over een hiërarchie tussen de Vader en de Zoon. Niet iedereen vond dat acceptabel. In 340, toen Constantijn en Areios al waren overleden, formuleerde Athanasios van Alexandrië zijn bezwaren. Hij benadrukte de volledige godheid van Christus, omdat alleen deze alleen zo de mensen kon verlossen. Tegen Areios’ opvatting dat de Zoon een schepsel was, bracht hij het vertrouwde argument in dat God niet van mening kan zijn veranderd. De tijd is immers met de wereld ontstaan, er kan geen tijd zijn geweest waarin Christus niet was.
Hiermee bereikte Athanasios twee zaken. Het eerste is dat er geen hiërarchie meer was tussen God de Vader en God de Zoon. Het idee van Numenius, later overgenomen door Origenes, verdween dus weer uit de aanvaarde theologie. (Het staat tegenwoordig bekend als subordinationisme.) Het tweede punt is een verfijning van het jargon. Christus was niet door God de Vader geschapen, maar was wel voortgebracht door, geboren uit, verwekt door God de Vader.
Naspel
Deze discussie leidde ertoe dat binnen het christendom het denkbeeld postvatte dat er slechts één juiste manier was om te denken over Christus. We noemen dat orthodox. Het was een revolutionaire verandering. Geen enkele godsdienst kende zoiets. Vanaf de jaren vijftig van de vierde eeuw zou de discussie over de orthodoxe formulering leiden tot stevige disputen, die in de vijfde eeuw zouden escaleren tot kerkscheuringen.
Maar zover was het nog niet. De compromisformule, die men op verschillende manieren kon invullen, bracht de zaak niet tot bedaren. Dat Christus “één in wezen was met de Vader” zou weliswaar later nog worden bekrachtigd op het Concilie van Constantinopel, maar werd – en wordt – in de oostelijke kerken uitgelegd als wezensgelijk. Dat laat de mogelijkheid open dat van de Vader een andere werking uitgaat dan van de Zoon, zodat men in de oostelijke kerken aanneemt dat de Heilige Geest alleen voortkomt uit de Vader, terwijl westerse kerken aannemen dat de Geest voortkomt uit de Vader en de zoon.
Geen hiërarchie, verfijnd jargon, orthodoxie. Er is nog een vierde punt. In 359 organiseerde keizer Constantius II twee synodes, in Rimini en Seleukeia in Isaurië, die er allebei niet uitkwamen, maar wel allebei constateerden dat de Bijbel er niets over te melden heeft. Dat was destijds geen reden om de kwestie te laten rusten. Men zag er geen been in buitenbijbelse ideeën te introduceren, zoals platonisme. De Bijbel was nog niet het normatieve boek dat het in de protestantse traditie zou worden.
[Een overzicht van de blogjes over het handboek oude geschiedenis is hier.]
Zelfde tijdvak
Klassieke literatuur (5d): geschiedschrijvingmaart 22, 2017
De limes aan de Beneden-Donauseptember 8, 2014
De joodse Diaspora (2)mei 12, 2024

Verhelderend, dank. Maar ik vermoed dat de Vader de Zoon niet verwerkte maar verwekte.
Ik zit het net te verbeteren! 😉
Leuk stukje en heel boeiend, die parallellen met Plato, maar ook omdat ze de wezenlijke verschillen aan het licht brengen, denk ik. Onvolmaaktheid heeft een heel andere lading bij de platonisten dan bij de christenen. Het mysterie van de menswording en van de christelijke liefde is juist dat onvolmaaktheid daarin op een bepaalde, paradoxale manier hoger is dan volmaaktheid.
In de woorden van een Byzantijnse hymne voor de kersttijd:
‘Ik zie een vreemd en wonderbaarlijk [paradoxon] mysterie:
De grot is de hemelen geworden,
De maagd de troon der cherubijnen,
De kribbe een vat dat Christus, de onbevattelijke God, omvat’.
Voor de platonisten konden onvolmaakte aardse verschijnselen hooguit betekenis hebben als tekenen of afschaduwingen van de goddelijke volmaaktheid, die op aarde niet bestond. Het mysterie van het christendom bestaat erin dat een liefhebbende mens juist in zijn eindigheid en onvolmaaktheid God kan zijn. En de compromissen in Nicea zijn denk ik ook te duiden als pogingen om die essentiële paradox te laten voortbestaan, zonder het mysterie met platonische of andere middelen op te lossen.
Je formuleert het mooi Joris.
Vastlopen in het absurde is een minder mooie formulering…
Wat mij altijd gefrappeerd heeft, is dat de christelijke verdeeldheid vanwege Arius’ standpunt (en eigenlijk ook vanwege Apollinarius’ tegengestelde standpunt) niet blijvend is geweest, maar die vanwege de Christologische discussies van de vijfde en zesde eeuw, grofweg die tussen Cyrillus en Nestorius, juist wel. Staatsdwang is maar een gedeelte van het verhaal, denk ik.
Mijn vermoeden is dat de latere scheuringen, omdat ze gepaard gingen met werkelijke twisten en rellen, meer impact hadden dan de welbeschouwd academische kwestie die Areios ten berde had gebracht. Ik vermoed dat het arianisme groter is gemaakt dan het feitelijk is geweest omdat het later een scheldwoord werd. Denk ik.