1700 jaar Nikaia (6): bronnen

Ik heb in de voorafgaande blogjes al een paar keer verteld dat de handelingen (actae) van het Concilie van Nikaia verloren zijn gegaan en dat de deelnemerslijst (Synodikon) een reconstructie is. Die is bovendien overgeleverd in uiteenlopende talen en versies, wat ons confronteert met een uitdagend tekstkritisch probleem. We zijn voor onze informatie over de kerkvergadering aangewezen op andere bronnen. Gelukkig zijn die er.

Antieke geschiedschrijving

Om te beginnen is er het boek dat Eusebios van Caesarea veertien jaar na de gebeurtenissen publiceerde: het Leven van de zalige keizer Constantijn. Deze terugblik is een invloedrijke tekst, die ook ten grondslag ligt aan de legende dat Constantijn aan de vooravond van de veldslag tegen zijn rivaal Maxentius aan de hemel een lichtend kruis zou hebben gezien en zich na dat visioen tot het christendom zou hebben bekeerd.

Lees verder “1700 jaar Nikaia (6): bronnen”

1700 jaar Nikaia (4): beraadslagingen

Een beruchte scène uit het Concilie van Nikaia: Nikolaas van Myra staat op het punt een opponent een klap te geven (Rila-klooster)

De uitnodiging voor het Concilie van Nikaia, dat vandaag 1700 jaar geleden begon, lijkt gepaard te zijn gegaan met een oproep om klachten en wensen te formuleren. Dit was het moment, zo lijken de organisatoren gedacht te hebben, om misstanden te benoemen en te verhelpen. Deze cahiers des doléances, om eens een analogie te introduceren, vormden de basis van enkele libelli, “boekjes”, waarin de uiteenlopende klachten thematisch waren geordend. Er moet dus een staf zijn geweest die alles las en ordende voordat het aan de keizer werd aangeboden.

Die liet de libelli echter ongeopend verbranden. De politicus die Constantijn was, wilde zaken doen en kon het niet hebben dat er aan het begin van de vergadering blijken van wantrouwen waren in de richting van de mannen met wie hij moest overleggen. Dat is althans hoe de kerkhistoricus Theodoretos het presenteert. Zijn collega Sozomenos vergelijkt de daad met de vergevingsgezindheid van God. Het is overigens niet uitgesloten dat Constantijn wel degelijk op de hoogte was van de inhoud, al was het maar omdat de brieven die aan de libelli ten grondslag hadden gelegen, er gewoon nog waren.

Lees verder “1700 jaar Nikaia (4): beraadslagingen”

Sint-Servaas

Een engel wijdt Sint-Servaas tot bisschop

Ooit wilde ik een bezoek brengen aan de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht, maar toen bleek dat ik voor een bezoek aan deze oude kerk entreegeld moest betalen draaide ik me maar weer om. Principieel vind ik dat kerken vrij toegankelijk moeten zijn, met uitzondering dan van de bijbehorende “schatkamers”.

Deze heilige, wiens naamdag gevierd wordt op 13 mei, heeft een karrenvracht aan legenden om zich heen verzameld, en heel veel van wat over hem beweerd wordt, is ofwel niet verifieerbaar ofwel apert onjuist. Nou is dat laatste wel meer het geval bij heiligen, maar het is opmerkelijk dat er – bijvoorbeeld – in het uitvoerige Wikipedia-artikel over Sint-Servaas wel heel erg vaak met argusogen wordt gekeken naar datgene wat er over deze eerste (?) bisschop van Maastricht wordt beweerd.

Lees verder “Sint-Servaas”

Het Concilie van Nikaia

Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Nikaia (325) in het Rila-klooster in Bulgarije.

In het vorige blogje legde ik uit hoe het denken over de Timaios, waarin Plato schetst hoe de wereld is geschapen, een model vormde voor de discussies over Christus. Die was immers ook geschapen – of toch niet?

Origenes

De christelijke geleerde Origenes (c.185-c.253) betwijfelde niet dat God de Vader hemel en aarde had geschapen. Daarbij stuitte hij op het probleem dat ook speelde bij Plato’s Timaios: een scheppende God zou van mening zijn veranderd en niet volmaakt zijn geweest. Origines loste het op dezelfde wijze op als de symbolische uitleggers van Plato hadden gedaan: hij vatte de schepping op als een gebeurtenis buiten de tijd. Het universum kon dus geen begin in de tijd hebben. De buiten-de-tijd-staande God was ook om een andere reden logisch: God kon immers alleen almachtig zijn als er iets was waarover hij macht kon uitoefenen. Er moest noodzakelijkerwijs voortdurend minimaal één schepsel zijn waarover God heersen kon.

Lees verder “Het Concilie van Nikaia”

De Kopten (2)

Het witte klooster in Sohag

Vandaag ga ik verder met mijn verhaal over de Kopten; het eerste deel was hier. Ik heb het vooral over de christenen van laatantiek en vroegmiddeleeuws Egypte, maar er zijn natuurlijk nog altijd Kopten.

Christendom

Het christendom is vrij vroeg aangekomen in Egypte, maar hoe dat is gebeurd, is een van de grootste raadsels uit de oudheidkunde. We hebben geen idee. Dat de evangelist Marcus de eerste bisschop van Alexandrië zou zijn geweest, is een verzinsel. (Het roept wel de vraag op wie er begraven ligt in de San Marco in Venetië.)

Lees verder “De Kopten (2)”

Byzantijnse krabbel (2): Twee naturen

rila_councils_1_nicaea_i
De discussie over de twee naturen van Christus tijdens het Concilie van Nikaia (325) op een schildering in het Bulgaarse Rila-klooster. In het centrum, vooraan, staat Nikolaas van Myra klaar om een apostolische oplawaai te verkopen aan een ketter.

Christus was een god onder de goden en zelfs de tegenstanders van het christendom erkenden dat deze godheid bestond en ten tijde van keizer Tiberius op aarde had geleefd. Of je hem ook vereerde, en op welke wijze, was een persoonlijke keuze. Toch was er voor menigeen ook iets afstotends aan deze eredienst: wie Christus vereerde, kwam fanatiekelingen tegen die meenden dat je andere goden moest afzweren.

Dat was een gevaarlijke mening. Als zo’n exclusivist een openbaar ambt bekleedde, kon hij niet aan de stadsgoden offeren en zou hij hun wrok afroepen over de gemeenschap. Het vervolgingsdecreet waarmee keizer Decius rond 250 de vervolging gelastte is niet overgeleverd, maar wat we wél weten, suggereert dat hij iets eiste dat vooral voor exclusivisten lastig was. Van de vervolging door keizer Valerianus, enkele jaren later, staat vast dat hij deze groep op de korrel nam. Gewone Romeinse gelovigen, die niet exclusivistisch waren, liepen geen gevaar. Het vernieuwende van Constantijn de Grote is niet dat hij christen werd, maar dat hij het exclusivistische christendom de wind in de zeilen gaf en binnen die radicale stroming ook nog sympathiseerde met de groep die meende dat er een orthodoxie was.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (2): Twee naturen”

Woestijnvader

ascese

Eerst even dit: ik ken de vertaler van Athanasius’ Antonius. Onsterfelijke icoon van de monnik, de Nijmeegse classicus Vincent Hunink, persoonlijk en heb met veel plezier met hem samengewerkt bij zijn vertaling van Velleius Paterculus’ Romeinse geschiedenis. Het boekje waarover ik nu schrijf drukte hij me in de hand toen ik hem laatst even bezocht op zijn werk. Hartelijk als hij is, gaf hij me ook nog Tacitus’ Historiën mee en de tekst van een oude toespraak. Ik sta dus bij hem in het krijt, en u moet me maar vertrouwen dat het niet om die reden is dat ik schrijf dat dit een leuk boekje is.

Athanasius van Alexandrië (295-373) is een van de invloedrijkste denkers uit het christendom, en dat kwam vooral door zijn stellingname in een destijds actuele discussie over de vraag of Christus wezensgelijk was aan God de Vader of wezensgelijkend. (Voor de context van die discussie verwijs ik naar dit en dat stukje.) Terwijl de hele christelijke wereld koos voor wezensgelijkendheid, hamerde Athanasius als enige op het eerste, wat ertoe leidde dat vier keizers hem vijf keer in ballingschap stuurden, voor in totaal zeventien jaar. “Athanasius tegen de wereld” werd de gevleugelde uitdrukking om aan te geven dat iemand onverzettelijk zijn waarheid bleef verdedigen – in Athanasius’ geval uiteindelijk met succes, al kwam het tegen een hoge prijs. Wat het voor iemand uit Alexandrië, hét intellectuele centrum van de Griekse wereld, betekende te worden verbannen naar een uithoek als Trier is niet overgeleverd.

Lees verder “Woestijnvader”