
Een leuke, problematische en terechte vraag, afgelopen donderdag bij de mail:
Waarom beperkt de oudheidkunde zich tot het gebied rond de Oriënt en Middellandse Zee en niet bijvoorbeeld India, China en Japan waar ook al heel lang geschreven geschiedenis bestaat?
Terechte vraag
Dat de vraag leuk is, spreekt vanzelf. Waarom ’ie terecht is, vertel ik zo meteen. Het problematische is de aanname dat oudheidkunde beperkt zou zijn tot Oriënt en Middellandse Zee. Dat is echter niet het geval. Neem de definitie van “Antiquity” op de Wikipedia:
Ancient history is a time period from the beginning of writing and recorded human history through late antiquity. The span of recorded history is roughly 5,000 years.
Als eindgrens presenteren de Wiki-auteurs “the expansion of Islam”, en daarna beschrijven ze de Oudheid op alle continenten. Wiki is in deze uitwerking niet uniek. Pak er maar een nummer bij van Archeologie Magazine. Of kijk eens in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel, waar de Mediterrane en Levantijnse wereld worden aangeboden met ook de andere culturen van de wereld, Paaseiland inbegrepen.noot Het kan ook niet anders. Het datagebrek waarmee oudheidkundigen kampen, dwingt ze hun netten breed uit te werpen.
Desondanks is de gestelde vraag terecht. De Nederlandse evenknie van het Brusselse museum is bijvoorbeeld ooit gesplitst in een Rijksmuseum van Oudheden en een Volkenkundig Museum (tegenwoordig Wereldmuseum). Nu zitten wij met de gebakken peren, want we bestuderen oude en niet-westerse culturen immers om dezelfde reden: ontdekken dat onze eigen opvattingen niet de enig denkbare zijn om zo onze eigen keuzes beter te begrijpen.
Ook is het aanbod aan de universiteit traditioneel nogal beperkt – daarover in het volgende blogje meer. En dan is er het gymnasium, waar het aloude Europese aanbod van talen die een geleerde behoorde te kennen (Latijn, Grieks, Hebreeuws) in de negentiende eeuw is beperkt tot Latijn en Grieks. De beperking van de oudheidkunde tot het Middellandse Zee-gebied is dus historisch gegroeid. Dat vormt echter geen rechtvaardiging. Wie erin berust, berust in onwetenschappelijkheid. Ik heb echter begrepen dat dat tegenwoordig geen bezwaar meer is.
Een eerste antwoord
Wat bewoog vroegere geleerden tot die inperking? Feitelijk: omdat ze een andere vraag stelden dan wij.
Vanouds hebben mensen zich afgevraagd waar de eigen groep vandaan komt, en in Europa is die vraag vanaf de Renaissance beantwoord door een beroep te doen op de joods-christelijke en de Romeinse traditie. Dat ik “joods-christelijk” schrijf is geen politieke correctheid. Van een werkelijk geschoold mens werd toen verwacht dat ’ie naast Latijn en Grieks ook Hebreeuws kende.
In de loop van de achttiende eeuw begon dat beeld te veranderen. Iemand als Winckelmann begon het Griekse verleden te benadrukken. Deze nieuwe, vooral op kunst gebaseerde visie op het Europese verleden is rond 1800 gesystematiseerd door Friedrich August Wolf en geïnstitutionaliseerd door de Pruisische onderwijshervormer Wilhelm von Humboldt (over wie in een toekomstig blogje nog eens meer). Dit was ook het moment waarop de joods-christelijke traditie naar de achtergrond begon te schuiven. De Zwitserse historicus Jacob Burckhardt schreef in Die Kultur der Renaissance in Italien (1867) dat tijdens de Renaissance een sluier van onwetendheid werd weggetrokken en meende dat de Grieks-Romeinse cultuur herleefde.
Wat is eigenlijk een erflater?
Ik vat het hierboven wat kort door de bocht samen, maar het komt er (nog korter door de bocht samengevat) op neer dat het beeld van joods-christelijk-Romeinse wortels voor de Europese cultuur veranderde in een beeld van Grieks-Romeinse wortels. Beide zijn beelden van hoe de eigen, West-Europese cultuur is ontstaan, en beide veronderstellen dat het latere voortkomt uit het eerdere.
Dat laatste is geen onzin, maar als je zegt dat de ene samenleving (de antieke) de andere samenleving (de hedendaagse) beïnvloedt, doe je een sociaalwetenschappelijke uitspraak over vormende werking, die je dus sociaalwetenschappelijk moet onderbouwen. Je kunt daarbij niet volstaan met trivialiteiten als dat het Amsterdamse Concertgebouw een klassieke façade heeft of dat Archimedes opduikt in een film over Indiana Jones, want zulke ontleningen vertellen slechts hoe latere samenlevingen reageerden op eerdere samenlevingen. De inzet is omgekeerd: het gaat er feitelijk om hoe eerdere samenlevingen invloed hadden op latere samenlevingen – en dus moet je
- structurerende elementen aanwijzen
- die in Griekenland of Rome zijn ontstaan,
- die niet tevens daarbuiten zijn ontstaan en
- die daarna in elke generatie documenteerbaar een rol hebben gespeeld.
Literaire inspiratie voldoet niet aan voorwaarde één, dat de wetenschap in Griekenland is ontstaan voldoet niet aan voorwaarde twee én voorwaarde drie, en dat “onze” democratie uit Athene komt is in strijd met voorwaarde vier. Kortom: het is zo makkelijk nog niet de wortels van onze cultuur in de Grieks-Romeinse Oudheid te zoeken.
Als we met het hedendaagse sociaalwetenschappelijk instrumentarium zoeken waar de wortels van de westerse cultuur liggen, krijgen we overigens heel andere antwoorden. Hier is een tabel uit mijn Vergeten erfenis.

U hoeft het met deze tabel niet eens te zijn. Het gaat om de vraag waarom de oudheidkunde zich nogal eens beperkt tot de Middellandse Zee en, als je mazzel hebt, de Oriënt. Dat mag dan historisch zo zijn gegroeid, het valt wetenschappelijk niet te onderbouwen. Reactionair als ik ben, vind ik dat we daarin niet mogen berusten. Gelukkig zijn er alternatieven.

Dank voor dit blog.
Het heeft mij altijd gestoord dat Europa zo als het middelpunt van de Aarde en de Geschiedenis wordt gezien en behandeld.
Er zijn meer oude culturen geweest op Aarde.
En dat beschrijf jij met dit blog.
Vriendelijke groet,
Dat iets historisch zo groeit is inderdaad geen rechtvaardiging, maar toch zal niemand musea fuseren of opleidingen hervormen. De institutionele belangen gaan steeds voor de inhoud.
Je moet eens kijken naar de raden van toezicht. Er zitten nooit onafhankelijke deskundigen in, het zijn altijd mensen die andere organisaties vertegenwoordigen. Die hebben heus wel kennis, maar pure, onzelfzuchtige deskundigen worden genegeerd.
Zo had ik het nog niet bekeken en ik denk dat je gelijk hebt.
“Reactionair als ik ben, vind ik dat we daarin niet mogen berusten. ”
Hoezo is dat nou weer reactionair?! Reactionairen willen terug naar een geïdealiseerd (en meestal denkbeeldig) verleden. Daar heb ik jou nooit op kunnen betrappen en berusten in een wetenschappelijk niet te onderbouwen standpunt is allesbehalve reactionair. Wetenschap streeft per definitie naar betere inzichten.
off topic: Is niet iedere reactie reactionair? 😄
Het is me ooit door een oud-docent aan de VU voorgehouden dat ik reactionair was en dat mijn oordeel genegeerd kon worden.
En laten we eerlijk zijn: het verlangen de wetenschap niet langer te organiseren zoals ze historisch is gegroeid, maar objectadequaat, is momenteel niet actueel. Zelfs WOinActie denkt niet na over de kwaliteit van de wetenschap. Dus ja, ik ben reactionair. Geuzennaam.
Docenten die sneren naar hun studenten, moeten op zoek naar ander werk.
In de 19de eeuw (met aanzet in de 18de) voegde nationalisme een derde pijler toe: de Keltisch-Germaanse. De ontsporing van het nationalisme en de verwevenheid met de romantiek (het mysterieuze, het wilde, het oeroude voor de beschavende invloed van Grieken en Romeinen) hebben deze pijler het aanzien van de andere twee ontzegd. We associëren de Keltisch- Germaanse erfenis zelden met hoogstaande principes van recht, literatuur of wetenschap, maar meer met volksgeloof, sagen, rituelen. De Edda en het Nibelungenlied spelen, als ze al niet onbekend zijn, voor velen enkele divisies lager dan Ilias of Aeneis.
De beperking van de oudheidkunde tot het Middellandse Zeegebied is een historisch gegroeide Europese keuze, geen wetenschappelijke noodzaak. Ze weerspiegelt de zoektocht naar Europese wortels en de inrichting van 19e-eeuwse universiteiten. Ze negeert echter de feitelijke werkelijkheid dat India, China en zelfs Japan in dezelfde periode complexe schriftculturen en staatssystemen ontwikkelden.
Vanuit een hedendaagse academische standaard is deze beperking onwetenschappelijk en achterhaald. Een ware oudheidkunde zou zich moeten uitstrekken tot alle regio’s waar de vroege beschavingen bloeiden. Alleen dan doet de discipline recht aan haar eigen definitie: het bestuderen van de eerste fase van geschreven menselijke geschiedenis wereldwijd.
Het is krek zo. En de feitelijke vraag is: waarom gebeurt er niet méér om dat te bereiken?
Misschien omdat het een beetje veel van het goede is. Je hebt het er vaak over dat opleidingen te kort zijn, maar als een historicus naast Griekenland en Rome ook nog eens Japan en China moet bestuderen gaan de opleidingen wel heel erg lang duren.
Daarin heb je gelijk, en de lengte van de opleiding is inderdaad een probleem. Maar je kunt beginnen het probleem te erkennen en eens met de relevante clubs rond te tafel te gaan zitten en te kijken of er iets aan te doen valt. Al is het maar een minimale aanpassing, bijv. dat je classici verplicht een maand antropologie te studeren en een boek over de “vroege staat” te lezen, opdat ze algemene patronen gaan herkennen en niet bang zijn voor de Han-Dynastie of de Sao-cultuur.
Dat is de perfecte oplossing niet; daar voor is herstel van zesjarige opleidingen verondersteld. Maar dan is tenminste het probleem erkend.
“Van een werkelijk geschoold mens werd toen verwacht dat ’ie naast Latijn en Grieks ook Hebreeuws kende.“ Dat laatste is voor mij verrassend, en zou wellicht enige toelichting of onderbouwing kunnen gebruiken?
Het Collegium Trilingue zette de toon. Het drietalig curriculum heeft tot de twintigste eeuw aan de theologische instellingen overleefd, maar was vrij standaard tot de Berlijnse universiteit ontstond, waar men profiteerde van de inzichten van de vroege Indo-Europeanistiek, en de Semitische en de Indo-Europese talen in verschillende afdelingen onderbracht.
Mijn oud-docent meneer D.M. Schenkeveld hoopte dat die drietaligheid nog eens terug zou komen, maar het is de afgelopen veertig jaar alleen maar verder uit zicht geraakt. Persoonlijk denk ik dat integratie van talige en archeologische vorming veel urgenter is, maar daarover kun je van mening verschillen.
Toen ik in de periode ’97-’98 af en toe naar de les ging op de Unief, schreef je je in voor Romaanse, Germaanse, Klassieke, Slavische… talen en koos je (behalve bij Klassieke) binnen die familie voor twee talen.
Nu mag je talen combineren uit de verschillende families. Er studeren dus mensen af die Latijn-Nederlands of Latijn-Frans volgen. Die keuzevrijheid kan je toejuichen, maar de echte classicus/classica wordt zeldzamer. Ik volg nu Latijn als derde taal en daar word ik blij van, maar het zal wel blijven knagen dat ik geen deftig Grieks kan lezen. Het voelt alsof je de huidige Nederlandse cultuur wil leren begrijpen maar geen Engels kent.