De ruimtelijke grenzen van de Oudheid (2)

Een Centraal-Aziatische muzikant voor zijn joert (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

In het vorige blogje vertelde ik, kort door de bocht, waarom de oudheidkunde zich nogal eens beperkt tot het Middellandse Zee-gebied, met op z’n best de Bronstijd van Voor-Azië en Egypte erbij. Ik legde uit dat het historisch zo is gegroeid omdat men de vraag stelde waar “onze” cultuur vandaan kwam. Dat Japan en Precolumbiaans Amerika in dit antwoord werden genegeerd, lag voor de hand. Ik legde ook uit dat wat historisch is gegroeid, daarmee niet is gerechtvaardigd. Het antwoord is immers niet wetenschappelijk te onderbouwen: West-Europeanen zijn, om zo te zeggen, breder geworteld dan in Griekenland en Rome.

Maatschappijtypen

De vraag naar het ontstaan van de eigen cultuur is vanzelfsprekend legitiem, maar we gaan er inmiddels anders mee om dan vroeger. Toen keken we hoe culturen van oud tot recent groeiden. Geschiedenis was ontstaansgeschiedenis. Je kunt echter ook kijken naar wat een gegeven maatschappij op een gegeven moment in potentie zou kunnen – denk aan het technologisch peil, handelsnetwerken, scholing… – en naar wat ze feitelijk doet. Geschiedenis is dan geen ontstaansgeschiedenis maar gaat over functioneren. Deze benadering impliceert dat je de bestudering van het verleden niet inricht naar ruimtelijk begrensde culturen als “Grieks”, “Egyptisch”, “Indisch” of “Chinees”, maar naar maatschappijtypen.

Deze benadering is vanzelfsprekend niet nieuw. Ze dateert uit de achttiende eeuw; ik blogde al eens over Turgot en De Condorcet. Sindsdien is ze uitgewerkt en hoewel er dwaalwegen zijn geweest, kan iedereen met vrucht kennisnemen van bijvoorbeeld Elman Service en Morton Fried. Ik blogde ook daar al eens over. Of kijk naar de praktijk van dit soort onderzoek: vergelijk het Romeinse Rijk met Han-China en kijk hoe imperia die in menig opzicht vergelijkbaar waren, verschillende keuzes maakten. In die keuzes toonden ze wie ze waren en dat kun je vergelijken met wie wij denken te zijn. Zo win je aan zelfinzicht.

Zo kan het dus ook. In Nederland heeft zo’n naar maatschappijtype verdeelde universitaire studie bestaan in Rotterdam. Aan de subfaculteit Maatschappijgeschiedenis kon samenkomen wat samen hoorde: de hellenistische filosofie met de Indische wijsbegeerte, of de gelijktijdigheid van verhaalmotieven in Arabië en Britannië. Waarom die subfaculteit niet meer in die vorm bestaat, weet ik niet, maar als iemand zou zeggen dat ze is gesneuveld toen de BaMa-structuur werd ingevoerd, zou ik het geloven.

Hyperspecialisme

Maar je hoeft natuurlijk geen nieuwe subfaculteit op te richten als je de Oudheid wil bekijken als maatschappijtype. Je kunt ook de bestaande structuren aanpassen. Voor minimaal twee van de drie wettelijke taken van de universiteit zou dat een verbetering zijn, namelijk voor het onderwijs en voor de overdracht. Wie studenten of geïnteresseerden de specifieke keuzes van bijvoorbeeld het Romeinse bestuur wil uitleggen, moet het imperium kunnen vergelijken met andere agrarische rijken. De docent en de wetenschapscommunicator zouden dus liever een verdeling hebben naar maatschappijtype dan de huidige organisatie naar culturen (hellenistisch, Egyptisch, Indisch…) die op hun beurt zijn gedefinieerd aan de hand van talen. Immers, een Griek uit de vijfde eeuw v.Chr. had meer gemeen met een Arameeër uit die tijd dan met een Byzantijnse Griek. De indeling naar culturen is bij onderwijs en overdracht onhandig, om niet te zeggen: contraproductief.

Voor de derde wettelijke taak ligt dat iets anders. De academici die bij onderwijs en overdracht wereldwijde generalisten behoren te zijn, worden bij het onderzoek specialisten. Het is menselijkerwijs immers lastig om zelfs voor een deelgebied als het Romeinse Rijk alle talen van Gallisch tot Aramees én het archeologisch materiaal van Ierland tot Irak te kennen. En zelfs wie al die subdisciplines zou beheersen, is nog onvoldoende gevormd voor de bestudering van de gehele Oudheid, van 3000 v.Chr. tot 650 na Chr.

Dat het menselijkerwijs moeilijk anders kan, wil niet zeggen dat het goed is. Ik denk dat academici inmiddels ook bij hun onderzoek de netten wereldwijd moeten werpen. Door de DNA-revolutie is de hermeneutische buitengrens weggevallen, waardoor we momenteel te maken hebben met een hermeneutische revolutie. U leest dat hier nog maar even na.

Inertie

Gelukkig veranderen dingen. De “wereldgeschiedenis” waar we de laatste tijd veel over horen is weliswaar niet de vernieuwing die ze claimen dat ze is, ja eigenlijk vieux jeu, maar is een stap in een goede richting. Nou ja, stapje. Voor zover mij bekend hebben de Nederlandse onderzoeksscholen nog nooit een plan gemaakt om te fuseren, opdat een archeoloog die zich bezighoudt met Romeinse badhuizen ook eens praat met iemand die de Chinese Liji bestudeert. Wat zo’n gek idee niet zou zijn, want het daarin vervatte advies elke vijf dagen te baden biedt een aanwijzing voor wat in een voorindustriële samenleving haalbare hygiëne was.

Het punt is: als we nu de universiteit zouden oprichten, opperde niemand om de oudheidkunde te verdelen over archeologische en talige studierichtingen, en dat we die weer moesten opdelen naar talig gedefinieerde cultuurgebieden. Nu zal ik de eerste zijn om te erkennen dat dit niet het urgentste probleem is aan de universiteit; lees hier meer. Maar niemand zet écht stappen om de universiteit te hervormen. De structuur van de wetenschap hindert de wetenschap, zeker bij de overdracht en het onderwijs en, volgens mij, inmiddels ook bij onderzoek.

U hoeft niet alles met me eens te zijn. Maar reactionair als ik ben, vind ik waarheid belangrijk. Dat betekent dat ik zou willen dat de wetenschap zich eens bevrijdde van verouderde disciplinaire grenzen; de grenzen van een wetenschappelijk vakgebied moeten wetenschappelijk (d.w.z.: objectadequaat) zijn. Ik wou dat we de broodnodige hervorming van de universiteit eindelijk eens agendeerden. En daaraan kunt u een bijdrage leveren: lees voor de komende verkiezingen eens de onderwijsparagrafen van de diverse politieke partijen, en laat dat uw stem bepalen.

PS 1

Toevallig was er ook een vraag over de temporele grenzen van de Oudheid. Daarover volgende maand meer.

PS 2

Ik heb de afgelopen negen maanden regelmatig over Libanon geblogd, omdat ik daarover een boek heb geschreven waarvan de opbrengst is bestemd voor Cordaid. Als u nog geen tabak hebt van het onderwerp en mij eens wil horen spreken, en als u woont in de Zaanstreek, kom dan aanstaande donderdagavond langs bij boekhandel Stumpel in Krommenie.

Deel dit:

13 gedachtes over “De ruimtelijke grenzen van de Oudheid (2)

  1. Frans Buijs

    Ik betwijfel of er politieke partijen zijn die de wetenschap zo grootschalig op de schop willen nemen. En zelfs als die er is moet je maar afwachten of die minister er wel vier jaar zit.
    En sinds het woord langstudeerboete is uitgevonden zal een studieduur van 6 jaar of meer er ook wel niet komen.
    Ik denk dat we blij mogen zijn als er niet nog meer bezuinigd wordt en er niet nog meer studierichtingen verdwijnen.

    1. FrankB

      We zullen moeten beginnen met het kleuter- en lager onderwijs. Dat is ook achteruitgegaan, wat direct doorwerkt op het vervolgonderwijs.

      1. Frans Buijs

        Helemaal waar. Als kinderen de basisschool verlaten en ze kunnen nied goet lese en schreife dan komt het met de wetenschap ook niet goed.

  2. Rob Alberts

    Jouw laatste alinea spreekt mij erg aan.
    Of er bij onze huidige politici tijd, aandacht is of inzichten zijn om hierover na te denken?
    Ik betwijfel het.

    Bezorgde groet,

  3. Merit

    ad FrankB: beginnen bij basisonderwijs.

    En ook het middelbaar onderwijs. Beheersing van het Frans, Duits, Engels, Latijn en Grieks was vroeger heel normaal voor toelating tot de universiteit. Thans kan men, als ik het wel heb, Egyptologie studeren, zonder het Frans te beheersen, hetgeen niet te begrijpen is voor een zo internationaal gerichte studie.

    1. Ben Spaans

      Ik zou het maar wel gaan begrijpen. Wat hier allemaal geopperd wordt is echt niet haalbaar meer. (Zo het dat ooit al was op grotere schaal.)

      Op anekdotisch niveau had ik een paar weken terug een gesprek met mijn nicht, die directrice is van een Vmbo-school in Zoetermeer. Alle geruchten over de erbarmelijke staat van het (middelbaar) onderwijs in Nederland zijn waar. Naar haar zeggen zouden (‘doorsnee’) VWO-leerlingen van nu de Meao van veertig-dertig jaar geleden niet meer aankunnen (genoemde directrice heeft zelf de Meao gedaan in haar schoolloopbaan overigens). Er is gewoon capaciteit meer voor, leraren tekort e.d.) Volgens haar blijven alleen categoriale Gymnasia nog een beetje ‘overeind’, zeg maar.

      1. Mijn vader had een MO-akte voor het middelbaar onderwijs en werd docent Nederlands. Hij kon gotisch lezen. Ik heb van een hedendaagse student Nederlands de vraag gehad wat gotisch was.

        Maar om niet met alle wolven in het bos mee te huilen: een hedendaagse student Nederlands kan met een computer omgaan en spreekt beter Engels dan mijn vader ooit heeft gedaan. Het is niet uitsluitend ellende.

  4. Ben Spaans

    Er is gewoon geen capaciteit meer voor….
    (Een correctiefunctie bij het plaatsen van reacties op dit webblog zou best een uitkomst zijn.)

  5. Dirk Zwysen

    Ik wilde Gotisch leren in mijn eerste jaar, maar mocht niet omdat het keuzevak enkel openstond voor tweedejaars die “al wat taalkundige bagage” hadden. Was ik het niet mee eens, na zes jaar Latijn-Grieks, maar niets aan te doen. Het jaar daarop werd de cursus niet meer ingericht. Ik ben er nog slechtgezind van.
    Latijn in het middelbaar vandaag is een lachertje tegenover wat wij kregen, zeiden onze leerkrachten in 1994 toen het Vlaamse onderwijs werd hervormd, zeggen de proffen aan de unief, zie ik zelf bij mijn tienerzoon. Zelfde verhaal voor Nederlands in de basisschool: de voorbije jaren (ik geef 17 jaar les) zijn de doelen voor taalbeschouwing enkel afgezwakt (over Frans, in Vlaanderen vanaf groep 7, kan je hetzelfde zeggen). Bovendien gaan sommige handboeken de mist in.
    We roeien op onze school koppig tegen de stroom in. Leerlingen kunnen echt wel meer aan. Dit jaar herwerk ik de lessen zinsbouw. De ervaring leert dat leerlingen echt wel een zin kunnen ontleden als je hen de juiste vragen leert stellen.
    Het tij lijkt te keren in Vlaanderen, al moeten we erover waken dat bij de noodzakelijke correctie de slinger niet doorslaat. Voor sterk onderwijs heb je degelijk opgeleide leerkrachten nodig met bagage maar in de lerarenopleiding zijn ze nog niet helemaal mee. Daar verliezen ze zich nog in groepswerkjes, eindeloze reflectieverslagen, hightech gadgets en didactisch geneuzel. Geef toch gewoon les, man. Vertel en teken, ondersteun en begeleid, verwonder en inspireer.
    Had ik al gezegd dat ik ook best reactionair ben?

Reacties zijn gesloten.