Voor-westerse geschiedenis (6) herders

Herders in de Zagros

Wie door het Midden-Oosten reist, stuit vroeg of laat onvermijdelijk op herders die hun kuddes verplaatsen van de zomer- naar de winterweiden en terug. Ze trekken daar wat meer de aandacht dan in Griekenland of Italië, hoewel ook daar nog altijd herders zijn die met geiten en runderen heen en weer trekken. In Spanje zijn de cañadas, de wegen waarlangs herders hun kuddes verweidden, niet meer wat ze zijn geweest, en dat geldt ook voor de drailles uit het zuiden van Frankrijk, maar de aloude levenswijze is niet verdwenen. Ik zag vorige maand ergens bij Murcia nog een verkeersbord dat automobilisten attendeerde op grote kuddes.

Ook in onze eigen contreien benutten boeren nog altijd winter- en zomerweides. Ik herinner me uit mijn Veluwse jeugd dat de koeien met vrachtwagens naar Friesland gingen. De winter- en zomerweiden hoeven overigens niet zo ver uit elkaar te liggen: in Zwitserland bestaat Almwirtschaft, waarbij de kuddes van het dal naar – je raadt het nooit – de alm worden verplaatst. En weer terug natuurlijk. Het moge duidelijk zijn: veeteelt beperkt zich niet tot ’n grasveldje met wat prikkeldraad erom.

De marginale herder

Het verplaatsen van kuddes is iets van alle tijden, maar oudheidkundigen hebben er lange tijd onvoldoende aandacht aan besteed. De jargonterm is transhumance, maar u mag ook gewoon verweiding zeggen. De betrekkelijk geringe belangstelling hangt ermee samen dat de echte herder – in tegenstelling tot de geïdealiseerde herder van de poëzie – vrijwel afwezig is in de antieke literatuur en bovendien archeologisch vrijwel niet is te vinden. De seizoensmigratie tussen de Scheldevallei en Drenthe is bijvoorbeeld bekend uit één terloopse vermelding in een laatantieke bron plus wat eenvoudig, in België opgegraven aardewerk, vervaardigd van Hunzeklei. Maar het documenteert de permanente onderstroom van kuddes, mensen en ideeën die er altijd is geweest.

Xavier De Cock, “De Meersstraat in Gent” (1862) (Museum voor Schone Kunsten, Gent)

Herders waren marginaal. Niet alleen omdat ze voor oudheidkundigen slecht zichtbaar zijn, maar ook omdat ze leefden in de marge van de oude wereld. Zelfs als ze hun kudden niet verplaatsten tussen zomer- en winterweiden, leefden ze ver buiten het dorp, op de braakliggende gronden en verder, op de heide of in de bergen. Ze leefden met hun trouwe honden in een deel van de wereld waar beren, leeuwen, zwijnen en andere wilde dieren voorkwamen – dieren die ze overigens succesvol bestreden. Ter illustratie noem  ik verhalen als dat van Herakles en de Nemeïsche Leeuw of dat van de Kalydonische Jacht.

Levend op de marginale gronden buiten de steden en dorpen, waren de herders ook sociaal marginaal. In het antieke wereldbeeld golden de stedelingen en de akkerbouwers als beschaafd en golden de zwervende veetelers als barbaars. Erger dan dat: omdat herders – als ze dorpelingen waren – de nacht niet thuis doorbrachten, konden ze hun echtgenotes en dochters niet beschermen en waren ze eerloos (net als karavaandrijvers en zeelieden). Herders golden zelfs als dieven, omdat ze hun kuddes weleens leidden over andermans land. Vanuit dit perspectief bezien had Kaïn gelijk toen hij Abel de kop insloeg. Ook Kaïns straf is gepast: God veroordeelt hem tot het zwerversbestaan waar elke landbouwer van gruwde.

Op een cañada (Plaza de España, Sevilla)

Seizoensmigratie en nomadisme

De herder mocht dan wel bij zijn kudde leven aan de marge van de gemeenschap, dorpelingen en stedelingen hadden zijn producten nodig: zuivel, wol, vlees, huiden. Omgekeerd kon de herder niet zonder brood, linnen, keramiek, wijn of muntgeld. De met het seizoen migrerende herder en de sedentaire akkerbouwer hadden dus complementaire levenswijzen. Feitelijk is er arbeidsdeling.

Dat geldt overigens niet voor alle migraties. De zojuist beschreven levenswijze is vooral goed gedocumenteerd aan de west-, noord, en oostzijde van de voor-westerse wereld, waar, zoals gezegd, bergen het landschap domineren. Aan de zuidelijke kant, waar het land meer open en, zoals gezegd, door de dominante winden heel erg droog is, bestaat een andere vorm van seizoensmigratie, waarbij geen arbeidsdeling bestaat en de hele samenleving heen en weer beweegt. Dat is nomadisme: mannen, vrouwen, kinderen, dromedarissen en kuddes bewegen dan over veel grotere afstanden. Nomadisme bestond en bestaat verder in Centraal-Eurazië, waar mensen nog steeds leven in yurts.

Deur van een Afghaanse yurt (Antropologisch Museum, Madrid)

De Franse historicus Fernand Braudel, wiens boek La Méditerranée me op weg helpt bij deze reeks, benadrukte dat het nomadisme dat we aantreffen tussen het Egyptische Alexandrië en het Tunesische Sfax, en dus ook in Centraal-Eurazië, een heel andere leefwijze is dan de verweiding uit Europa en Voor-Azië. Evengoed is het een oeroude levenswijze, die belangrijk is omdat niet alleen kuddes en mensen zich verplaatsten, maar ook ideeën. Oudheidkundigen houden inmiddels veel serieuzer dan vroeger rekening met denkbeelden die zijn gedocumenteerd in andere regio’s dan de door hen bestudeerde regio – dat is wat op het spel staat in de DNA-revolutie.

[Een overzicht van de blogjes in deze reeks groeit hier.]

Deel dit:

9 gedachtes over “Voor-westerse geschiedenis (6) herders

  1. Kleine reclame: deze maand in De Groene Amsterdammer filmclub: Winter Nomads, een documentaire over een berger en een bergère met hun 800 schapen in een winters landschap boven het Meer van Genève. Een totaal anders ‘Zwitsersleven’. Voor abonnees uiteraard.

  2. Saskia Sluiter

    Dank je wel voor weer zo’n fijn stuk. En dan dat schitterende detail: een klopper op de Yurtdeur! Ik neem althans aan dat het een klopper is.

    1. Aan die Yurtdeur zit ook honderden uren houtsnijwerk. Dat kan alleen maar als mensen enorm veel vrije tijd hadden, en dat zou bij herders best wel eens het geval geweest kunnen zijn. Houtsnijwerk was uiteraard niet hun enige vrijetijdsbesteding.

  3. Dirk Zwysen

    Vandaag in De Standaard een artikel over de relaties tussen jager-verzamelaars en landbouwers in deze streken. Conclusie: niets nieuws, maar bevestiging dat ze lang naast elkaar leefden: de boeren in het vruchtbare binnenland, de verzamelaars bijvoorbeeld aan de kust (minder nomadisch dan ze soms nog worden voorgesteld). Het lijkt erop dat verzamelaars regelmatig met boerendochters huwden, als we die relatie zo mogen omschrijven.

    1. FrankB

      Mijn dank. De voormalige kwaliteitskrant Trouw bracht hetzelfde nieuws. In de eerste alinea wat het meteen raak: ” traditionele denkkader van een ‘neolitische revolutie’, waarbij landbouw zich als een razende verspreidde”. Dat werd uiteraard volledig omgegooid.
      Nou ben ik inderdaad met dat denkkader opgegroeid. Bovendien heeft JonaL het vaak over de DNA-revolutie. Dus zou het ….? Aan de andere kant heeft hij me ook grondig getraind dergelijk sensationeel taalgebruik te wantrouwen. Terecht, zo maakt u duidelijk.

    2. Ja, die indruk heb ik ook: wat niet ter discussie stond omdat het al bekend was, is nu bevestigd. Nieuw is de methode ook al niet. Het oogt als zoiets dat archeologen naar buiten brengen omdat ze exposure willen hebben, en journalisten die het niet kunnen of willen controleren.

  4. In de bijbel is er voortdurend een tegenstelling tussen herders en landbouwers. En steeds zijn de herders de goeden en de landbouwers de slechten, vanaf Kain en Abel.
    De voorgangers in de christelijke gemeente worden nog steeds als herder en leraar, cq pasto(o)r aangeduid en de gemeente als de kudde. Veel theologen hebben daarin vaak gezien dat de christelijke boodschap de omverwerping van de gangbare waarden inhield. Maar die hebben niet veel voet aan de grond gekregen in de kerken die onderworpen waren aan de wereldse overheid (orthodoxen. lutheranen) of het met die overheid op een akkoordje gooiden (katholieken).

Reacties zijn gesloten.