Voor-westerse geschiedenis (6) herders

Herders in de Zagros

Wie door het Midden-Oosten reist, stuit vroeg of laat onvermijdelijk op herders die hun kuddes verplaatsen van de zomer- naar de winterweiden en terug. Ze trekken daar wat meer de aandacht dan in Griekenland of Italië, hoewel ook daar nog altijd herders zijn die met geiten en runderen heen en weer trekken. In Spanje zijn de cañadas, de wegen waarlangs herders hun kuddes verweidden, niet meer wat ze zijn geweest, en dat geldt ook voor de drailles uit het zuiden van Frankrijk, maar de aloude levenswijze is niet verdwenen. Ik zag vorige maand ergens bij Murcia nog een verkeersbord dat automobilisten attendeerde op grote kuddes.

Ook in onze eigen contreien benutten boeren nog altijd winter- en zomerweides. Ik herinner me uit mijn Veluwse jeugd dat de koeien met vrachtwagens naar Friesland gingen. De winter- en zomerweiden hoeven overigens niet zo ver uit elkaar te liggen: in Zwitserland bestaat Almwirtschaft, waarbij de kuddes van het dal naar – je raadt het nooit – de alm worden verplaatst. En weer terug natuurlijk. Het moge duidelijk zijn: veeteelt beperkt zich niet tot ’n grasveldje met wat prikkeldraad erom.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (6) herders”

De opstand van Tacfarinas (1)

Ruiter uit een nomadenvolk (Museum Bani Walid)

Het simpele verhaal eerst: Tacfarinas was een Numidische plattelandsrebel die het tijdens de regering van keizer Tiberius opnam tegen de Romeinse legers. Zulke opstanden zijn overal gedocumenteerd waar de Romeinen de macht overnamen. Dat was het simpele verhaal. Nu de iets complexere betekenis. Je kunt zulke gebeurtenissen op verschillende manieren interpreteren, bijvoorbeeld als een vorm van verzet tegen een vreemde overweldiger, of als protest tegen een te geringe mogelijkheid om te profiteren van de kansen die de Romeinse wereld bood, of een combinatie van deze twee motieven, of nog anders.

Perspectiefwisselingen

Het kan nog iets complexer. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog veranderde de westerse visie op Griekenland en Rome. Tot dan toe had men de verspreiding van de klassieke cultuur beschouwd als iets goeds. Een veroveraar als Alexander de Grote of een imperialistische mogendheid als Rome bracht de verslagen bevolking naar een hoger cultureel plan. Na de Dekolonisatie keerde het perspectief om: Alexander gold als een massamoordenaar en de Romeinen stonden vijandig tegenover de lokale culturen.

Lees verder “De opstand van Tacfarinas (1)”

Romeinse villa’s in Limburg

Detail van een muurschildering uit de villa bij Maasbracht (Limburgs Museum, Venlo)

Het is een gemeenplaats dat het Romeinse Rijk een agrarische wereld was. Je kunt als vuistregel nemen dat negen boeren het eten produceerden voor tien mensen. Als we optimistisch zijn, waren tijdens het Romeins Klimaatoptimum acht boeren genoeg. In een zó agrarische samenleving hebben ook degenen die nooit ploegden en nooit met een kudde op pad gingen, een vanzelfsprekende boerenmentaliteit. Een schatrijke Romeinse senator als Plinius de Jongere stelde groot belang in het verwerven van de juiste gronden en het aantrekken van de juiste pachters. Zelfs de aanleg van een siertuin had zijn aandacht. (Vincent Hunink verzamelde Plinius’ teksten over het landelijk leven in een boekje dat Mijn landhuizen heet. Ik schreef er al eens over.)

Wat is een villa?

Dit betrof dus de landhuizen van iemand aan de top van de maatschappelijke elite van het oude Italië. We noemen die landhuizen vaak villa’s, maar dat is een onhandige term. Het Latijnse woord heeft namelijk de betekenis van “exploitatie-eenheid” en slaat niet zelden op betrekkelijk kleine bedrijven. Bovendien denken wij, eentwintigste-eeuwers, bij een villa aan een rustiek gelegen buitenhuis of een bungalow met een grote tuin. In de Oudheid gaat het toch meer om plantages waar slaven en deelpachters hard werkten om voldoende te produceren. Naast het bedrijfsgedeelte, de pars rustica, was er een woongedeelte, de pars urbana, doorgaans simpel.

Lees verder “Romeinse villa’s in Limburg”

Roots of Routes

Enkele jaren geleden heeft de Duitse overheid tien universiteiten het predicaat excellent verleend. De overheid wilde daarmee zorgen dat de wetenschap in Duitsland tot de wereldtop zou blijven behoren. De universiteiten moesten daar natuurlijk iets voor terug doen. Want het ging niet alleen om een titel, maar ook om extra geld en dus meer promovendi voor nieuw onderzoek. Daarnaast werden interdisciplinaire Clusters of Excellence (zoals het in de Engelse tekst heet) opgericht. Zo heeft de Universiteit van Kiel met zijn twintig duizend studenten een cluster, Roots genaamd, met voor die onderzoeksgroep vergelijkbare voordelen als de excellente universiteiten. Met dit cluster is Kiel een belangrijk centrum voor archeologische onderzoek in Duitsland geworden. Ik geloof niet dat zoiets in het huidige Nederland mogelijk zou zijn. Het cluster houdt zich bezig met:

(…) the reconstruction of past societies. Connectiveness of individuals and groups, of people and the environment, of events, processes and structures are being investigated from an archaeological and historical perspective. (…). The underlying hypothesis – the more that people are connected, the lower the potential for conflict – was the starting point.

Lees verder “Roots of Routes”

Romeinse landbouw

Een “vallus”, Gallische oogstmachine (Institut archéologique, Arlon)

Toen Umberto Eco het manuscript van De naam van de roos naar een uitgever bracht, zei die dat het een prachtboek was maar dat het begin te lang was. Het verhaal kwam te traag op gang. Eco schijnt te hebben gezegd dat hij wilde dat de lezer aan het ritme van de Middeleeuwen gewend raakte. Het lijkt me eerlijk gezegd wat overdreven dat je zo meer van een roman zou genieten. Maar toch. Het is ook niet helemáál onzinnig dat je, als je je bezighoudt met een onderwerp, een soort gevoel moet hebben voor het ritme, de natuur, de omgangsvormen, de vanzelfsprekendheden.

Boerderijstage

De ideale oudheidkundige heeft een tijdje op een boerderij gewerkt. Hij weet wat het is om door de dieren en de seizoenen een ritme opgelegd te krijgen. Hij herkent dat het onvermijdelijk is kuddes te verweiden – en wat dit betekent voor de verspreiding van informatie. Hij weet wat het betekent als de oogst mislukt en begrijpt dat je, om je risico’s te spreiden, het liefst velden gebruikt aan twee zijden van een heuvel. Hij begrijpt wat het is om, totdat je tot de aarde terugkeert, te moeten zweten voor het brood.

Lees verder “Romeinse landbouw”

“Naar alle kanten het Rijk vergroot” (3)

De limes in Libië (Bu Njem)

[Vandaag het derde van vier blogs over de veldtochten van keizer Septimius Severus (r.193-211), die het Romeinse Rijk bracht tot zijn grootste omvang. Dat dit onder Trajanus zou zijn gebeurd is vooral propaganda van Mussolini. Het eerste deel is hier.]

Weinig lezers zullen destijds hebben vermoed dat achter de vage aanduiding dat Severus “Naar alle kanten het Rijk vergroot” ook een overwinning in het huidige Libië schuilging. Toch was dit waarschijnlijk het succes dat de keizer het meest na aan het hart lag en dat de meest duurzame gevolgen heeft gehad.

Lucius Septimius Severus was geboren in Lepcis Magna, een van de havensteden waaraan de Tripolitana, het “Driestedenland”, zijn naam dankt. In het achterland werden graan en olijven verbouwd en nog wat verder naar het zuiden begon een gebied waar de Garamanten met hun kuddes heen en weer trokken. ’s Winters en in de lente verbleven deze nomaden in de oases in het binnenland, maar aan het einde van de zomer verweidden ze hun kuddes naar de kuststrook, waar ze de boeren hielpen bij de olijfoogst. De meegenomen dromedarissen deden dienst als trekdier bij het ploegen en ook de achtergelaten mest kwam van pas. Er was tijd voor handel. Zuivel en vlees werden geruild tegen graan en olie. Met ivoor, goud en andere artikelen uit Centraal-Afrika werden de producten van de stedelijke ambachtslieden betaald.

Lees verder ““Naar alle kanten het Rijk vergroot” (3)”

De seizoenscyclus

Reconstructie van een Romeins dorp (Prehistorisch Dorp, Eindhoven)

Vorige week wandelde ik over de markt van Apeldoorn, waar sinds mijn jeugd werkelijk niets is veranderd. In een nostalgische opwelling kocht ik een brok balkenbrij. Ik had het de afgelopen vijfendertig jaar, toen ik in Amsterdam woonde, één keer klaargemaakt en het smaakte toen niet heel bijzonder. Dit keer was ik echter succesvoller bij het bakken van dit seizoensgerecht.

Ineens vroeg ik me af hoe het nu eigenlijk zat met al die seizoensgerechten. In onze tijd is vrijwel alles het hele jaar door te koop, maar dat is weleens anders geweest. Kortom, ik heb de seizoenscyclus eens uitgezocht. Hoe leefden Romeinse boeren in Nederland? Voor verbeteringen staan de commentaarsectie open.

Lees verder “De seizoenscyclus”

De Skythen (1)

Een Skythische boogschutter op een Griekse vaasschildering (Louvre, Parijs)

Het is pas op blz.311 in zijn vorig jaar verschenen boek The Scythians. Nomad Warriors of the Steppe dat de door mij bewonderde Britse oudheidkundige Barry Cunliffe het punt maakt waar ik op zat te wachten. Het is wat lyrisch geformuleerd maar belangrijk:

The wide expanse of steppe flowing through Eurasia, with its grey-green horizons receding in the distance and its shimmer as the wind rustles the grass, challenges everyone to be on the move. Like the sea, it is a world where nothing can stay still and, like the sea, it sweeps everything onward. For millennia people have progressed through the steppe, sometimes in repeating patterns of transhumance and sometimes with astonishing speed, crossing huge distances to seek out new pastures. The Scythians occupy only one small part of the grand narrative.

Skythen en andere nomaden

De golven van de zee zijn de perfecte metafoor. Ze bewegen op en neer, vormen samen een enorme stroming en verplaatsen grote watermassa’s over enorme afstanden. Steppenomaden bewegen met de jaargetijden van zomer- naar winterweiden, clusteren samen onder leiding van deze of gene charismatische leider – een Attila de Hun, een Djengis Khan, een Timoer Lenk – en vormen een volk, verplaatsen zich van het oosten naar het westen, vallen weer uiteen en herclusteren dan weer als er een nieuwe leider opstaat. Het geldt ook voor de Indo-Europeanen, voor de Kimmeriërs, voor de Skythen, voor de Sarmaten, voor de Kushana’s, voor de Alanen, voor de Hunnen, voor de Avaren, voor de Turken, voor de Bulgaren, voor de Khazaren, voor de Magyaren, voor de Tataren, Mongolen, Kozakken, Oezbeken. Seizoensmigratie van veetelers, krijgers te paard, steeds weer trekkend van de droge steppe van Manchurije naar het wat vochtiger Oekraïne, Roemenië en Hongarije. De Skythen vormden maar één hoofdstuk in het grote verhaal, één golf in een zee van migrerende steppenomaden.

Lees verder “De Skythen (1)”

Van heinde en verre

Mozaïek van een karavaan uit Bosra in Syrië (in het plaatselijke museum, hopelijk nog steeds). In de Romeinse tijd kwamen dromedarissen ook voor in de Lage Landen. (in het plaatselijke musea, hopelijk nog steeds)

Van heinde en verre: de Week van de Klassieken is gewijd aan migratie. Dat onderwerp kwam ook aan bod bij de Nationale Archeologiedagen, terwijl vorig jaar mobiliteit het thema was van de Romeinenweek. Dat is natuurlijk geen toeval.  Het is een van de meest opvallende trekken van de menselijke soort dat ze beweeglijk is. Tienduizenden jaren geleden heeft de soort zijn oorspronkelijke habitat in Afrika verlaten en sindsdien is hij via het Arabische Schiereiland uitgewaaierd naar de rest van de wereld, naar de maan en binnenkort naar Mars. Als we ooit besluiten dat we als homo niet zo sapiens zijn, dan kunnen we altijd nog besluiten dat we homo migrans zijn.

In de Oudheid was het niet anders en dan bedoel ik niet – of niet alleen – dat grote groepen vanuit Griekenland en Italië uitzwermden om zich te vestigen in nieuwe steden en in Romeinse volksplantingen rond de Middellandse Zee. Ook hier in de Lage Landen waren de bewoners mobiel. U weet wel, de Bataven kwamen de Rijn afzakken. De dichter Claudianus vermeldt Belgische boeren die hun kuddes lieten verweiden in het Overrijnse. Ik heb weleens geblogd over aardewerk dat bij Kontich, ten zuiden van Antwerpen, is opgegraven en dat bleek te zijn gemaakt van klei uit Drente. Eén van de beroemdste verhalen over de Friezen, dat van Verritus en Malorix, begint met een volksverhuizinkje. Dat alles was allemaal allang bekend, maar mobiliteit is de laatste tijd nogal in de mode. En dat komt uiteraard door de DNA-revolutie.

Lees verder “Van heinde en verre”

Kantelberg

Ceres. Dit is geen asteroïde maar een planetoïde.

Of Engels een mooie taal is, tja. Natuurlijk frons ook ik mijn wenkbrauwen omdat in die taal werkwoorden voor geslachtsgemeenschap met een lijdend voorwerp gaan (“to shag a person”) terwijl je in het Nederlands vrijt met een medewerkend voorwerp. Ik heb desondanks geen hekel aan de taal van onze westerburen. Toch voel ik me wat onbehaaglijk als ik een Engels woord hoor gebruiken waar onze eigen taal een woord heeft dat de zaken beter uitdrukt. Zo’n klein planeetje heet “planetoïde” en geen “asteroïde”. Niet dat ik denk dat met dat laatste woord, dat “stergelijkend” betekent, grote ongelukken gebeuren, maar om nou te zeggen dat het duidelijk is…

Meer verwarring: ik was niet de enige die vorige week opkeek van een persbericht van de Universiteit Leiden waarin de Enkelgraf- ofwel Touwbekercultuur werd aangeduid als “Corded Ware”. Een moment lang denk je dan dat je iets hebt gemist, tot je je realiseert dat het gewoon een oude bekende is uit de Prehistorie. Nog een voorbeeld, gelukkig volkomen onschuldig: de koeien gaan in de lente van de stal naar de weide en daarvandaan naar de zomerweide. Het elegante Nederlandse woord daarvoor – de boer is de dieren aan het “verweiden” – heb ik al zeker vijfendertig jaar niet gehoord. Ik hoor weleens praten over “transhumance” en of mijn filterbubbel in dit opzicht representatief is, dat weet ik niet. Wat ik weer wel weet, is dat ik het Nederlandse woord weleens heb moeten uitleggen.

Lees verder “Kantelberg”