[Volgens de propagandisten zou Rome in de vroege keizertijd een stad van marmer zijn geweest, maar de werkelijkheid was anders. Dit is het tweede deel van een vijfdelige reeks over armoede en extreme armoede. Het eerste deel was hier.]
Plebs frumentaria
Het plebs frumentaria (ook wel plebs togata genoemd) onderhield banden met de elite dankzij het clientela-systeem. Dat systeem kwam erop neer dat een cliens bescherming genoot van een patronus, in ruil voor wederdiensten. Wie niet representatief was en geen tegenprestatie kon leveren, moest zichzelf redden. Het plebs frumentaria kwam in aanmerking voor verstrekkingen van graan, door de staat ter beschikking gesteld.
Na afloop van een jachtpartij in het amfitheater worden de kadavers geruimd. Eén beer geeft zich nog niet gewonnen. Dit reliëf komt uit Kibyra en is nu in de Archeologische Musea van Istanbul.
Even ten oosten van Wenen ligt Carnuntum. Een Romeinse legioenbasis zoals er wel meer zijn: een groot fort, een rivierhaven, een stad ernaast, een residentie voor een bestuurder, heiligdommen. Het Veertiende Legioen Gemina, hier gestationeerd, had het allemaal. En wat zo aardig is: het is nauwelijks overbouwd, zodat de plek een archeologische vindplaats hors catégorie is.
Momenteel doen bioarcheologen onderzoek naar het amfitheater bij het fort, waar de botten zijn gevonden van de dieren die daar in de Late Oudheid in de arena zijn omgebracht. U denkt nu aan leeuwen, maar daarvan zijn geen resten gevonden. De archeologen hebben wel een door honden aangevreten panterbot aangetroffen, maar het is onduidelijk of de panter het in de arena heeft moeten opnemen tegen wilde honden of wolven, of dat het kadaver voor de honden is geworpen. Was de panter een exoot, de rest van de dieren was inheems: beren, herten, wolven, bizons en wat everzwijnen. Na de jachtpartijen in de arena gingen ze allemaal naar de slager, die het vlees verkocht en de botten dumpte. Zie het plaatje hierboven.
De slager slachtte verder varkens (daarover binnenkort meer), schapen, paarden, ezels, kippen, ganzen, hazen en een enkele geit. De opgravers vonden ook visgraten en de botjes van raven, kraaien en kauwen. Kortom, afgezien van de panter waren het allemaal inheemse dieren, wat misschien een aanwijzing is voor de regionalisering van de Romeinse economie in de Late Oudheid. Er was echter nóg een exoot.
Ik denk dat het in 1943 is geweest. Mijn vader had een slagerij in Lochem in de Achterhoek en “de fabriek” (zo noemde wij altijd de heel grote werkplaats achter ons huis) was voor driekwart door de Duitsers gevorderd. Daar kwamen soldaten om bijvoorbeeld worst te maken maken. Dat konden ze heel goed.
Als kinderen liepen wij er in en uit, want als ze daar bezig waren, kregen we van die jongens wel eens iets lekkers, zoals een stukje gekookte tong of nier. We vonden dat heerlijk, ook als ze tongenworst of nierbrood aan het maken waren.
De leider van dat stel was een zekere heer Schneider. Hij liep nooit in uniform en was tegen mij altijd heel aardig. Toen ik ziek was, en dat gebeurde in die tijd weleens, moest ik van de huisarts extra suiker eten. Je kon daarvoor extra rantsoenbonnen krijgen maar mijn ouders hebben daar nooit gebruik van gemaakt, want wij hadden het redelijk goed in die periode. Ik heb dat in mijn kinderlijke onschuld aan meneer Schneider verteld en wat gebeurde? De goede man, want hij was gewoon een goede Duitser, bracht elke keer een klein zakje snoepjes voor mij mee. Mijn moeder was heel gereserveerd in deze. Dat is natuurlijk ook te begrijpen. Ik mocht het aannemen, maar er met niemand over praten. Dat kon je in de oorlog ook beter niet doen.
Het slachten van varkens in de winter was in elke voorindustriële samenleving belangrijk: dit detail van Breughels “Volkstelling in Betlehem” kan zó worden toegepast op de situatie in het antieke Rome.
Het is al heel lang bekend: als de mensheid nog toekomst wil hebben, zullen we in het rijke noorden een stap terug moeten doen. Vleesconsumptie zal zeldzaam worden. (Ironie: ik schrijf deze woorden net nadat ik een stuk kip in de oven heb gezet.) Minder vlees is ook niet zó heel erg, want het is eigenlijk een nogal inefficiënt voedingsmiddel. Als iemand van alleen vlees en zuivel zou moeten leven, is twee-en-een-half voetbalveld nodig om hem te voeden, terwijl een even grote akker met graan twaalf mensen kan voeden.
In het Romeinse Rijk, met zijn onderontwikkelde economie, was vlees dus zeldzaam. Mensen aten vooral graanproducten, met als gezonde aanvullingen de vruchten van de wijnrank en de olijfboom. Plus natuurlijk nog wat fruit. Als een gewone Romein al vlees at, zal het zijn gegaan om spek, lever, haas, ham en andere delen van de varkens die in de wintermaanden werden geslacht. Als je bedenkt dat deze dieren afval eten, is het niet zo vreemd dat bijna de helft van alle bekende amuletten betrekking heeft op maagkramp. De Romeinen legden dit verband overigens niet.
Toen ik nog maar net geschiedenis studeerde, adviseerde een docent me om niet teveel te kijken naar de grote lijnen maar me ook te verdiepen in de details. Als voorbeeld noemde hij de herkomst van de koperen spijkers die werden gebruikt bij de bouw van VOC-schepen. Dertig jaar later weet ik nog steeds niet of het een verstandige raad was – of beter: ik heb ontdekt dat er veel te weinig syntheses zijn en veel te veel detailstudies. Je wordt echt niet vrolijk van een studie over akkerbouw in Romeins Portugal of een artikel over het bioscoopbezoek in Alkmaar (1912-1939).
Dat neemt niet weg dat ik kan genieten van boeken over betrekkelijk “kleine” onderwerpen, zoals Job van Schaiks biografie van de Groningse hardloper Louwe Huizenga. Eigenlijk moet ik zeggen dat het een Drentse slager was, want ’s mans atletische successen duurden maar kort – van de zomer van 1915 tot het najaar van 1918 – en het grootste deel van zijn leven werkte hij in Ruinerwold, bij Meppel, waar hij een slagerswinkel had.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.