Een krijger en een wolfkrijger (Viking-helmbeslag; Zweeds Historisch Museum, Stockholm
Ik heb al eerder geschreven over middeleeuwse weerwolven en ga daarmee nu verder.
Nennius was een negende-eeuwse monnik die een geschiedenis van Brittannië schreef: Historia Brittonum. Hij stelde hierin dat de Britten afstammen van Brutus, een nazaat van Aeneas van Troje. Zijn boek is bovendien de oudste bron waarin koning Arthur voorkomt. Maar daar gaat het ons niet om, er komen ook weerwolven in voor! En wel in het hoofdstuk over de wonderbaarlijkheden van Brittannië:
[Dit is het laatste van drie gastblogs door Dieter Verhofstadt over de Karolingische prinses Gisela. Het eerste was hier.]
Het nageslacht van Gisela
Anders dan haar moeder Judith van Beieren, lijkt Gisela geen actieve macht uitgeoefend te hebben aan de hoven van haar man of broer. Haar broer Karel de Kale was een dominante en eigengereide heerser, haar man Eberhard van Friuli een dienstbare militair. Oorzaak of gevolg, de ambities van Eberhard en Gisela situeerden zich kennelijk vooral in de religieuze sfeer. Of zij informeel toch enige invloed had, weten we niet.
Ondanks al die vrome godsdienst, bracht het huwelijk van Eberhard en Gisela twee nieuwe dynastieën voort, die met wisselend succes delen van het rijk zouden claimen.
Ik liet u in de vorige aflevering van dit narcistische winterfeuilleton gistermiddag achter op het station in Málaga, in de hoop dat we fors vertraagd om half drie zouden vertrekken naar Córdoba. Dat gebeurde inderdaad, maar na 500 meter stopte de trein, en na twee uur stilstand reed hij terug naar het station. Dat was niet naar de zin van de eveneens aanwezige Feyenoordsupporters. “Kankerland”, herhaalde een zo’n fan luidkeels, en zo klonk er meer. Niet handig, als de politie op scherp staat voor een risicowedstrijd. Toen we de trein verlieten, moesten we onze legitimatie tonen en haalde de politie supporters uit de mensenmassa. Toen een andere trein ons later naar Córdoba reed, ontbrak in onze coupé de Feyenoordaanhang.
Een snelle wandeling
We hadden, achteraf bezien, vijf uur langer kunnen doorbrengen in Málaga, maar goed: we zijn aangekomen in Córdoba, ooit de hoofdstad van het gelijknamige emiraat. Mijn vriendin was er al eens met haar zus geweest en ook voor mij is de stad niet nieuw – zie dit blogje.
Schijf met manichese motieven (Wereldmuseum, Leiden)
Het manicheïsme is een verdwenen godsdienst uit de Late Oudheid. De stichter was de Mesopotamische profeet Mani (216-274 na Chr.), die onderwees dat het universum was verdeeld in twee strijdige kampen, de kwade materiële wereld (“de Duisternis”) en de goede wereld van de geest (“het Licht”). Dit dualisme deelde het manicheïsme met het Perzische zoroastrisme. Daarnaast accepteerde het elementen uit het neoplatonisme, het rabbijnse jodendom, de gnosis, de hellenistische godsdiensten van Mesopotamië en het vroege christendom. Mani beschouwde zich als de Pleitbezorger (Parakleet) die in het Johannes-evangelie wordt aangekondigd.nootJohannes 14.16. Mani kende ook de Indische godsdiensten en er zijn in de manichese geschriften ook boeddhistische elementen aan te wijzen.
Van Mani naar China
Het manicheïsme ontstond in het nog jonge Sassanidische Rijk, geregeerd door een dynastie die als voorvader een belangrijke priester van Anahita had. De eerste koningen waren geen scherpslijpers en kunnen Mani’s opvattingen, die een synthese vormden van alle binnen het rijk bestaande ideeën, hebben beschouwd als nuttig om eenheid te scheppen.
Maquette van Qal’at Bani Hammad (Museum van Sétif)
Ik heb weleens de indruk dat oudheidkundigen die zich bezighouden met de Lage Landen in de Romeinse tijd, de seizoensmigratie onderschatten. Voor de Maghreb geldt het omgekeerde: er bestaat een neiging om de mobiliteit van de bevolking te overschatten. Heel veel Berbers waren sedentair – en dat al eeuwenlang. De Griekse onderzoeker Herodotos vermeldt het in de vijfde eeuw v.Chr.noot Herodotos, Historiën 4.187.
Het beeld van een grotendeels nomadische bevolking zal in de hand zijn gewerkt doordat een andere Griekse geschiedschrijver, Polybios, de Numidische koning Massinissa presenteert als De Grote Civilisator. Dat “Numidiërs” bedrieglijk veel lijkt op νομάδες zal ook een rol hebben gespeeld. En tot slot: toen de Fransen zich eenmaal van Algerije meester hadden gemaakt, kan het hun wel goed zijn uitgekomen de nadruk te leggen op nomadisme. Dat gold in Europa als minder beschaafd en dus konden de Fransen denken dat ze de bewoners van de Maghreb voor hun eigen bestwil hadden onderworpen. Ik heb eerlijk gezegd geen idee of het echt zo is gegaan, maar zou het me kunnen voorstellen.
In de inmiddels veertien delen tellende reeks blogjes over de laatantieke en middeleeuwse geschiedenis van het Iberische Schiereiland, heb ik Asturië tot nu toe overgeslagen. Eén reden is dat ik er nooit ben geweest, een tweede reden is dat het tot nu toe een beetje een Fremdkörper in mijn verhaal zou zijn. Nu even wat toelichting dus, als intermezzo. En dan eerst een woord over het nationalistische Spaanse geschiedbeeld.
Reconquista
Ik stipte in het vorige blogje al aan dat er een beeld heeft bestaan van de geschiedenis van Spanje als die van een altijd christelijk gebleven gebied, nooit werkelijk geïslamiseerd. Al in het jaar waarin de Arabieren het Iberisch Schiereiland onder de voet liepen, zouden de christenen vanuit Asturië zijn begonnen aan de herovering, reconquista, die mogelijk was doordat de bevolking van het Emiraat van Córdoba christelijk bleef. Dit beeld dateert uit de negentiende eeuw en legt als het ware een soort nationale doelgerichtheid over bijna acht eeuwen Spaanse geschiedenis.
Ik heb al eerder aangegeven dat het beeld van het Arabische Andalusië als model van religieuze tolerantie, onvolledig is. Dhimmi’s werden getolereerd maar waren geen volwaardige ingezetenen die in aanmerking kwamen voor hoge ambten. De mozaraben, zoals de Iberische christenen heten, moesten de jizya opbrengen en hadden te maken met discriminerende bepalingen, zoals een verbod op het bouwen van kerktorens.
Er waren wel wat geitenpaadjes. Officieel mocht een christelijke man niet trouwen met een moslima, maar hier viel met een betaling een mouw aan te passen. Het leven kon erger. Desondanks is significant dat we zelden horen van mensen die zich kwamen vestigen in El-Andalus, en wel over mensen die vertrokken. En er zijn twee gebeurtenissen die bewijzen dat de mozaraben zich in de negende eeuw bedreigd voelden.
[Dit is het laatste van acht blogjes over het ontstaan van het islamitisch recht. Het eerste was hier.]
In het vorige blogje beschreef ik hoe de ulama, de islamitische rechtsgeleerden, enkele jaren vervolgd waren geweest door de kalief. Dit was vanzelfsprekend traumatisch en het is logisch dat ze zich begonnen te organiseren. In eerste instantie gebeurde dat in de vorm van een gilde. Wie toetrad, moest de gebruikelijke drie rangen doorlopen: eerst was hij leerling ofwel mutafaqqih; na het afronden van zijn studie gold hij als gezel of sahib; blonk hij uit, dan kon hij meester ofwel mufti worden.
De madrasa
In tweede instantie versterkten de geleerden zich door deze gilden om te vormen tot een waqf, wat kan worden vertaald als “religieuze stichting”. Deze beheerde een groot vermogen, dat garandeerde dat de geleerden hun onafhankelijkheid konden handhaven. Vaak werd het kapitaal verworven door middel van een legaat of een andere schenking. Daarbij kon de schenker als voorwaarde stellen dat zijn afstammelingen bepaalde rechten zouden uitoefenen, wat handig was voor politici die hun kinderen wilden voorzien van geleerde raadsheren. Zulke rechtscolleges werden aangeduid als madrasa.
Judith, geschilderd door Albrecht de Vriendt (1889)
Oké, het is nét geen tien. Het is een tien min. Maar de Judith-expositie in de Sint-Pietersabdij in Gent is de beste archeologische tentoonstelling in jaren. Het aanbod is precies groot genoeg om tot je te kunnen nemen zonder moe te worden, de voorwerpen zijn perfect gekozen, de uitleg is voorbeeldig, de inrichting deugt en het onderwerp is belangrijk. En dat onderwerp is niet de Karolingische prinses Judith.
Het onderwerp is het graf dat bekendstaat als S127. Het is in 2006 aangetroffen bij de aanleg van een onderaardse parkeergarage, ruwweg voor de ingang van de huidige abdijkerk. Een koolstofdatering maakte duidelijk dat het gebeente dateerde uit de negende eeuw; fysisch antropologisch onderzoek identificeerde het als het graf van een vrouw van een jaar of zestig. Omdat het graf lag binnen de grenzen van de Karolingische kerk, moest het gaan om iemand uit de absolute elite van de toenmalige samenleving.
Oudheidkundigen hebben diverse dateringsmethoden. Terugwerkend: eerst is er de gangbare kalender, wat verder terug hebben we de Romeinse keizers en hellenistische koningen, nog wat dieper zijn er de Mesopotamische sterrenkundige dateringen. Daarnaast biedt de archeologie een stoer werkpaard: de koolstofdatering. Alleen: dat werkpaard heeft soms kuren. Elke datering behoeft kalibratie en daarnaast zijn er reservoireffecten en andere complicaties. En nog een probleem: organisch materiaal mineraliseert, en in sommige regio’s gaat dat erg snel.
Zoals de gebieden ten zuiden van de Sahara. De Romeinen ontmoetten kooplieden uit die regio, maar wisten daar – als we de route langs de Nijl even buiten beschouwing laten – maar weinig van. Het enige wat de klassieke auteurs ons aan informatie hebben nagelaten, zijn geruchten over goudbewakende gorgonen en amazones: een echo van de situatie in de Bambouk. Omdat archeologen dus dateringsmoeilijkheden hebben, is er, vergeleken met bijvoorbeeld de Maghreb, een gat in onze kennis. Dit is een van de redenen dat subsaharaal Afrika een beetje wordt genegeerd. Zelfs Zenab Badawi, die in haar recente An African History of Africalicht wil werpen op dit werelddeel, besteedt er geen aandacht aan.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.