De Maronitische Wereldkroniek (6) Catastrofe

Justinus II (Bode-Museum, Berlijn)

[Dit is het zesde van tien blogjes met de vertaling van de Maronitische Wereldkroniek. Dit deel, vrijwel zonder lacunes, beschrijft de implosie van het Byzantijnse gezag in de late zesde eeuw. Een inleiding tot deze kroniek, literatuur en een waarschuwing de vertaling niet al te letterlijk te nemen, vindt u hier.]

877 SE. ≡ okt.565/sept.566

In het jaar 877 regeerde Justinus II, een verwant van de eerste. Toen hij aantrad, betoonde hij zijn zorg voor de toestand van de kerken en schreef hij een orthodoxe geloofsbelijdenis. Die bijdrage stuurde hij naar alle provincies en hij beval dat allen die de kerk niet volgden, uit hun positie zouden worden ontheven.
Aan het begin van zijn regering was gedurende een jaar in het noorden iets te zien dat leek op een vuurkolom.

Lees verder “De Maronitische Wereldkroniek (6) Catastrofe”

Herakleios (1): de staatsgreep

Herakleios en zijn zoon Konstantinos (Staatliche Münzsammlung, München)

De inwoners van Constantinopel moeten in oktober van het jaar 610 na Chr. een zucht van verlichting hebben geslaakt toen ze een vloot zagen naderen met een blonde held op de voorplecht, die de icoon van de Moeder Gods aan het boegbeeld had bevestigd. Zij gingen al ruim zeven jaar gebukt onder de knoet van een van de wreedste en onbekwaamste tirannen die op de Byzantijnse troon had gezeten: Fokas, een voormalige officier, die door het leger tot keizer was benoemd en het rijk bijna tot de ondergang had gebracht. De nieuwkomer heette Herakleios , hij arriveerde vanuit Africa, waar zijn vader exarch (gouverneur) van Karthago was en de drijvende kracht achter de revolte.

Coup

Het kostte weinig moeite om de stad binnen te dringen, want er waren nauwelijks maatregelen genomen om de muren te verdedigen. Bovendien liep de elite van de hoofdstad maar al te graag over en twee soldaten van de paleisgarde leverden de geweldenaar ontkleed aan Herakleios  over. Er werden korte metten met Fokas gemaakt. Zijn ledematen werden afgehakt, en vervolgens zijn hoofd, dat op een stok door de stad werd gedragen.

Lees verder “Herakleios (1): de staatsgreep”

NWA: De eeuwige stad

De bij mijn weten oudste vermelding van de "urbs aeterna", uit de tijd van keizer Mazentius (r.306-312) (CIL 6.33856)
De bij mijn weten oudste vermelding van de “aeterna urbs”, uit de tijd van keizer Maxentius (r.306-312) (CIL 6.33856)

In mijn reeks rond de vragen van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) vandaag:

Welke mechanismen spelen een rol bij de vorming van een identiteit in Rome gedurende de overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen?

Ik heb, toen ik deze reeks begon, aangegeven dat ik de vragen niet beantwoorden kán, om de doodeenvoudige reden dat het vragen aan de wetenschap zijn. Vragen waarop dus nog geen antwoord is en eigenlijk ook nooit een definitief antwoord zal bestaan, om de al even doodeenvoudige reden dat wetenschap niets anders is dan een methode om de vragen wat te verleggen. En anders is het de onwetendheid van de blogger wel die ervoor zorgt dat een antwoord moet uitblijven. Op de bovenstaande vraag kan ik het antwoord zéker niet geven. (Morgen zullen we hetzelfde meemaken.)

De vragensteller wijst erop dat de bewoners van Rome in de Late Oudheid leefden in een stad vol “oude instituties, tradities en een stadslandschap die hun glorieuze verleden weerspiegelden”. De Senaat kwam nog steeds samen, een oeroud feest als de Lupercalia werd nog altijd gevierd en overal stonden oude gebouwen. De keizers stelden er ook nog een eer in om in Rome te bouwen. Maxentius en Constantijn deden dit nog grootschalig. Daarna werden de subsidiestromen verlegd.

Lees verder “NWA: De eeuwige stad”

Van Rossems Romeinse Rijk

van_rossem_einde_romeinse_rijk

Ik heb altijd een zwak gehad voor Maarten van Rossem. Dat heeft te maken met een voorval in het najaar van 2010, toen het Allard Pierson-museum me vroeg tijdens de museumnacht een lezing te verzorgen waarin ook de hellenisering zou worden behandeld. Van Rossem was eerder gevraagd, maar had aangegeven weinig van de Oudheid te weten en daarom de klus liever over te laten aan iemand anders. Ik vond het sympathiek dat Van Rossem zijn beperkingen kende. Voor mensen met zelfkennis heb ik een zwak.

Ik weet niet waarom Van Rossem nu, ruim vijf jaar later, wél over de Oudheid is gaan schrijven, en dan nog wel over de Late Oudheid, waarvan hij aangeeft dat hij er “bepaald geen specialist” in is. Niet dat ik er tegen ben. Zoiets kan juist goed uitpakken: veel oudhistorici zijn in feite classici voor wie niet vanzelf spreekt dat oude geschiedenis in de eerste plaats geschiedenis is. Een algemeen historicus kan de discussie naar een hoger plan tillen.

Lees verder “Van Rossems Romeinse Rijk”