[Derde van vier blogjes over het verblijf van Alexander de Grote in Babylon. Het eerste was hier.]
Hoewel de gezaghebber in Babylon, Mazaios, naar de Macedoniërs was overgelopen, waren Alexanders mannen op hun hoede en ze rukten in slagorde op naar de beroemde stad. Het moet hen hebben teleurgesteld dat de muren minder imposant waren dan Herodotos van Halikarnassos had beweerd, maar van de andere kant: ze waren nog nooit eerder in een stad geweest met ruwweg 100.000 inwoners. Ter vergelijking: Athene was half zo groot.
In 340 v.Chr. intervenieerde het Perzische Rijk in Europa. Drie legers staken de Hellespont en Bosporus over en ondersteunden de stad Perinthos, die werd belegerd door de Macedonische koning Filippos II. De gebeurtenis zal weinigen hebben verbaasd. De Perzen hadden niet lang daarvoor, toen de Atheners wat al te machtig dreigden te worden, namelijk al gedreigd tweehonderd oorlogsbodems naar het Egeïsche Zee-gebied te sturen, wat de Atheners schielijks had doen inbinden. Ook Filippos nam zijn verlies – de tweede nederlaag in een koningschap dat al twintig jaar duurde – maar stuurde vanaf dat moment aan op een vergeldingscampagne in Azië.
Daartoe lokte hij eerst een conflict uit met Athene en Thebe, die hij vernederde in de slag bij Chaironeia (338). Vervolgens dwong hij de Griekse stadstaten zijn bondgenoten te worden in een campagne naar het oosten. Onnodig te zeggen dat de soldaten die zo mee zouden gaan, in feite als gijzelaars instonden voor rust in hun moedersteden.
De schlemielige resten van de Toren van Babel, waaraan Baruqa meebetaalde
Soms herken je in de Oudheid iets uit het heden. Zo hebben in Frankrijk joodse en islamitische leiders hun gelovigen opgeroepen mee te betalen aan de herbouw van de Notre Dame. Niet dat die oproep werkelijk nodig was, want elke Fransman, elke Europeaan heeft deze dagen het gevoel verweesd te zijn, maar dit deed me denken aan een bankafschrift uit Babylonië.
Midden in Babylon verrees de enorme tempeltoren Etemenanki, het “huis van het fundament van de hemel op aarde” dat behoorde bij de hoofdtempel Esagila. Toen koning Nebukadnezar het monument in de zesde eeuw v.Chr. had vernieuwd, had hij gebluft dat de toren tot in de hemel zou reiken en dat er zóveel bouwvakkers werkten dat alle talen van de wereld bij de bouwput werden gesproken. De joodse auteur van het verhaal van de Toren van Babel schreef een buitengewoon effectieve parodie op ’s konings propaganda.
“Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt,” zeiden de Babyloniërs, en hun ambitie blijkt wel uit het feit dat de fundamenten van hun tempeltoren, die aan het begin van de twintigste eeuw zijn opgegraven door de archeoloog Robert Koldewey, niet minder maten dan negentig bij negentig meter. Het is een van de gebouwen op aarde die astronauten ook vanuit de ruimte kunnen zien.
De toren wordt vermeld in verschillende kleitabletten, waaruit we weten dat hij E-temen-an-ki heette, het “Huis van het fundament van de hemel op aarde”. Uit die tabletten blijkt verder dat de koningen Nabopolassar (r.626-605) en Nebukadnezar (r.605-562) inderdaad hebben gebluft dat hun prestigeobject tot in de hemel moest reiken. De laatste, die uit het halve Midden-Oosten mensen naar Babylon had gedeporteerd, kon daar nog aan toevoegen dat bij de bouwput “alle talen van de wereld worden gesproken”. Het was de auteur van het Bijbelboek Genesis wel toevertrouwd aan die claim een ironische draai te geven.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.