Droom

Wilhelm von Humboldt

Ik rommelde vanmorgen tegen een interessante vraag aan. In de huidige wetenschappelijke praktijk wordt kwaliteit vooral gemeten door wetenschappelijke publicaties te tellen. De gevolgen zijn bekend: publicatiedwang, een stortvloed aan artikelen over kleine onderwerpen en een neiging tot specialisme. De meeste artikelen worden vervolgens nauwelijks geciteerd.

Ik herinner me hoe, toen de publicatienorm werd geïntroduceerd, deze in eerste instantie was: publiceren in een internationaal tijdschrift. Al snel verschenen dus tijdschriften met titels als Münstersche Beiträge zur Antiken Handelsgeschichte, zodat er voor iedereen gelegenheid was om van elk belang gespeende bijdragen te publiceren. Ik koester “Der Waren- und Dienstleistungsaustausch zwischen dem Römischen Reich und dem Freien Germanien in der Zeit des Prinzipats – Eine Bestandsaufnahme”: ofwel een artikel waarvan de eigenlijke analyse nog moest beginnen. Destijds ging het gerucht dat de universiteiten waren gedwongen soortgelijke tijdschriften uit te geven, om die tegen andere pulpblaadjes te kunnen ruilen. Om dit soort excessen te vermijden ontstond een rating-systeem en werd vastgesteld welke tijdschriften er echt toe deden. Zo veranderde de eis in: publiceren in de tijdschriften met de grootste impact.

Lees verder “Droom”

Verkokerde vakgebieden (1)

Portret van Caesar uit Nijmegen (nu in het Rijksmuseum van Oudheden)

[Dit is de eerste aflevering van een artikel over de versplintering van de oudheidkundige disciplines, dat oorspronkelijk is verschenen in Archeobrief  2011/1.]

Hoe verdeel je de financiën die de overheid voor wetenschappelijk onderzoek ter beschikking stelt? Welk antwoord je op deze vraag ook geeft, het veronderstelt altijd dat er alleen geld gaat naar onderzoek waarmee men zoekt naar iets wat we meestal aanduiden als “de waarheid”. De wetenschapsethische vraag hoe je geld verdeelt, is dus niet te beantwoorden zonder ook de kentheoretische vraag te beantwoorden hoe de waarheid van een uitspraak kan worden getoetst. Over deze tweede vraag is in de afgelopen eeuw intensief gedebatteerd en de dubbele conclusie luidde enerzijds dat de waarheid afhankelijk is van de aannames waarmee het onderzoek wordt gedaan en anderzijds dat de juistheid van die aannames zich niet altijd laat controleren.

Lees verder “Verkokerde vakgebieden (1)”

Ontsporende wetenschap

(Zeedijk 8, Amsterdam)

Een mij tot vanmorgen niet bekende Ingrid Robeyns stelt via Twitter de vraag: “dat onderzoeksgeld nu vooral via aanvragen loopt heeft grote invloed op thema’s waarop onderzoek gedaan wordt. Is dit wenselijk?” Dat is een heel goede vraag, misschien zelfs dé kwestie waar het momenteel om zou moeten gaan. De vraag is echter breder dan Robeyns in de honderdnogwat karakters van Twitter kan aangeven. Daarom benut ik mijn blog om wat varianten te noemen.

1. Dat onderzoek wordt gedaan door universiteiten, heeft grote invloed op de conceptualisering van het onderzoek. Het wordt immers altijd gedaan vanuit een bepaald vakgebied, dat historisch zo is gegroeid en waarvan de grenzen zelf niet wetenschappelijk zijn. Hoe groot is de invloed van de traditie? Ik kan voorbeelden noemen van zaken die niet goed gaan; de Nationale Wetenschapsagenda bevat minstens één vraag die niet oplosbaar is zonder dat we de traditionele  disciplines vervangen door iets nieuws (voorbeeld). Dat wetenschap is verdeeld in soms oeroude disciplines, structureert ons denken: het helpt een probleem herkennen en aanpakken, maar blokkeert onze visie op de oplossingen. Is dit wenselijk?

Lees verder “Ontsporende wetenschap”

Bello de kat

Bello

Stel, u doet onderzoek naar katten. Van twintig proefdieren meet u hoogte en breedte. De afmetingen van negentien katten blijken redelijk dicht bij elkaar te liggen, alleen één ervan, Bello genaamd, blijkt bijna eens zo hoog en breed. U bekijkt hun ogen en ziet dat ze allemaal groen of geel zijn, behalve de bruine kijkers van, alweer, Bello. U meet hoe ze spinnen, en alweer blijkt Bello sterk van de andere dieren af te wijken, want hij spint helemaal niet. Er komt een punt waarop u concludeert dat u Bello beter buiten de statistieken kunt houden.

In de wetenschap komt dit vaak voor. Bello’s kunnen het gevolg zijn van ruis in de apparatuur, maar kunnen zich ook voordoen als de onderzoekscategorieën niet scherp zijn. U tekent bijvoorbeeld een sterrenkaart en noteert van alle sterren coördinaten, maar u merkt dat, terwijl alle sterren voortdurend op dezelfde plaats staan, andere van plaats veranderen. Op uw sterrenkaart laat u ze achterwege. Misschien noemt u deze dwalende bello’s met een mooi Grieks woord “planeten”. Als u mensen bestudeert, kan een bello erop wijzen dat ze op u reageren. De klachtenlijn van Schiphol constateerde ooit dat sommige mensen tientallen keren per dag klaagden, en die werden voortaan buiten de statistieken gelaten omdat er geen informatie aan kon worden ontleend over de ontwikkeling van de overlast.

Lees verder “Bello de kat”

De nadelen van specialisme

Om een of andere reden moet ik de laatste tijd vaak denken aan mijn studietijd. Gisteren werd ik eraan herinnerd hoe vaak mijn docenten vragen ontweken. Als je een docent in vakgebied X erop wees dat in vakgebied Y een tegengestelde conclusie was bereikt, vermeed men de discussie.

Zo bleven de classici dus homerische krijgers vergelijken met soldaten uit postindustriële samenlevingen, hoewel antropologen die vergelijking problematiseerden; oudhistorici negeerden wat economen zeiden over de Fisher Equation; archeologen claimden kennis van antieke marktrechten en deden geen navraag bij de aardige jonge historicus die daarop aan het promoveren was. Men bleef problemen vanuit het eigen kader bekijken, zonder te zien wat andere kaders opleverden of wat de relatieve waarde van de diverse kaders was.

Lees verder “De nadelen van specialisme”

116 dagen

Ik schreef, n.a.v. de Guttenberg-affaire, op 14 mei j.l. een stukje in het Handelsblad (hier). Ik wees erop dat het bizar was dat de frauderende doctor steeds in het nieuws terugkeerde, terwijl er meer mensen moesten zijn geweest die ervan geweten hadden. Ik wees er ook op dat dit dodelijk was voor het toch al sterk verminderende maatschappelijke vertrouwen in de universiteiten. Ik eindigde met:

Veel Nederlanders geloven de wetenschap niet langer. Wordt het, om het vertrouwen te herstellen, niet tijd voor een onafhankelijk onderzoek naar onze universiteiten? Of wachten we tot we ook in Nederland een affaire-Guttenberg meemaken?

Lees verder “116 dagen”

Geld voor onderwijs

Je ontdekt nog eens wat. Het CBS heeft een mooie database van gegevens, en voor mijn boek trok ik daarin eens na hoeveel geld er in Nederland wordt uitgegeven aan onderwijs. Daar word je vrij stil van.

In 1975, kort na de Eerste Oliecrisis, was 7,2% van de overheidsbestedingen voor activiteiten die volgens de OESO-definitie gelden als onderwijs. We hadden toen nog een minister voor wetenschapsbeleid, trouwens. Eén oliecrisis later was het een fractie minder: in 1980 was het percentage 6,9.

Lees verder “Geld voor onderwijs”