Geef de keizer wat des keizers is

Munt van keizer Tiberius (Valkhof-museum, Nijmegen)

Ze stuurden enkele farizeeën en herodianen naar Jezus toe om hem een ongeoorloofde uitspraak te ontlokken. Toen ze bij hem gekomen waren, zeiden ze tegen hem: “Meester, we weten dat u oprecht bent en dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen. U kijkt niemand naar de ogen, maar geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God. Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?”Maar omdat hij hun huichelarij doorzag, antwoordde hij: “Waarom stelt u me op de proef? Laat me eens een geldstuk zien.”

Ze gaven hem een munt en hij vroeg hun: “Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?

“Van de keizer,” antwoordden ze. Toen zei Jezus tegen hen: “Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.” En ze waren met stomheid geslagen. (Marcus 12.13-17)

Het is niet voor niets dat Jezus in dit beroemde verhaal vraagt naar de afbeelding en het opschrift op de munt. Op een Romeinse munt stond het portret van de keizer – in dit geval Augustus of Tiberius – en een randschrift, dat hem identificeerde als een meer dan menselijk wezen: Augustus was geadopteerd door de vergoddelijkte Julius Caesar en Tiberius was geadopteerd door de vergoddelijkte Augustus. Naast het portret stond dus iets als divi filius, “zoon van god”. Ook joden die niet geloofden dat Jezus de zoon van de enige God was, moesten aanstoot nemen aan zulke munten – immers, het portret was een gesneden beeld en de tekst impliceerde het bestaan van andere goden dan JHWH. Een jood met een Romeinse munt op zak overtrad twee van de tien geboden.

Maar er is nog een tweede pointe, die je haast over het hoofd zou zien omdat je bij het lezen vooral Jezus’ antwoord wilt kennen. Maar de vraag is natuurlijk absurd: het raadt je de koekkoek dat mensen belasting moeten betalen. Dat deden de Joden al eeuwen en de herodianen en farizeeën hadden er geen enkele moeite mee. In het Grieks staat er dan ook niet “belasting”. Er staat zelfs geen Grieks woord. Er staat kensos, een weergave van het Latijnse census, wat dus slaat op een Romeinse belasting.

Belastingen werden in de oude wereld vrijwel altijd geïnd in natura: een boer stond meestal een tiende af van zijn oogst, en de vorst sloeg dit op in grote voorraadschuren. Zijn soldaten moest hij officieel betalen in munten (acht bronsstukken was het loon van een normale soldaat in Judea), maar in de regel hield de vorst daarop een stevig bedrag in omdat hij zijn soldaten te eten gaf. Het systeem had enorme voordelen – de koning hoefde niet in zaken te gaan om aan het benodigde edelmetaal te komen – maar had ook een nadeel: als er een misoogst was, moest de vorst wél zijn soldaten voeden terwijl hij minder inkomsten had. Muiterijen wegens achterstallige soldij waren zeker niet ongebruikelijk.

De Romeinen vonden een oplossing: de burgers werden geacht hun belasting te betalen in muntgeld. Dat betekende dat de keizer elk jaar verzekerd was van zijn inkomsten en dat de troepen niet zouden muiten. En dat betekende weer dat de samenleving een stuk veiliger was. Een bijkomend voordeel was dat het makkelijker werd kapitaal dat was geïnd in de ene provincie over te brengen naar een andere.

Voor de boeren was dit nu net het probleem. Ongeacht de omvang van de oogst, werden zij geacht hetzelfde bedrag op te brengen. De monetarisering van de belastingheffing verlegde het risico van de belastinginner naar de belastingbetaler. Bovendien nam de kans toe dat de Romeinen het kapitaal niet ter plaatse spendeerden, maar in het buitenland. Daar stond tegenover dat de boeren veiliger leefden en dat ze min of meer gedwongen werden voor de markt te gaan produceren: ze moesten kapitalistisch gaan denken en gewassen produceren waarmee geld te verdienen was. In de meeste gevallen pakte dat goed uit en de eerste twee eeuwen van het Romeinse keizerrijk tonen een zekere economische groei.

Alleen in Judea pakte het verkeerd uit. De Romeinen incasseerden wel het geld, maar besteedden het vervolgens niet in deze provincie: er was veel geld nodig in Syrië, waar een zesde van het Romeinse leger was gestationeerd. Anders gezegd, de Romeinen namen elk jaar kapitaal weg uit het land van Israël, maar investeerden er niet, zodat de Judeeërs geen gelegenheid hadden geld te verdienen.

De Joden hadden het meteen in de gaten. In het jaar 6 n.Chr. voegde gouverneur Quirinius van Syrië de Judese gwesten aan zijn provincie toe en organiseerde er een volkstelling (Lukas 2), want hij wilde weten hoeveel belastingbetalers er waren. Meteen kwamen de nieuwe ingezetenen van het Imperium in opstand. Het was vergeefse moeite – de belastingen moesten betaald worden, en de boerenstand werd geruïneerd. Uit de farizese literatuur blijkt dat de rabbijnen zich bezighielden met de schuldenproblematiek en ook in het Nieuwe Testament wordt opvallend veel gesproken over schulden.

Talloze boeren moesten hypotheken nemen om hun belastingen te voldoen en werden, toen ze hun hypotheken niet konden aflossen, pachters van het land dat ze ooit in bezit hadden gehad. En toen ze de pacht niet konden betalen, wachtte hun nog slechts een bestaan als herder: uitschot, aan de rand van de samenleving. Uiteindelijk moest dit wel leiden tot gewelddadig verzet, en na twee generaties voortschrijdende verarming sloeg de vlam in 66 inderdaad in de pan. Vier jaar later brandde Jeruzalem.

De pointe van de vraag van de herodianen en de farizeeën is dus niet zozeer of men belasting moest betalen aan Rome, maar of men belasting moest betalen in munten – munten die de overheid ergens anders uitgaf, zonder dat de Joden er iets voor terugzagen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s