Sumerisch Scheppingsverhaal

Scheppingsverhaal uit Girsu (Louvre, Parijs)
Scheppingsverhaal uit Girsu (Louvre, Parijs)

Dit is een kleitablet uit het Louvre, afkomstig uit Girsu, een stad in het zuidoosten van Irak. Het is in het Sumerisch geschreven, ergens in het derde kwart van het derde millennium v.Chr. Hier is de vertaling:

Hemel kleedde zich als een jonge held.
Hemel en Aarde wisselden woorden uit.
Destijds bestonden de god Enki en zijn stad Eridu
nog niet en de god Enlil leefde nog niet.
De schoonheid van de velden was stof.
De bloei was stof.
De dagen waren nog niet licht.
De nieuwe manen vertoonden zich nog niet aan de hemel.

Dit is een fragment uit wat, bij mijn weten, het oudst bekende scheppingsverhaal is. Gelukkig zijn er latere varianten van deze mythe, die helpen om enkele details te begrijpen. In bijna alle antieke scheppingsmythen heeft een mannelijke hemelgod omgang met Moeder Aarde, waarna de eerste generatie goden en godinnen wordt geboren. Er is een conflict met het voorwereldlijke zeemonster Tiamat, dat wordt gewonnen door een jonge god, die wordt erkend als koning der goden. Later volgt een tweede generatie van mindere goden, die het werk moet doen en daarom in opstand komt.

Weliswaar worden ze verslagen, maar de hoge goden erkennen dat het onbillijk is dat de tweede generatie steeds moet werken. Dus worden uit stof en het bloed van een voor de gelegenheid gedode godheid de mensen geschapen, die de aarde moeten bewerken en de opbrengsten moeten offeren, opdat de goden te eten hebben. De aanvankelijk hulpeloze schepsels krijgen daartoe allerlei vaardigheden aangereikt.

Helaas gaat het niet zoals de goden het willen. De mensen maken steeds plezier. Om van de geluidsoverlast af te zijn, zetten de goden de aarde blank. Alleen een wonderlijk schip met enkele opvarenden weet aan de ramp te ontkomen en loopt ergens in Koerdistan aan de grond. De goden, die inmiddels behoorlijk honger hebben, ruiken dat er wordt geofferd, komen er als vliegen op af en aanvaarden het offer. De mensheid heeft overleefd maar de goden zorgen er wel voor dat mensen kraampijnen en kindersterfte leren kennen.

Er zijn allerlei varianten op dit verhaal. De bijbelse is de beroemdste en is vanzelfsprekend monotheïstisch, maar bevat meer echo’s dan je op het eerste gezicht zou denken. Het is zelfs maar de vraag of er werkelijk sprake is van een monotheïstisch wereldbeeld, want de beroemde regel “Laten wij de mens gaan maken” (Genesis 1.26) lijkt te verwijzen naar een oppergod die met een godenvergadering in gesprek is. Dat God over Zichzelf zou spreken in meervoud, is ook mogelijk en past natuurlijk mooi bij het christelijke idee over een Drie-eenheid, maar het majesteitsmeervoud is, voor zover ik weet, niet bekend bij andere semitische talen.

Hoe dit ook zij, het is duidelijk dat Genesis monotheïstisch wil zijn. De mindere goden lenen zich daar slecht voor, maar het zondvloedverhaal kent een korte verwijzing naar de “zonen van de goden” (6.1-4), die opnieuw suggereert dat er een oudere variant is die niet zo strikt monotheïstisch was. Ik schreef al eens een stukje over de wijze waarop buiten-Bijbelse joodse literatuur hiermee is omgegaan, en een verband legt met het leren van andere vaardigheden dan die worden genoemd in Genesis 4.20-22 (veeteelt, muziek en smeedkunst).

De mens wordt geschapen uit stof (Genesis 2.7) en er is een uitgebreid spel met de woorden voor “mens” (adam), “aarde” (adama) en “bloed” (dam). De strijd van de goden tegen een oermonster wordt niet genoemd in Genesis, maar behoorde wel degelijk tot de joodse ideeënwereld, want God strijdt tegen de monsterlijke Leviathan (bijv. Jesaja 27.1). Er zijn meer overeenkomsten tussen het joodse scheppingsverhaal en het algemene oud-oosterse patroon, zoals het volledige zondvloedverhaal. Zelfs de plaats waar de Ark het land raakt, ergens in Koerdistan, is dezelfde: de Bijbel noemt geen berg Ararat, zoals men vaak aanneemt, maar noemt slechts de bergen van het koninkrijk Urartu/Ararat (8.4), en de Joodse uitlegtraditie is eenstemmig dat de top in kwestie gezocht moet worden in Koerdistan. Ik schreef er al eens over.

Er mogen dan veel overeenkomsten zijn, de bijbelse variant kent ook het unieke verhaal over de verdrijving uit de Tuin van Eden. Het idee dat de mens, door kennis van goed en kwaad te verwerven, pas echt mens wordt en met geopende ogen door de wereld zal moeten, is bij mijn weten zonder parallel in de oud-oosterse wereld. (Dat dit een Zondeval zou zijn, zoals in de christelijke traditie wordt aangenomen, staat niet in de joodse Bijbel; de oudste vermelding is te vinden in het apocriefe boek 4 Ezra.)

En tot slot: het Bijbelverhaal is literair zoveel mooier. Het contrast tussen het majestueuze “God sprak: ‘Er zij…’” en het sobere “En er was…” is fenomenaal. Je moet wel heel weinig gevoel voor schoonheid hebben om er niet door te worden getroffen.

Dit was de zevenentwintigste aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.

Een gedachte over “Sumerisch Scheppingsverhaal

  1. MNb

    “Om van de geluidsoverlast af te zijn, zetten de goden de aarde blank.”
    Natuurlijk ben ik op allerlei manieren bevooroordeeld – nu ik de halve eeuw nader ben ik ook zeer gesteld op rust – maar ik vind dit toch een stuk amusanter dan de Zondvloed.

    “Je moet wel heel weinig gevoel voor schoonheid hebben ….”
    Tja, ik ben en blijf een barbaar. Nou heb ik niet de hele Bijbel gelezen, maar mijn favoriete delen uit esthetisch oogpunt zijn Openbaringen (het enige boek dat ik achter elkaar heb uit kunnen lezen zonder verveeld te raken) en de onthoofding van Johannes de Doper. In het laatste geval scheelt het dat ik Salome van Richard Strauss in de Stopera heb gezien, al vond ik het een beetje teleurstellend dat de striptease niet volledig was.

Reacties zijn gesloten.