Frankische monsters

Hoe de Franken er wél uitzagen: de Heer van Morken (Johnny Shumate)
Hoe de Franken er wél uitzagen: de Heer van Morken (Johnny Shumate)

Ik heb zondag en maandag stukjes online geplaatst over de Romeinse visie op de Lage Landen en hun bewoners. Dat was tot op een bepaalde hoogte een omgekeerde wereld. Ook toen de Romeinen hier eenmaal waren, slaagden ze erin informatie die hun beeld kon corrigeren, niet waar te nemen, zoals we gisteren zagen in het citaat van Plinius de Oudere, een doorgaans kritische geest, die een vertekend beeld gaf van de bewoners van de terpen. (Of eigenlijk: wierden, want Plinius heeft het over de Chauken, die woonden in Groningen en Ostfriesland.)

Het wonderlijke is dat de vooroordelen bleven bestaan. De bewoners van de Lage Landen romaniseerden, dienden in de legioenen, dreven handel met Italië, verwierven het burgerrecht, leverden wat senatoren af en waren niet minder Romeins dan Libiërs, Illyriërs of Syriërs, maar de Romeinen in Italië zagen het niet. Het volgende citaat, afkomstig uit een lofrede op keizer Maiorianus, gaat over de Franken en dateert uit ongeveer 457. Kapsel, ogen, snorren, kleding: in alles zijn deze mensen de anti-Romein, en dat nadat de Romeinen al een half millennium de tijd hadden gehad om de feiten te leren kennen.

Onze keizer temt monsters. Bij hen hangt het haar van de rossige hoge kruin neer over het voorhoofd, terwijl hun haarloze achterhoofd glimt van naaktheid. Hun waterige oog is wit en heeft een blauwige glans. Omdat hun gezichten overal zijn geschoren, halen ze hun kam door hun onaanzienlijke snorren in plaats van door hun baard. Hun strakke kleren, die hun grote mannelijke delen omspannen, dragen ze hoog, zodat hun stevige knieën bloot komen. Een brede riem omgordt hun smalle lendenen.

Het is een sport voor ze om hun snelle bijlen van grote afstand door de lucht te slingeren en van tevoren te weten waar ze zullen inslaan, om hun schilden te draaien en om zó snel naar voren te springen dat zij eerder dan de door hen geworpen speren aankomen bij hun vijanden. In hun kinderjaren is hun krijgszucht al volwassen. (Sidonius Apollinaris, Lofrede op Majorian 238-250.)

Sidonius Apollinaris was geen Italiaanse Romein maar kwam uit Clermont-Ferrand. Zowel hij als zijn toehoorders waren echter door-en-door geverseerd in de klassieke cultuur, waarin oeroude teksten als Cicero, Vergilius, Tacitus en de Griekse filosofen nog altijd werden gelezen. Dat de wereld was te verdelen in beschaving en barbarij, werd schoolkinderen met de paplepel ingegoten en werd eeuwenlang gehandhaafd.

De bewoners van de noordelijke provincies waren niet de enige slachtoffers van zulke vooroordelen, zoals blijkt uit de beschrijvingen van India uit de Romeinse tijd. Er waren verschillende reizigers naar het verre Oosten getrokken en hun reisverslagen waren in het Westen bekend – ze worden geciteerd door christelijke auteurs – maar de Grieks-Romeinse elite was niet geïnteresseerd in literaire nieuwlichterij. Liever las men de beschrijvingen van India uit de tijd van Alexander de Grote, de vierde eeuw v.Chr., want die waren geschreven in beter Grieks.

Het laatste mag in onze ogen vreemd lijken, maar onzinnig was het niet. Iedereen die in het Romeinse Rijk iets voorstelde, had Latijn of Grieks geleerd en een culturele bagage opgedaan die hem in staat stelde te spreken met andere voorname Romeinen. Een Bataaf die naar school was geweest, kon communiceren met iemand uit het huidige Tunesië, Jordanië of Bulgarije. Om dit mogelijk te maken, moest de schoolcultuur statisch zijn. Hierdoor deelde iedereen in het Romeinse Rijk eeuwenlang dezelfde ideeën: over het juiste taalgebruik, maar ook over de tegenstelling tussen de Mediterrane beschaving en de barbarij aan de randen van de aardschijf.

Deze literaire cultuur verbond mensen. Daarom heeft ze renaissances gekend op momenten waarop Europa verdeeld was: de Renaissance, het humanisme, het classicisme. Ik sluit allerminst uit dat, nu het Europese project in zijn voegen kraakt, een nieuwe renaissance van de klassieke traditie mogelijk is, en ik zou hopen dat de diverse oudheidkundige organisaties wat meer samenwerkten.

[Deze stof kwam ook aan bod in Jona Lendering en Arjen Bosman, De rand van het Rijk. Het boek is niet langer leverbaar, maar de Engelse vertaling, Edge of Empire, is dat wel en die bestelt u hier.]

4 gedachtes over “Frankische monsters

  1. Eerst even over die Frankische snorren. Volgens mij betekent “vultibus undique rasis pro barba tenues perarantur pectine cristae” niet per se wat hier vertaald is. Ik kom op ‘dunne baard’ maar ik ben zeker geen expert.
    De Romeinen kenden geen Latijns woord voor ‘snor’ (de Grieken wel, ‘mustax’ is er een van) en op en enkele Romeinse heerser na (Marcianus) lijkt uit de benaming die we kennen (‘barba Gothica’) de snor vooral geassocieerd te zijn met een Germaanse identiteit. In die zin is het dan weer niet vreemd om Sidonius’ beschrijving als ‘snor’ te interpreteren.

  2. Nu iets over Sidonius, die naar mijn mening in zijn Panegyrigus [Maiorianus] niet een voorbeeld is van de zoveelste Romein die liever in het verleden duikt dan om zich heen kijkt en beschrijft wat hij ziet. Zeker, zijn beschrijving van een Frank als een blauwogige, krijgshaftige, speer- en bijlwerpende wilde in vreemde kledij staat blijkbaar bol van vooroordelen. Maar Sidonius, is niet zomaar een late classicus die zich in zijn villa opwindt over zijn door de Goten onteigende landerijen, onderwijl treurend over een glorieus verleden. Ach wat zeg ik – dat was hij wel natuurlijk, maar was ook de voormalige stadsprefect van Rome en de schoonvader van een Romeinse keizer (Avitus, afgezet door de man in zijn ode, Majorianus).
    Sidonius schreef zijn ode met een boodschap, en net als Tacitus eeuwen vóór hem had die boodschap baat bij een afschildering van de Germaan als een wilde, tegenover de Romeinse cultuur. Want natuurlijk kende Sidonius de Goten en Franken veel beter – hij kon zien dat deze in alles de Romeinen na wilden volgen: kleding, taal, organisatie. Juist de toplaag van de Germanen in Gallië zal er zo Romeins mogelijk uit hebben willen zien, al zal Sidonius wel hier en daar wat krijgers en boeren hebben aangetroffen (op zijn eigen land misschien) die aan zijn omschrijving voldeden.

  3. habus

    Hier komt een open deur: volgens mij lag de waarheid nogal in het midden in die laat-antieke wereld. Enerzijds had je min of meer geromaniseerde Franken en andere ge-incorporeerde germanen. Anderzijds had je relatieve nieuwkomers, die nog wel hun germaanse identiteit hadden, of zelfs benadrukten. Vervolgens had je ook nog eens horizontale culturele beinvloeding tussen ‘barbaren’ onderling: Het vorstengraf van Childerik stond niet in een Frankische traditie maar is geinspireerd door vergelijkbare rituelen bij steppenvolkeren zoals de Hunnen. Pas na Childerik ontstonden meerdere vorstengraven in NW-Europa. De wapens die werden meegegeven in een ‘Frankisch’ graf hadden wel allerlei romeinse kenmerken. De wapenoffers in Deense veengebieden tonen aan, dat de Germanen daar rondliepen met Romeins (geinspirereerde) uitrusting en een organisatiegraad, die absoluut niet ‘barbaars’ was.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s