J.P. Meier over Jezus’ gelijkenissen (1)

meier_parables

In mijn vorige stukje legde ik uit dat Jezus van Nazaret parabels gebruikte om uit te leggen wat het aanbrekende Koninkrijk Gods inhield, maar dat we eigenlijk niet zoveel méér weten. De inhoud van de gelijkenissen is namelijk voor verschillende uitleg vatbaar. De meeste parabels zijn bovendien betrekkelijk laat opgeschreven, door Matteüs en Lukas, en documenteren een beginnend christendom: ideeën over Jezus maar geen ideeën van Jezus. Vrijwel alle gelijkenissen zijn bovendien bekend uit slechts één bron, zodat we, op grond van de vuistregel dat één bron geen bron is, moeten accepteren dat we niet weten of ze authentiek zijn.

In mijn boek Israël verdeeld heb ik de gelijkenissen daarom vrijwel alleen gebruikt als aanvullend bewijs over Jezus’ ideeën of als illustratie van de tendens van een evangelie. Een idee dat ik, terugdenkend, zou hebben kunnen uitwerken is dat dit genre goed past in het jodendom van Galilea, dat niet zoveel op had met de officiële cultus in Jeruzalem maar aansluiting zocht bij het jodendom van de vroege profeten – mannen (en een paar vrouwen) die hun prediking lardeerden met parabels en fabels.

Over Jezus’ gelijkenissen is nu Probing the Authenticity of the Parables verschenen, het vijfde deel van de reeks die de Amerikaanse onderzoeker John P. Meier aan het schrijven is over de historische Jezus, A Marginal Jew. De eerdere delen verschenen in 1991 (bronnen, methode…), 1994 (Jezus’ eschatologische boodschap), 2001 (die boodschap binnen het toenmalige jodendom) en 2009 (de halachische Jezus). Dit is een belangrijke serie, al vergt het wat toelichting om dat uit te leggen.

Elke historicus kent het probleem dat de bronnen elkaar tegenspreken, wat om te beginnen een aanwijzing is voor het feit dat ze onafhankelijk van elkaar zijn en vervolgens de historicus dwingt zijn keuze te beredeneren. Daarbij speelt de persoonlijke voorkeur – de nationaliteit of maatschappelijke positie, de religie of het geslacht van de onderzoeker – altijd een rol. Denk aan de uiteenlopende beelden van pakweg de slag bij Waterloo, het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog of de typering van de islam. Die persoonlijke voorkeuren zouden er niet moeten zijn, maar gegeven de schaarste aan informatie (dit geldt zelfs voor recente tijdvakken) zijn ze lastig te vermijden. Het is daarom zaak netelige kwesties systematisch aan te pakken.

De historische Jezus, waaraan veel gelovige christenen grote betekenis toekennen, is zo’n netelige kwestie en dus proberen onderzoekers als J.P. Meier zo systematisch als mogelijk te werk te gaan. Daarmee bieden ze een voorbeeld aan eigenlijk alle oudhistorici en ik zou willen dat even zorgvuldig werd geschreven over pakweg de Gracchen of Alexander de Grote, zelfs als dat betekent dat we vaak moeten zeggen dat kennis niet langer mogelijk is. Zonder valse overdrijving: het Jezusonderzoek is het methodisch best-doordachte onderdeel van de oude geschiedenis, en daarbinnen is A Marginal Jew het beste wat er is. (Cynische kanttekening: dit is dus wat er mogelijk is als een onderzoeker de rust krijgt om zijn werk te doen, niet gehinderd door onderwijs- en bestuurstaken.)

Meier heeft zich nu dus gestort op de gelijkenissen en past de gebruikelijke methode toe. Iets wordt bijvoorbeeld beschouwd als authentiek als het blijkt uit diverse bronnen (“criterium van de meervoudige attestatie”): diverse bronnen vermelden Jezus’ kruisiging, dus die zal wel een historisch feit zijn – in elk geval is ze als feit “harder” dan  Julius Caesars optreden tegen de Tencteri en de Usipetes, waarvoor we slechts twee geschreven bronnen hebben. Het “criterium van de gêne” geldt als het gaat om informatie die niet past bij de strekking van een tekst maar die de auteur niet weg kon moffelen: Johannes de evangelist vindt het maar niets dat Jezus zich door Johannes de Doper heeft laten dopen – waarom zou het mens geworden Woord Gods zijn rituele reinheid hebben moeten herstellen? – en presenteert het dus alsof de twee mannen elkaar slechts ontmoetten. Het “criterium van de discontinuïteit” houdt in dat bepaalde informatie niet in de vroege kerk kan zijn verzonnen, zoals de kring van de Twaalf: ze speelde geen rol meer na Jezus’ dood.

Zo zijn er nog wel meer criteria, en daarover valt best een boom op te zetten. Ze zijn inmiddels niet meer zo onomstreden als ze in 1991 waren, toen Meier aan zijn reeks begon. Aan het begin van Probing the Authenticity of the Parables zet Meier de criteria nog eens uiteen, deels ten behoeve van de lezer die de eerdere delen niet las, deels om positie te bepalen tegenover degenen die de criteria wensen te nuanceren.

Tot degenen die er anders over denken, behoort D.C. Allison, die van mening is dat we ons niet te veel moeten blindstaren op de authenticiteit van deze of gene opmerking, maar moeten kijken naar de algemene tendens die eruit spreekt. In zijn boek Constructing Jesus (2010) documenteert hij met een catalogus van achtenvijftig punten Jezus’ denken over de wereld die zou komen. Misschien zijn enkele van die uitspraken niet authentiek, maar de algemene tendens is duidelijk. Ik voor mij vind deze aanpak geen onzin en was benieuwd wat Meier ervan zou zeggen, maar die hamerde op “je kunt een algemene tendens pas vaststellen als je eerst weet welke passages authentiek zijn en niet”, wat op zich niet onwaar is maar neerkomt op een spelletje welles-nietes. Het methodenkapitel waarmee Probing the Authenticity of the Parables begint is ronduit overbodig.

Het is niet het enige wat eruit had gekund. We horen bijvoorbeeld twee keer waarom het vijfde Marginal Jew-deel een hoofdstuk bevat over de gelijkenissen in het evangelie van Thomas. Dat hoofdstuk heeft zélf bovendien ook iets overbodigs, omdat Meier in het eerste deel al heeft uiteengezet waarom Thomas geen vijfde evangelist is: de in deze tekst opgenomen uitspraken vertonen overeenkomsten met én Marcus, én Q, én Johannes en het eigen materiaal van én Matteüs én Lukas. Dit suggereert dat Thomas op de hoogte was van al deze bronnen, wat hem in één klap tot de bezitter van de grootste christelijke bibliotheek van zijn tijd zou maken. Het is makkelijker aan te nemen dat hij ze kende uit een verzamelwerk (bijv. het Diatessaron van Tatianos), en dat bewijst op zijn beurt dat Thomas een afgeleide en dus elimineerbare tekst is.

Probing the Authenticity of the Parables had in elk geval vijftig pagina’s korter gekund, zelfs al is het met de huidige 450 pagina’s de dunste Meier tot nu toe.

[Wordt vervolgd.]

2 gedachtes over “J.P. Meier over Jezus’ gelijkenissen (1)

Reacties zijn gesloten.