De historische Jezus

Sarcofaag uit het mausoleum van de Anicii (Louvre, Parijs)

Het is zondag, de dag waarop ik meestal iets blog over het Nieuwe Testament en probeer uit te leggen dat deze kleine bibliotheek, ongeacht de betekenis die ze heeft voor het christendom, ook met vrucht valt te lezen als verzameling joodse teksten. En omdat ik tevens bezig ben met een reeks filmpjes over oudheidkundige boeken, moet het vandaag maar gaan over een boek over de beroemdste jood van allemaal.

Wetenschap en obscurantisme

Al in de achttiende eeuw begreep men dat de Christus van de kerk en de historische Jezus niet dezelfde zijn. Ik blogde lang geleden al eens over de Jefferson-bijbel, een van de geestigste pogingen om het probleem op te lossen. Niet de best-doordachte overigens. Pas de Duitse geleerden die de Tweebronnenhypothese opstelden brachten het onderzoek werkelijk verder: achter de drie eerste evangeliën gingen maar twee bronnen schuil, aangeduid als P en Q. Waarbij P een aanduiding was voor het evangelie van Marcus, die geacht werd een leerling van P(etrus) te zijn, en waarbij Q een uitsprakenverzameling was.

De volgende complicatie was nu dat de ene bron betrekkelijk laat was en de andere, tja, wel wat leek op een collectie boerenspreekwoorden. In de praktijk besloten Jezus-vorsers vaak te nemen wat ze leuk vonden en weg te laten wat ze niet konden gebruiken. Dat gebeurt nog volop: ik blogde al eens over de kwakgeschiedenis van Reza Aslan en Ronald van Raak, die ondanks zijn obscurantisme jarenlang lid was van de Tweede Kamer. Echt, de pseudowetenschap is niet met Baudet en Van Haga parlementfähig gemaakt.

Lees verder “De historische Jezus”

Josephus over Jezus

Jezus en de samaritaanse vrouw. Fresco uit de Catacomben van Praetextatus. Het kapsel van de vrouw suggereert een datering in de Severische tijd, dus rond 200 n.Chr.
Jezus en de samaritaanse vrouw. Fresco uit de Catacomben van Praetextatus. Het kapsel van de vrouw suggereert een datering in de Severische tijd, dus rond 200 n.Chr. Daarmee is dit een van de oudste afbeeldingen van Jezus.

Afgezien van de teksten in het Nieuwe Testament is er één eerste-eeuwse tekst over Jezus van Nazaret: de Joodse auteur Flavius Josephus noemt Jezus tweemaal. De laatste van die vermeldingen is dat de hogepriester Ananos II in het jaar 62 Jakobus liet stenigen, “de broer van de Jezus die de messias wordt genoemd”. Er is geen reden aan te nemen dat dit een christelijke toevoeging of bewerking is: een christelijke auteur zou namelijk hebben verteld dat Jakobus van een tempelmuur was geworpen, wat het binnen het christendom gebruikelijke verhaal was over de gewelddadige dood van Jezus’ familielid.

Het tweede citaat betreft Jezus’ eigen optreden. Het wordt meestal aangeduid als het Testimonium Flavianum, het “getuigenis van Flavius Josephus”.

Lees verder “Josephus over Jezus”

Gelijkenissen

meier_parables

Anderhalf jaar geleden verscheen mijn boek Israël verdeeld, waarin ik het jodendom schetste zoals het bestond vóór de tempel in Jeruzalem werd verwoest. Ik beschreef de diverse halachische discussies, legde uit hoe vooringenomen de beschrijvingen van Flavius Josephus waren en wijdde ook een hoofdstuk aan het optreden van een charismatische, genezingen verrichtende, eigen halachische opvattingen verkondigende profeet die het naderende Einde der Tijden aankondigde. Later hebben ze rond Jezus van Nazaret nog een religie gesticht, maar daar ging mijn boek niet over.

Een onderwerp waaraan ik weinig aandacht besteedde, was Jezus’ gebruik van gelijkenissen. Het zijn mooie verhalen, daar niet van, maar geschiedschrijving is niet het navertellen van mooie verhalen. Je noteert wat belangrijk is en solide kan worden onderbouwd. Dat laatste is bij Jezus nogal lastig, aangezien in onze voornaamste bronnen, de evangeliën, feit en fictie door elkaar lopen. Wetenschappers van allerlei pluimage – historici, theologen, archeologen, filologen, sociale wetenschappers – zijn al een eeuw of twee bezig met het zoeken naar wegen om die twee categorieën te scheiden, laverend tussen de Skylla van de al te grote goedgelovigheid en de Charybdis van de hyperscepsis. Welgedefinieerde criteria spelen hierbij een belangrijke rol. Wat hieraan voldoet, wordt beschouwd als authentiek en toegeschreven aan “de historische Jezus”; wat hieraan niet voldoet, geldt als onbeslist. Wie de Bijbel wat letterlijker wil nemen, mag dit materiaal aanvaarden; wie sceptisch is, kan het negeren; maar dat wat de toetsing doorstaat, zou – als het onderzoek in orde is – door iedereen moeten worden beschouwd als betrouwbaar. De gelijkenissen, zo had ik al snel in de smiezen, vallen niet in deze categorie.

Lees verder “Gelijkenissen”

De joodse Jezus

Het belangrijkste boek dat een oudhistoricus moet lezen is, momenteel, John P. Meiers briljante A Marginal Jew. Rethinking the Historical Jesus. Ik realiseer me dat veel oudheidkundigen zullen zeggen dat het onderzoek naar het leven en de opvattingen van de timmerman uit Nazaret eigenlijk het werk is van theologen, maar dat oordeel is gebaseerd op een onjuist begrip van de “derde speurtocht”, die historisch van aard is. Sterker nog, het zoeken naar de historische Jezus is het innovatiefste en methodisch geavanceerdste deel van de oude geschiedenis. En daarbinnen is A Marginal Jew simpelweg het beste boek.

Of beter: boeken. Oorspronkelijk zou het gaan om drie delen, die zijn verschenen in 1991, 1994 en 2001. De voornaamste conclusies zullen echter worden gepresenteerd in het vijfde deel. Het vierde deel is in 2009 verschenen, brengt het totale aantal bladzijden op 2990 en behandelt Jezus als rechtsgeleerde. Als een rabbi, om de oude Joodse uitdrukking te gebruiken. Jezus is immers binnen het Jodendom gebleven, en dat wil zeggen dat de historische Jezus alleen de Joodse Jezus kan zijn, een cliché dat Meier uitlegt door uit en te na te herhalen dat de Joodse Jezus de halachische Jezus is.

Lees verder “De joodse Jezus”