Het ongrijpbare antieke christendom (2)

Je kunt niet altijd afgaan op wat concreet waarneembaar is

In het eerste stukje heb ik beschreven dat christendom, zowel nu als vroeger, lastig valt te definiëren. De diverse gelovigen vertonen echter familiegelijkenis: hoewel ze op wezenlijke punten kunnen verschillen, lijken ze toch wel op elkaar. Dat wat u en/of ik herkennen, is echter subjectief en brengt het gevaar met zich mee dat je, als je in het verleden zaken waarneemt die jij herkent, je eigen noties projecteert op de rest. Simpel gezegd: bisschoppen, bijbels en kerkgebouwen vormen overeenkomsten tussen toen en nu, maar willen nog niet zeggen dat het antieke christendom ook in andere aspecten lijkt op het huidige.

Wél lijkt het erop dat na Constantijn een kerk is ontstaan die lijkt op wat u of ik herkenbaar vinden, maar nog aan het einde van de vierde eeuw was de daar gepredikte orthodoxie niet de enige mogelijkheid. (Tot in de achtste eeuw waren er christenen en joden die dezelfde feestdagen vierden.) Dit moet in de periode vóór Constantijn nog meer dan in de vierde eeuw het geval zijn geweest, maar de eigen teksten van de andersdenkenden zijn niet overgeleverd. We mogen, ja moeten, de vraag stellen wat we mogen verwachten.

Anders dan u wellicht denkt, is de reconstructie van het verre verleden niet gebaseerd op teksten en vondsten. Beide categorieën bewijsmateriaal zijn namelijk incompleet. De antieke auteurs hebben nooit alles beschreven waarover wij meer willen weten en hadden, over de zaken waarover ze wel schreven, de wonderlijkste vooroordelen. Van het geschrevene is vervolgens enorm veel verloren gegaan.

De overgeleverde teksten geven daardoor een incompleet en volstrekt niet representatief beeld van het verleden. Hoe het jodendom zich naar Jemen en het christendom zich naar Egypte hebben verspreid, is daardoor niet gedocumenteerd. We kunnen constateren dát er veel joden woonden in Jemen en we kunnen verbluft kijken naar alle nieuwe ideeën over Christus in het tweede- en derde-eeuwse Egypte, maar verder kunnen we niet komen.

Iets dergelijks valt te zeggen over de archeologische vondsten. Sommige categorieën zijn kwetsbaarder: stenen zijn duurzamer dan hout, dat weer duurzamer is dan textiel. Mensen gaan terug om goud en zilver uit een brandende stad te halen, maar niet om aardewerk te redden. In archeologische musea is keramiek daardoor goed vertegenwoordigd terwijl textiel en sieraden grotendeels ontbreken.

Toch zal niemand concluderen dat de ouden geen kleding droegen. Zelfs als we, zoals in het klassieke Griekenland, beschikken over talloze afbeeldingen van naakte mensen. De reden is dat we weten dat mensen in vrijwel elke samenleving met een Mediterraan klimaat wel iets hebben om aan te trekken. Al zouden we constateren dat er geen aanwijzingen zijn voor antieke kleding, dan nog “overrulen” we deze conclusie aan de hand van een generalisering over wat we in een antieke samenleving zouden mogen verwachten. Zoiets heet een etnografische vergelijking. (Oudhistorici willen nog weleens spreken van “comparativisme”, wat nogal verwarrend is omdat dit woord in alle andere wetenschappen wordt gebruikt om vergelijkend-oorzakelijke verbanden te beschrijven.)

Het is altijd goed je vooral te baseren op de harde feiten – we noemen dat positivisme. Wie zich echter uitsluitend baseert op vondsten en teksten, volgt in feite het toeval waarmee deze tot ons zijn gekomen – en dat noemen we “naïef positivisme” of “de positivistische misvatting”. Dit geldt ook voor een geschiedenis van de christelijke ideeën in de drie eerste eeuwen: enerzijds zijn de data onderworpen geweest aan dezelfde willekeurige processen waarmee alle andere data over de oude wereld zijn overgeleverd, anderzijds is daar nog een selectie op toegepast doordat vrome kopiisten hun tijd wel beter konden benutten dan met het overschrijven van ideeën die hun niet aanstonden. (In onze verlichte tijd is dat natuurlijk héél anders: onze archivarissen selecteren natuurlijk helemaal nooit en bewaren wél elke krabbel en droedel die ze tegenkomen.)

***

Om de genoemde valkuil te vermijden, zullen we eerst moeten aangeven wat we verwachten. Daarover het volgende stukje, dat ik hoop te schrijven voor ik naar Libanon afreis – maar ik kan niets beloven.

[Naschrift: dat lukte dus niet. Eerst maar even een samenvatting.]

10 gedachtes over “Het ongrijpbare antieke christendom (2)

  1. FrankB

    “nog aan het einde van de vierde eeuw was de daar gepredikte orthodoxie niet de enige mogelijkheid.”
    Open deur, ik weet het, maar ik wil er toch weer even op wijzen dat je op je best West-Eurocentrisch bent. Het heeft er in de zesde en zevende in Nld. bv. om gespannen of deze orthodoxie het zou winnen of het Ierse christendom. Die orthodoxie is nooit de enige mogelijkheid geweest, behalve en in streng afgebakende tijdperioden en in streng afgebakende geografische eenheden.
    Heel voorspelbaar gaf brute macht – van de orthodoxe Franken – de doorslag.

    1. Roger van Bever

      Jawel, met steun van de adel en de RK-clerus. Clovis I, zelf koning van de Sicambers, bracht de de verschillende Salische en Ripuarische Franken op een gewelddadige manier (hij liet de leiders waaronder zelfs een aantal familieleden executeren) onder zijn leiding bij elkaar. Ondertussen kreeg hij ook steun van de Frankische bevolking zelf die inmiddels overwegend Rooms-Katholiek geworden was en hun leiders, die zeer vaak ariaans, waren niet meer vertrouwden.

      Over de motieven van Clovis zijn veel historici het eens dat Clovis hiermee de Gallio-Romeinse aristocratie (waren al Rooms-Katholiek) achter zich wilde krijgen. Dan kon hij de Visigoten, die een rijk hadden opgebouwd in het huidige Spanje en Zuid-Frankrijk en de ‘ketterij’ van het arianisme aanhingen – makkelijker bestrijden. Hoogstwaarschijnlijk was Clovis’ bekering tot het orthodoxe Rooms-Katholieke geloof (op aansporing van zijn vrouw wier vader nota bene een ariaan was) inderdaad ingegeven door machtspolitieke ambities. Hij was ondertussen zo machtig dat zijn doop een belangrijke stap vormde in de kerstening van West-Europa. Voor de RKK vormde hij een prachtig uithangbord.

      Om nu bij het thema van Jona te blijven: wij zitten ondertussen in de Ve eeuw, begin VIe eeuw CE. Kunnen we oordelen of de Franken (Frankrijk werd later de oudste dochte van de katholieke kerk genoemd) nu echt orthodoxe christenen waren. Zij hadden weliswaar het arianisme afgezworen, maar wat hield hun orthodoxie in? De Franken waren uiteindelijk Germanen, die hun Germaanse religie met zich meebrachten. We kunnen dus latere eeuwen ook onderbrengen bij het ongrijpbare christendom.

      1. Henk Smout

        Zoals ik op de lagere school leerde vertelde Remigius over leven en lijden van Jezus. Clovis zou hebben gereageerd: “Was ik daar maar geweest met mijn dappere Franken, dan was dat nooit gebeurd!”
        Dan zou de mensheid dus niet zijn verlost!

          1. Henk Smout

            Zoals de christelijke leer aan mij werd verkondigd was Jezus de verlosser door zijn kruisdood. En ik moet dan denken aan wat ik later bij Nietzsche las; “God is dood en wij hebben hem vermoord. Dat is de grootste heldendaad uit de geschiedenis!”.
            God is dood, maar Zwart leeft na het decennialang aan de experts onbekende – gedurende een aantal jaren tot de tegenanalyse van Tiviakov in 1995 beginnend met 17.Pd5 gold 16… Lxg4 als sterk – 16… d5, zie links in aflevering ‘Leeuwarden’.

      2. FrankB

        Ja, ik vind het gebruik ook niet zo lekker, omdat er immers Grieks-orhtodox en Russisch-orthodox nog heel wat anders is. Iets beter is dan al orthodox-katholiek of katholieke orthodoxie.

        “We kunnen dus latere eeuwen ook onderbrengen bij het ongrijpbare christendom.”
        Oneens. Als ik hem goed begrepen heb verwijst JL’s “ongrijpbaar” naar het gebrek aan empirische data van voor Constantijn. Dat is na hem een stuk beter voor elkaar.

Reacties zijn gesloten.