Alesia (1)

Caesar (Altes Museum, Berlijn)

Veel Romeinse auteurs meenden dat de verovering van Karthago – ik blogde er al over – het begin was geweest van een periode van zedenverval. Geldzucht en machtswellust hadden hun intrede gedaan, de Romeinen hadden hun oprechtheid verloren, list en geweld waren acceptabele politieke middelen geworden. Het was van kwaad tot erger gegaan doordat militaire leiders de Senaat onder druk zetten en de Volksvergadering paaiden met geschenken, waardoor het volk lui en vadsig zou zijn geworden.

Titus Livius gaf de lezers die zijn geschiedwerk ter hand namen het advies erop te letten hoe de moraal eerst begon af te brokkelen, vervolgens meer en meer verviel en uiteindelijk in hoog tempo ineenstortte. De enige antieke auteur die verder keek dan het zogenaamde verval van normen en waarden, was Appianus van Alexandrië, die aan het begin van zijn boek over de Burgeroorlogen de diepere sociaal-economische veranderingen beschreef.

Het probleem was dat de soldaten, zonder uitzondering Italiaanse boeren, steeds langer ver van huis moesten vechten en dat hun boerderijen in hun afwezigheid soms failliet gingen. Menig oorlogsheld keerde terug als bankroetier en moest zijn land verkopen aan een grootgrondbezitter, die het liet bewerken door slaven. Hierdoor nam het aantal rekruteerbare boeren af. Het lag voor de hand dat Rome ertoe zou overgaan proletariërs te werven en hun na afloop van hun diensttijd te belonen met een stuk grond.

In deze tijd, het laatste decennium van de tweede eeuw v.Chr., ondergingen de legioenen wel meer veranderingen. De bronnen vermelden de aanstelling van gladiatoren als instructeurs, terwijl de standaardisering van de wapenrusting wordt bewezen door archeologische vondsten. De tactiek veranderde. Een laatste maatregel was dat de legionairs geen lastdieren meer mochten bezitten en zelf hun bagage moesten dragen. Dit vereenvoudigde de foerage, waardoor de legers sneller konden oprukken.

Zo leidde de verwerving van een overzees imperium tot maatschappelijke veranderingen, die op hun beurt weer resulteerden in een ander soort leger. Het belangrijkste verschil was echter politiek van aard. Aan de loyaliteit van de dienstplichtigen ten opzichte van de staat had nooit twijfel bestaan, maar de nieuwe legionairs wilden na hun diensttijd een boerderij, en alleen hun generaal kon die regelen. Hun trouw gold daarom hun commandant, niet de gemeenschap.

Dat stelde generaals die hun zin niet kregen in de politieke arena, in staat met een mars op Rome alsnog hun gelijk te halen. Sterker nog: de soldaten dwongen hun aanvoerders daartoe als ze onvoldoende te plunderen kregen. In de antieke geschiedschrijving worden de burgeroorlogen van de eerste eeuw vaak gepresenteerd als een afwisseling van militaire leiders, maar er zou ook een geschiedenis te schrijven zijn waarin de nadruk ligt op één constante: de egoïstische eeuwige soldaat die diende om te roven. Maar ja, dat zou methodisch collectivisme zijn en daar deden antieke geschiedschrijvers niet aan, behalve Appianus van Alexandrië dus, maar die was zijn tijd dan ook achttien eeuwen vooruit.

De Romeinse generaals konden er weinig tegen doen. Dat wil niet zeggen dat ze per se cynisch waren, want wie de eerste man in Rome wilde zijn, moest “zijn” Romeinse Rijk ook besturen. Pompeius bijvoorbeeld, die in de jaren zestig van de eerste eeuw v.Chr. de machtigste senator was, experimenteerde met allerlei bestuurlijke vernieuwingen. Als die wat meer weerklank zouden hebben gevonden, zou het mediterrane imperium zich wellicht hebben kunnen stabiliseren, zoals feitelijk gebeurde toen keizer Augustus een halve eeuw later Pompeius’ innovaties feitelijk implementeerde. Maar zover was het nog niet in de jaren zestig, want Pompeius was geen alleenheerser. Hij had een rivaal, een senator die ooit zijn vriend was geweest en die in de jaren vijftig snel machtiger werd: Gaius Julius Caesar, consul in 59 en nadien als generaal verantwoordelijk voor de Dalmatische kust, de Povlakte en de Provence.

Hij zou beroemd worden met de verovering van Gallië. Die oorlog brak uit door een combinatie van factoren. Om te beginnen was er Caesars tomeloze ambitie. Van fundamenteler belang is dat de Romeinse politiek aan zulke ambities geen grenzen meer stelde. Menig politicus lokte een oorlog uit om als generaal te kunnen schitteren. (Al eerder hadden mannen als Scipio Africanus en Titus Flamininus vredesonderhandelingen laten mislukken omdat ze aasden op een militaire zege.) Een derde factor vormden de soldaten die zich ervoor leenden: plunderbrigades vermomd als leger.

Tot slot lag Gallië klaar om te worden overgenomen. Het land was verleidelijk vruchtbaar, er waren al intensieve handelscontacten en de nederzettingen konden worden belegerd, wat beter aansloot bij de Romeinse krijgskunst dan een landschap zonder definieerbare aanvalsdoelen. Bovendien drongen steeds meer Germanen het gebied binnen, en Caesar meende dat Gallië óf door hen óf door de Romeinen zou worden overgenomen. Een onschuldig verzoek van de Helvetiërs om door de Provence naar Aquitanië te mogen trekken, waar ze nieuwe akkerbouwgronden wilden zoeken, was in 58 de aanleiding die Caesar zocht om Gallië te veranderen in een hel.

En er een leger op te bouwen. Aan het begin van de oorlog beschikte Caesar over vier legioenen, genummerd VII, VIII, VIIII en X, en toen hij besloot de Helvetiërs de doorgang te weigeren, voegde hij er een elfde en twaalfde aan toe. Dit zestal vormde de kern van het leger waarmee hij enkele jaren later de Republiek zou omverwerpen en dat na zijn dood de basis was van de strijdkrachten van het Romeinse keizerrijk. Met uitzondering van het Negende, dat óf rond 132 door de Joden óf omstreeks 162 door de Parthen werd vernietigd, valt de geschiedenis van deze eenheden nog vijf eeuwen te volgen.

[Wordt vervolgd]

21 gedachtes over “Alesia (1)

      1. Frans

        Ja, die moest gewoon voorbij komen. Maar nu even een paar eeuwen vooruit in de tijd, want die trouw van de soldaten aan hun generaal leidde vanaf de derde eeuw tot de ene burgeroorlog na de andere. Over de val van het Romeinse Rijk zijn zoals we allemaal weten hele bibliotheken vol geschreven, maar is die egoïstische soldaat eigenlijk ooit genoemd als de (of een) oorzaak?

        1. FrankB

          Indirect wel. Aetius was één der verscheidene laatste Romeinen, maar zijn soldaten waren al nauwelijks loyaal aan hem, laat staan aan het Keizerrijk.

          “de val van het Romeinse Rijk ”
          Die, voor alle duidelijkheid, pas halverwege de 15e eeuw plaatsvond. Toen waren alle egoïstische soldaten al een eeuw of twee, drie uit het Romeinse Rijk vertrokken. In dienst van bv. Italiaanse stadstaten konden zij veel meer verdienen en met aanzienlijk minder risico.
          We hebben het hier natuurlijk over het feitelijke verlies van het westelijke deel in de vijfde eeuw; het nominale verlies geschiedde nog enkele decennia later. Ook de culturele transitie had nog enige tijd nodig.

  1. keesclaas

    “Geldzucht en machtswellust hadden hun intrede gedaan, de Romeinen hadden hun oprechtheid verloren, list en geweld waren acceptabele politieke middelen geworden.”
    En zo gaat het tot vandaag de dag, om de duit en de fluit draait de hele kluit.

  2. FrankB

    Geschiedkundigen houden ons, bijna altijd terecht, altijd voor dat we niet moeten proberen wetmatigheden in de gang der zaken uit het verleden te ontdekken en deshalve voorzichtig moeten zijn als we lessen willen trekken. Maar ik ben een amateur, dus ik kan mij meer vrijheden permitteren. Niemand die het mij kwalijk neemt als ik onzin uitkraai, dus vandaar de volgende poging.

    “een periode van zedenverval”
    Hypothese: zij die daarover zeuren zijn altijd oude mannetjes die (vooral financieel) belang hebben bij de status quo. Zij proberen middels ethisch reveil ed de gedupeerden op hun plaats te houden, zodat zij, itt genoemde zeurkousen, de eigen belangen niet langer behartigen. Kortom: zeuren over zedenverval duidt op verkapt, maar bot egoisme.

    1. Interessante hypothese. Maar het vroege protestantisme als volksbeweging lijkt me een tegenvoorbeeld. Daarbij waren het juist de ‘gedupeerden’ zelf die, meer met morele argumenten tegen de katholieke kerk dan met politieke analyses, de status quo aan het schuiven brachten.

        1. Elke tegenbeweging tegen de katholieke kerk, vanaf de katharen tot de calvinisten, klaagde over zedelijk verval onder het gerokte grondpersoneel van Onze Lieve Heer en de hen toevertrouwde schapen.

          1. FrankB

            OK – dan moet ik mijn stelling herformuleren. Als elitaire oude mannetjes over zedenverval zeuren doen zij dat omdat ze (financieel) belang hebben bij de status quo.

  3. Ben Spaans

    De egoïstische ‘eeuwige’ soldaat. Die heeft het dus gedaan? Dat is toch een onverantwoorde generalisering? Die jongens, Marcus, Flavius…zaten uiteindelijk toch ook maar vast in een systeem, gemanipuleerd door politici…?

    1. FrankB

      Als u dan niet naar het origineel van Buffy Sainte-Marie (ik houd ook niet van haar vibrato) wilt linken, neem dan de versie van het grootste Nldse muzikale genie van de 20e eeuw:

    1. FrankB

      Toch wel. De Groot is superieur aan Donovan. U mist dus iets. Uiteraard verhindert niemand u zich rond te wentelen in uw onwetendheid, zalig of onzalig.

      1. Ben Spaans

        Ik heb gewerkt aan mijn onwetendheid, maar nee, Boudewijn is met covers niet op zijn sterkst en dat vind ik hier ook, sorry.

  4. Martijn N.

    “Een onschuldig verzoek van de Helvetiërs om door de Provence naar Aquitanië te mogen trekken, waar ze nieuwe akkerbouwgronden wilden zoeken, was in 58 de aanleiding die Caesar zocht om Gallië te veranderen in een hel.”

    Hm. Ik vermoed dat je de archeoloog of historicus die dit zo in de pers zou formuleren alle hoeken van de spreekwoordelijke kamer zou laten zien…

    1. De Helvetiërs kondigden hun voornemen drie oogsten van tevoren aan en deden, zoals Caesar aangeeft, alles via diplomatieke kanalen. Dit was dus geen casus belli, en dat is (volgens mij) het punt.

Reacties zijn gesloten.