Het Tiende Legioen Gemina

Hoofd van een legionair met op de helm X G(emina) (Römermuseum, Wenen)

Ik heb weleens geblogd over de Romeinse officier Velius Rufus, die in het laatste derde van de eerste eeuw een gelauwerde carrière had die hem van de rang van centurio via drie continenten bracht tot in de hoogste bestuursklasse. Die loopbaan is uitzonderlijk omdat ze zo uitgebreid is gedocumenteerd. Van de overgrote meerderheid van de soldatenlevens is veel minder bekend.

Maar toch: ook al zijn hun grafstenen minder informatief, het zijn er wel heel erg veel. Elk jaar tekenden ruim 10.000 Romeinse burgers bij om te gaan dienen in een van de grensprovincies. Voor een garnizoensstad als Nijmegen, waar het Tiende Legioen Gemina was gelegerd, betekende dit dat er elk jaar ruim 350 rekruten van elders bij kwamen.

Ontstaan

Het Tiende was een van de oudste eenheden uit het Romeinse leger. Het nam rond het midden van de eerste eeuw v.Chr. deel aan de campagnes van Julius Caesar in Gallië, op het Iberische Schiereiland, in Illyricum, Griekenland en in Africa. De soldaten kwamen in die tijd nog allemaal uit Italië maar werden gedemobiliseerd in steden als Narbonne in Zuid-Frankrijk. Na een burgeroorlog ging een tweede groep legionairs met pensioen: gerekruteerd in Midden- en Zuid-Italië kregen ze land op de Povlakte. In de jaren dertig van de eerste eeuw v.Chr. diende het Tiende in een oorlog tegen het Parthische Rijk en Armenië en in een burgeroorlog. Na afloop daarvan kregen de veteranen land bij de Griekse stad Patras.

Grafsteen van Rufus uit Mérida

Keizer Augustus plaatste het Tiende Legioen, dat inmiddels met een andere eenheid was gefuseerd en de bijnaam Gemina, “tweeling”, had gekregen, over naar Noord-Spanje, waar nog een slepende oorlog moest worden gevoerd om de grens van het Romeinse Rijk te verleggen naar de kust van de Atlantische Oceaan. Mannen die in Italië waren gerekruteerd, kregen uiteindelijk hun boerderij in steden als Mérida, Córdoba en Zaragoza. Rond het jaar 63 n.Chr. plaatste keizer Nero het Tiende over van Spanje naar Carnuntum, even ten oosten van Wenen. Het verblijf aan de Donau bleek van korte duur: in 68 kwam keizer Galba aan de macht, die het leger weer naar Spanje stuurde – een maatregel die manschappen met familie op het Iberisch Schiereiland zullen hebben gewaardeerd. Het tweede Spaanse verblijf was echter nog korter, want in 70 kreeg het legioen nieuwe marsorders: naar Nijmegen.

Nijmegen

In het Valkhofmuseum staan de inscripties opgesteld. Zo zijn daar de grafstenen van Bisius, afkomstig uit Brescia op de Povlakte, en van Scanius uit Amfipolis in Macedonië. De dertig jaar oud geworden Quintus Julius Verus kwam misschien uit Alba bij Rome, Pudens kwam uit Ljubljana, Marnus was geboren in Toulouse en drie leden van een familie Aurelius kwamen uit Calahorra in de vallei van de Ebro. Ze zijn allemaal overleden en begraven in de omgeving van Nijmegen.

Kort nadat het legioen in 103 was overgeplaatst naar Boedapest, liet een zekere Julia een graf maken voor haar man Julius Athenus, de vrijgelatene en erfgenaam van centurio Julius Crescens van het Tiende Legioen. Athenus overleed een jaar en drie maanden na de dood van de man die zijn meester was geweest. Deze drie mensen moeten in Nijmegen zijn geweest, en het is denkbaar dat dit Bataven zijn die in den vreemde zijn gestorven.

Wenen

In 114 vertrok het Tiende naar Wenen, dat nog lang de thuisbasis zou blijven. Van tijd tot tijd vertrokken legionairs naar andere delen van het imperium, en ze keerden lang niet altijd terug. Soldaten van het Tiende hebben rond 135 geholpen om in Judea de messiaanse opstand van Bar Kochba te onderdrukken, en streden enkele jaren later in de Maghreb. In 163-165 namen ze deel aan een oorlog tegen het Parthische Rijk, en in 172-180 streden ze dichter bij huis in Tsjechië. Een zekere Gaius Aelius Julius werd van het Tiende Legioen overgeplaatst naar de strategische reserve van het Romeinse leger, het Tweede Legioen Parthica, en is in 217 begraven in Apamea in Syrië. In 244 streden soldaten van het Tiende tegen de Sasanidische Perzen. Al deze mannen stierven ver van hun geboorteland.

Grafsteen van Gaius Aelius Julius (Apamea)

De Late Oudheid

Rond het midden van de derde eeuw raakte de gewoonte alles in steen vast te leggen uit de mode. De Romeinse soldaten waren op dat moment niet meer afkomstig uit het Middellandse Zee-gebied, maar kwamen uit de omgeving van de militaire bases: wat ooit het Romeinse leger aan de Rijn of de Donau was geweest, was inmiddels veranderd in het leger van het Rijnland of het Donaugebied.

In de twee, drie voorafgaande eeuwen had een legioen echter elk jaar ruim 350 jonge mannen opgenomen die waren geboren in het ene deel van het Romeinse Rijk, vervolgens hadden gediend in een grensgebied en daar waren afgezwaaid. Elk jaar waren op deze wijze zo’n 10.000 mensen verhuisd, en dit aantal wordt eens zo hoog als tevens rekening wordt gehouden met de hulptroepen. Honderdduizenden mannen moeten zo zijn gemigreerd en hebben de Mediterrane cultuur verspreid naar de provincies langs de Rijn, Donau en Eufraat.

Hoewel in de Late Oudheid de documentatie door het wegvallen van de inscripties niet meer zo geweldig is, staat vast dat ook toen nog volop soldaten verhuisden: zo belandde een eenheid Chamaven uit de Achterhoek bij het Egyptische Thebe. Wat zouden we daar graag meer over weten – er zit een complete roman in.

7 gedachtes over “Het Tiende Legioen Gemina

  1. Bert Schijf

    Een boeiend verhaal. Ooit bezocht ik het Romeins-Germaans Museum in Keulen (klopt het dat het museum nog niet op Livius.org vermeld wordt, of kijk ik verkeerd?). Ik heb toen de moeite genomen om alle grafopschriften te lezen of beter gezegd de bijgeplaatste vertalingen. Wat me erg verbaasde was de enorme geografische mobiliteit, zoals die ook in dit blog wordt bevestigd. Je zou misschien kunnen zeggen dat het Romeinse leger een vroege, niet altijd vreedzame, Europese instelling was die een soort Europese eenheid bracht, hoewel de Romeinen zelf dat vast anders zagen.

      1. Bert Schijf

        Het gaat er eigenlijk niet zozeer om wat de Romeinen of die stammen er zelf van vonden, als wel wat de latente functie van het Romeinse leger was.

    1. Bert Schijf

      Correctie. Het museum staat wel degelijk op Livius.org en is te vinden onder de Engelse naam voor Keulen: Cologne. Daar had ik niet aan gedacht.

Reacties zijn gesloten.