De adelaar van het Veertiende

De adelaar van het Veertiende

Driemaal is scheepsrecht en omdat ik al eergisteren en gisteren heb geblogd over de Eburoonse koning Ambiorix en zijn relatie tot Tongeren, doe ik het vandaag nog een derde keer. Er is namelijk onlangs een wijziging aangebracht in het door Jules Bertin gemaakte standbeeld op de Grote Markt. Ik zou het niet hebben herkend als Herman Clerinx me er niet op had gewezen. De auteur van de prachtboeken Een paleis voor de doden en Romeinse sporen is, voor wie dat niet mocht weten, een van de beste schrijvers over de Oudheid in ons taalgebied.

Het beeld stelt dus Ambiorix voor, de “koning van alles” die in 54 v.Chr. het Veertiende Legioen vernietigde, wellicht in de vallei van de Jeker, bij Kanne-Caestert. Het beeld toont een stoere krijger die een lauwerkrans en Romeinse roedenbundels vertrapt, de fasces die in de dagen van Bertin nog niet de nare associatie hadden die ze sindsdien hebben. Ook hield hij – ik bedoel de bronzen Ambiorix – een adelaar in bedwang, maar die vogel was sinds 1965 ineens gevlogen.

Lees verder “De adelaar van het Veertiende”

Namen en nummers

Dakpan van het Twaalfde Legioen Victrix. De naamstempel was goed zodat de naam van de eenheid in spiegelbeeld staat (Palais Rohan, Straatsburg)

Een legioen was een Romeinse infanterie-eenheid. In de loop der eeuwen varieerde de omvang, maar in de Keizertijd moeten we denken aan zo’n 5300 zwaarbewapenden. Dit waren beroepssoldaten die zo’n twintig jaar dienden en na afloop een boerderij konden krijgen als oudedagsvoorziening. Met wat spaargeld om slaven te kopen hoefden ze zich geen zorgen te maken. Wie kon lezen en schrijven, kon bovendien een administratieve carrière maken en promotie maken: centurio, misschien nog verder. De loopbaan van Velius Rufus geeft een idee van wat er mogelijk was voor iemand die beschikte over talent, moed en contacten.

Net als in onze tijd, waarin eenheden “Eerste Divisie ‘7 December’” kunnen heten, had elk legioen een nummer en een naam. In Nijmegen waren vanaf 70 achtereenvolgens het Tweede Legioen Adiutrix, het Tiende Legioen Gemina en het Negende Legioen Hispana gestationeerd. Het Derde Legioen Augusta was het garnizoen van de Maghreb. Het Tweede Legioen Parthica was de strategische reserve van het Romeinse Rijk. Het Vierde Legioen Italica is een mysterie. Het Zesde Legioen Victrix hees Constantijn de Grote op het schild. De vraag is: waarom zou je eenheden een nummer én een naam geven? En een andere vraag: waarom zijn er diverse eerste legioenen maar ontbreken er ook sommige nummers? Was het niet logischer alle nummers één keer te gebruiken?

Lees verder “Namen en nummers”

Velius Rufus

Inscriptie ter ere van Gaius Velius Rufus

Ik ontmoette Gaius Velius Rufus op 8 april 2012. Mijn zakenpartner en zijn echtgenote, met wie ik in Baalbek was, zagen hem als eerste en riepen me dat ik snel moest komen kijken. Hierboven ziet u de overdonderende inscriptie, die ergens rond het jaar 100 n.Chr. is opgericht door een zekere Marcus Alfius Olympiacus, de standaarddrager van het Vijftiende Legioen Apollinaris. De tekst is lang – u vindt hem hier – en boordevol informatie.

Eerst maar even zijn naam: zijn vader heette Salvius, een naam die in de eerste eeuw vooral voorkwam in de Abruzzen (hoewel de bekendste drager van deze naam, keizer Marcus Salvius Otho, afkomstig was uit een stadje in het wat noordelijkere Etrurië). Misschien kwam Gaius Velius Rufus dus uit het midden van Italië voordat hij centurio werd in het Twaalfde Legioen Fulminata, dat was gestationeerd in Syrië. Deze positie is meteen een interessant gegeven, want zoals ik al eens heb verteld had deze eenheid zich oneervol gedragen door in de winter van 62/63 in een oorlog met het Parthische Rijk te capituleren. Drie jaar later ging het opnieuw mis: toen in 66 de Joden in opstand kwamen, leed het Twaalfde een nieuwe nederlaag en verloor daarbij zelfs zijn adelaarsstandaard. Het is niet uit te sluiten dat Velius Rufus behoorde tot een nieuwe lichting officieren die het legioen weer op orde moest brengen.

Lees verder “Velius Rufus”

Het einde van de Romeinse Republiek (3)

De vlakte van Farsalos

[In het eerste stukje beschreef ik hoe Julius Caesar de aanval opende op de Romeinse Republiek, waar de Senaat Pompeius het oppercommando had toegekend; in het tweede beschreef ik Caesars eerste successen, zijn nederlaag bij Dyrrhachion en zijn vlucht voorwaarts, richting Thessalië, waar zijn leger op de vlakte van Farsalos tegenover Pompeius kwam te staan.]

Toen Caesar het legerkamp van Pompeius naderde, trof hij diens leger in slagorde aan. Op de linkervleugel stonden de twee legioenen die door Caesar bij het begin van hun onenigheid op grond van een Senaatsbevel waren overgedragen: ze werden nu respectievelijk als het Eerste en het Derde aangeduid. Daar bevond zich Pompeius zelf. Het centrum van de slaglinie werd bezet door Scipio met de legioenen uit Syrië. Het legioen uit Kilikië, versterkt met de Spaanse cohorten […], was op de rechtervleugel geplaatst. Zij werden door Pompeius als zijn sterkste troepen beschouwd. Alle anderen had hij tussen het centrum en de vleugels opgesteld, en daarmee een totaal van honderdtien cohorten bereikt. Dit waren vijfenveertigduizend man, met daarbij nog ongeveer tweeduizend vrijwillig opgekomen veteranen, afkomstig uit […] zijn vroegere legers; deze had hij over de hele linie verdeeld. De zeven resterende cohorten had hij ter bescherming verspreid over het legerkamp van en de naburige vestingen. Zijn rechtervleugel werd beveiligd door een rivier met steile oevers; daarom had hij zijn hele ruiterij en alle boogschutters op de linkervleugel kunnen plaatsen.{{Caesar, De Burgeroorlog 3.88-96; vert. Hetty van Rooijen.}}

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (3)”

Alesia (2)

Gallische krijgsgevangene op een munt van Julius Caesar (British Museum, Londen)
Gallische krijgsgevangene op een munt van Julius Caesar (British Museum, Londen)

In 58 versloeg Caesar de Helvetiërs en vervolgens nog een groep Germanen in de Elzas. Hij profileerde zich nu als de beschermer van de Gallische bondgenoten, en daarom overwinterde hij in de vallei tussen de Vogezen en Jura, waar hij de weg van de Rijn naar het land van Saône en Rhône blokkeerde. In Italië zal men het verblijf zo ver van de Middellandse Zee heel dapper hebben gevonden, maar Caesar moet hebben geweten dat de dreiging minimaal was en dat hij er de Galliërs vooral mee provoceerde.

En inderdaad: in 57 organiseerden de noordelijkste stammen, de Belgen, een anti-Romeinse coalitie. Dat bood de Romein het excuus dat hij nodig had om de stammen tussen Marne en Maas de kracht van de legioenen te demonstreren en bovendien nog eens twee legioenen toe te voegen aan zijn leger. Ze kregen de nummers XIII en XIIII. Aan het einde van het jaar kon hij, na overwinningen aan de Aisne en de Selle in Noord-Frankrijk en de belegering van een heuvelfort bij Thuin zonder veel overdrijving claimen dat hij Gallië had onderworpen.

Lees verder “Alesia (2)”

Romeins Zuid-Limburg

Grafsteen van een Romeins echtpaar (Thermenmuseum, Heerlen)

De provincie Limburg – voor Vlaamse lezers: de Nederlandse helft van het oude hertogdom – was zo vriendelijk me een exemplaar te sturen van een reisgids voor Romeins Zuid-Limburg: Via Belgica. Romeins Zuid-Limburg. Het was hoog tijd dat zo’n gids er kwam, want ’s Neêrlands antieke verleden wordt steeds verder gereduceerd tot de limes. Een bizar voorbeeld van die verschraling is dit stuk in De Volkskrant, waarin een journalist zonder kritiek reproduceert dat in Nederland zichtbare Romeinse monumenten ontbreken. Hier is óf het badhuis van Heerlen (een van de grotere ruïnes benoorden de Alpen) weggereduceerd uit ons antieke verleden óf Limburg weggereduceerd uit Nederland. Ik stoor me weleens aan Limburgers die van alles wat vies en voos is de schuld geven aan de rest van Nederland, maar in dit geval hebben ze volkomen gelijk. Nu mogen die Limburgers ook zelf weleens de trom roeren om te verhinderen dat ze uit Nederlands Romeinse verleden worden weggeschreven, en gelukkig is er nu de reisgids.

Een andere vraag is of die zijn doel bereikt en daar kun je op twee manieren naar kijken: trekt dit mensen naar Limburg of trekt het mensen naar Romeins Limburg? Het eerste gaat beter dan het tweede.

Lees verder “Romeins Zuid-Limburg”

Cynische grap

Priamos en Achilleus (Nationaal Museum, Kopenhagen)
Priamos en Achilleus (Nationaal Museum, Kopenhagen)

Dit is een van de twee Hoby-bekers, gemaakt door een Griekse zilversmid die Cheirisofos heette. Het voorwerp wordt stilistisch gedateerd in de eerste eeuw v.Chr. De afgebeelde scène is afkomstig uit het laatste boek van de Ilias: koning Priamos van Troje bezoekt Achilleus om het stoffelijk overschot van zijn zoon terug te kopen. Er is een tweede beker waarop is te zien hoe de held Filoktetes, die een lelijke slangenbeet heeft opgelopen, wordt behandeld. Elco Brinkman zou dit edelsmeedwerk hebben aangeduid als “topkunst”.

Het leuke is de vindplaats waarnaar de bekers zijn vernoemd: het dorpje Hoby op het Deense eiland Lolland. Daar heeft archeoloog Knud Friis Johansen ze in 1920 aangetroffen in het graf van een ongeveer dertig jaar oude Germaanse krijger. Ze zijn nu te zien in het Nationale Museum in Kopenhagen, dat een van de beste oudheidkundige collecties ter wereld bezit en een reis naar Denemarken waard is. Serieus.

Lees verder “Cynische grap”

Caesar in Noord-Gallië (3)

Caesar (Vaticaanse Musea, Rome)

[Dit is het derde uit een korte reeks stukjes waarin de Vlaamse archeoloog Guido Cuyt en ik de recente identificatie van Caesars slagveld bij Kessel proberen te plaatsen in de wijdere context van het onderzoek. In het eerste deel behandelden we dat de archeologische vondsten het verslag in Caesars Gallische Oorlog niet bevestigden, in het tweede zochten we naar het slagveld aan de Sabis en naar het heuvelfort van de Aduatuci.]

Atuatuca (54-53 v.Chr.)

Caesar keerde in 55 terug naar Noord-Gallië om te strijden tegen de Usipetes en Tencteri. Deze gebeurtenis heb ik hier en daar voldoende behandeld en zal ik nu laten rusten. Na deze campagne stak Caesar voor het eerst de Rijn en Het Kanaal over, en dat laatste deed hij in 54 opnieuw. Toen hij terugkeerde, legerde hij zijn legioenen in Noord-Gallië. Eén eenheid, gecommandeerd door Quintus Tullius Cicero (inderdaad, broer van), verbleef bij de Nerviërs; een tweede lag in het grensgebied van de Remers en de Treveri, gecommandeerd door Titus Labienus. Bij de Eburonen lag onder andere het Veertiende Legioen, gecommandeerd door Sabinus en Cotta. Dit versterkte kamp – Caesar noemt het een castellum en geen oppidum, wat duidt op door mensen gemaakte muren – heette Atuatuca, wat verdacht veel lijkt op de naam van de in 57 verslagen stam maar toch iets anders is. Caesar zelf was niet in Noord-Gallië, maar wilde overwinteren in het zuiden.

Lees verder “Caesar in Noord-Gallië (3)”

Caesar in Noord-Gallië (1)

Caesar (Altes Museum, Berlijn)

Ineens was daar, afgelopen woensdagavond, het nieuws dat Julius Caesar in 55 v.Chr. slag had geleverd met de Usipetes en Tencteri in de omgeving van Kessel in het Nederlandse rivierengebied. Archeoloog Nico Roymans kondigde het aan bij “De wereld draait door”. Helemaal onverwacht was het niet: archeologen vinden in Noordwest-Europa het ene Caesar-slagveld na het andere. In het onderstaande proberen de Vlaamse archeoloog Guido Cuyt en ikzelf een overzicht te geven van een leuk oudheidkundig deelgebied.

Een interessant deelgebied ook. Alles draait hier om een probleem dat deftig wordt aangeduid als “de asymmetrie van het archeologische en tekstuele bewijs”. In gewone mensentaal betekent dit dat archeologisch bewijs niet altijd duidt op hetzelfde als de antieke teksten. Een voorbeeld: de beschrijving die de Griekse onderzoeker Herodotos in zijn Historiën biedt van de Medische hoofdstad Ekbatana en de gebouwen die in de Bijbel worden toegeschreven aan koning Salomo, zijn door archeologen niet gevonden. Zoiets speelt ook bij Caesars verblijf in Noordwest-Europa: archeologen in België, Duitsland en Engeland hadden moeite aanwijzingen te vinden voor wat Caesar beweert in zijn Gallische Oorlog.

Lees verder “Caesar in Noord-Gallië (1)”

Sempervivetum

Een re-enactor in de rol van een Romeinse slavin.

Sempervivetum is de oud-Romeinse naam van het huidige Simpelveld in Zuid-Limburg. Het is ook de naam van het Romeinenfestival dat daar – of eigenlijk: in Bocholtz – wordt gehouden in de oneven jaren en dat alterneert met het Nijmeegse Romeinenfestival. De twee festivals lijken op elkaar, maar zijn toch ook verschillend: waar het accent in Nijmegen ligt op de Keizertijd, de limes en de Bataven, benadrukt Simpelveld de Late Republiek en de Eburonen. Het komende weekend is het weer zo ver: op zaterdag 18 en zondag 19 juli verzorgen zo’n honderdtwintig re-enactors demonstraties – en dat is vooral leuk.

We kennen de Eburonen, zeg maar de bewoners van het huidige Limburg, deels uit de archeologie en deels uit de beschrijving die Julius Caesar in zijn Gallische Oorlog wijdt aan zijn tegenstanders. Onder leiding van hun vorst Ambiorix slaagden zij er in 54 v.Chr. in het Veertiende Legioen te vernietigen, dat vermoedelijk even ten zuiden van Maastricht verbleef. De Romeinse wraak was vreselijk: Caesar zegt dat hij de Eburonen uitroeide en dat zou nog waar kunnen zijn ook, want op sommige plaatsen, zoals Jülich, blijkt uit pollenonderzoek dat er na het midden van de eerste eeuw v.Chr. minder akkers en weiden waren en meer bossen.

Lees verder “Sempervivetum”