Jotapata (1)

Tell Yodfat (Jotapata)

[Vijfde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

De Joden waren in opstand gekomen tegen de Romeinen en een provisionele regering probeerde het verzet te organiseren, maar de Joden waren verdeeld. Op het platteland waren naast het reguliere leger bijvoorbeeld boerenmilities actief. Ondertussen naderde de Romeinse generaal Vespasianus met het Vijfde Legioen Macedonica en het Tiende Fretensis. Zonder veel problemen bereikte dit leger het huidige Akko, een havenstad in het zuiden van Syrië die als ontmoetingspunt diende met andere troepen.

Vespasianus’ zoon Titus kwam uit Alexandrië met het Vijftiende Legioen Apollinaris, en verder arriveerden nog achttien cohorten hulptroepen en vier eenheden uit bevriende cliëntstaatjes. Verder beschikte Vespasianus over de hulptroepen die de gouverneur van Judea in vredestijd bijstonden. Josephus schat het aantal manschappen op 60.000, wat vermoedelijk maar weinig overdreven is.

Josephus, de aanvoerder van een van de reguliere legers, had zich verschanst in het stadje Jotapata in het noorden van Galilea, waar hij de weg van Akko naar het binnenland controleerde. De plek was moeilijk in te nemen en uit het verslag dat Josephus later schreef, blijkt dat Vespasianus tijdens de belegering een beroep moest doen op al zijn legioenen en op verschillende soorten hulptroepen.

Evengoed zouden de Romeinen er een harde dobber aan hebben. Niet alleen was Jotapata al omgeven door een oude stadsmuur, het was ook aan alle kanten, behalve in het noorden, omgeven door diepe kloven. Josephus had de gelegenheid gehad voorraden voedsel naar het stadje te brengen en de muren te versterken. Zijn leger moet hebben bestaan uit ongeveer vijfduizend man, die zullen zijn bijgestaan door de gewone bewoners, waarvan het aantal door archeologen wordt geschat op ruim vijftienhonderd. Dat waren meer mensen dan comfortabel binnen de muren konden verblijven, en een deel van de verdedigers verbleef voor het moment dan ook op de helling ten noorden van de stad.

Het werd een belegering volgens het boekje. Zoals de meeste Romeinse generaals speelde Vespasianus op zeker. Zijn voorganger Cestius had in Jeruzalem ontdekt dat de tegenstander niet moest worden onderschat en Vespasianus koos ervoor Jotapata aan te pakken volgens een fantasieloze maar beproefde methode die op termijn niet anders dan succesvol zou zijn. Op 17 mei 66 begonnen ingenieurs een weg aan te leggen waarover de legionairs zouden kunnen oprukken. Op de vijfde dag arriveerde een voorhoede van duizend ruiters, die als enige taak had te verhinderen dat mensen uit het stadje zouden ontsnappen. Op 22 mei kwam ook de hoofdmacht aan.

Volgens Josephus was dat Vespasianus’ gehele leger. Hij zal daarbij hebben gedacht aan de troepen die geen garnizoensdienst deden, wat zou neerkomen op vijftienduizend legionairs en evenveel hulptroepen. Het kan waar zijn, want de Romeinen moesten een kordon rond het hele stadje leggen. Het staat in elk geval vast dat cohorten aanwezig zijn geweest van elk van de drie legioenen, dat artillerie ingezet is geweest, en dat er ook allerlei soorten hulptroepen waren, zoals slingeraars en boogschutters.

De volgende dag werd de aanval ingezet. Aanvankelijk hielden die Joden die buiten de stad gebleven waren en zich voor de muren tegenover de Romeinen hadden gelegerd, stand. Vespasianus bracht daarop zijn boogschutters, slingeraars en alle andere scherpschutters tegen hen in stelling en gaf opdracht de beschieting te openen. Zelf stormde hij met zijn voetsoldaten de helling op naar een plaats waar de muur kwetsbaar leek. Op dat moment deed Josephus, die vreesde dat de ondergang van de stad nabij was, met alle Joden een uitval. Zij stortten zich massaal op de Romeinen en dreven hen van de muren weg. (Josephus, Joodse Oorlog 3.150-152; vert. Wes/Meijer).

Het is op zich mogelijk dat de Romeinen de strijd openden door de troepen die voor de muren bivakkeerden de stad in te drijven, maar het is niet waarschijnlijk dat Vespasianus persoonlijk zijn troepen naar voren leidde. De Romeinse slagorde was gebaseerd op de verplaatsbaarheid van de tactische eenheden, die elkaar aan het front konden afwisselen. De generaal vocht zelden mee: hij zat op zijn paard achter de troepen, overzag wat er gebeurde en beval welke troepen waarheen moesten. Josephus lijkt met de bovenstaande passage zijn tegenstander, met wie hij zich later zou verzoenen, een compliment te hebben willen geven, want er bestond voor een Romeinse generaal geen grotere roem dan een persoonlijke krachtmeting met de vijandelijke leider, in dit geval Josephus.

Hoe dit ook zij, de Romeinen wisten de Joden van de helling ten noorden van Jotapata te verdrijven en konden nu beginnen met het benaderen van de muur zelf, waar ze met behulp van stormladders overheen wilden klimmen. Dat wilden de Joden verhinderen en van 24 tot en met 28 mei werd op de helling gestreden. Tegen ieders verwachting in hielden de verdedigers stand en Vespasianus begreep dat het bestormen van de muren niet mogelijk was. De stad moest met een belegeringsdam worden benaderd en dat beloofde een langdurige, kostbare aangelegenheid te worden.

[Wordt vervolgd]

2 gedachtes over “Jotapata (1)

Reacties zijn gesloten.