Domitianus (14): De triomfboog van Titus

Een soldaat van XII Fulminata (Capitolijnse Musea, Rome)

Wat heb je aan een tentoonstelling als daar niet iets te zien is dat je niet had verwacht? Het bovenstaande stukje reliëf kende ik. Het behoort tot de collectie van de Capitolijnse Musea in Rome en is afkomstig van de triomfboog van Titus. Ik bedoel de echte, in het Circus Maximus, dus niet de ereboog met de beroemde reliëfs naast het Forum Romanum. Ook een leuk monument, maar een ereboog is geen triomfboog.

Brand in Rome, brand in Jeruzalem

De triomfboog in het Circus Maximus memoreerde natuurlijk de overwinning op de Joden. Er is weinig van het monument over, maar we weten het desondanks zeker. De middeleeuwse auteur die bekendstaat als de Anonymus van Einsiedeln citeert  namelijk het opschrift. De plek is opvallend. Het monument voor de brand van Jeruzalem staat namelijk precies op de plek waar, zo dacht menigeen, de groep messiasbekennende joden (d.w.z. de groep die we tegenwoordig christenen noemen) enkele jaren eerder de stad Rome in brand hadden gestoken.

Lees verder “Domitianus (14): De triomfboog van Titus”

Domitianus (12): Titus

Titus (British Museum, Londen)

In 79 overleed Domitianus’ vader Vespasianus. Suetonius geeft een indrukwekkende beschrijving van zijn dood:

Hij bleef zijn keizerlijke verplichtingen vervullen zoals hij gewoon was. Delegaties ontving hij zelfs te bed. Toen hij door een aanval van buikloop bijna het bewustzijn verloor, zei hij dat een keizer staande hoorde te sterven. Terwijl hij overeind kwam, is hij gestorven in de armen van de mensen die hem ondersteunden. (vertaling Daan den Hengst)

Imago

Zijn oudste zoon Titus, de man die Jeruzalem had veroverd, volgde hem op. Nog eens Suetonius:

Titus was het idool en de lieveling van heel het mensdom. Al wat ertoe bijdraagt de volksgunst te verwerven – natuurlijke begaafdheid, ontwikkeling, succes – bezat hij namelijk in de hoogste mate en, wat heel moeilijk is, hij behield het toen hij keizer was geworden.

Lees verder “Domitianus (12): Titus”

Domitianus (10): Twee broers

Domitianus en Titus

Ik eindigde mijn stukje van gisteren met de insinuatie dat het voor Domitianus, achttien jaar oud, moeilijk moet zijn geweest dat hij enerzijds enorme verantwoordelijkheden droeg en dat anderzijds iedereen vol bewondering keek naar zijn broer Titus. Dat was een oorlogsheld. Net als zijn vader Vespasianus leidde hij zijn troepen door hen in de strijd voor te gaan, wat ongebruikelijk was. Titus’ moed staat niet ter discussie maar het moet zuur zijn geweest voor Domitianus dat alle aandacht naar zijn broer ging.

Broedertwist?

De door de lockdown vooralsnog verborgen expositie in het RMO besteedt aandacht aan de rivaliteit tussen de broers. Een beschadigd standbeeld van twee worstelende jongens is er met de haren bij gesleept, maar ik zou ook niet weten hoe ik het conflict anders zou verbeelden. Het feitelijke probleem is namelijk niet dát er ruzie was, maar óf er ruzie was.

Lees verder “Domitianus (10): Twee broers”

Domitianus (8): Judaea Capta

Judaea Capta

Elke tentoonstelling kent een paar stukken waarvan je de aanwezigheid kunt voorspellen. Niet dat ik er handig in ben, want ik had verwacht dat op de door de lockdown vooralsnog verborgen expositie over de Romeinse keizer Domitianus (r.81-96) in het Rijksmuseum van Oudheden wel iets verteld zou worden over de Fiscus Judaicus. Daarover wordt niets getoond, dus dat zag ik verkeerd. Maar een andere voorspelling klopte wel: de beroemde munten over de Joodse Oorlog waren er wel. Zoals hierboven. Dit exemplaar uit de collectie in De Nederlandse Bank ligt nu dus ontoegankelijk te wezen in Leiden.

De Joden waren in opstand gekomen tegen Nero, die Vespasianus erop af had gezonden. Dat was een stevige zelfoverwinning geweest van de keizer, want hij had de vooraanstaande senator kort daarvoor van het hof weggestuurd. Vespasianus had het namelijk gewaagd in slaap te vallen tijdens een van Nero’s recitals (of beweerde zulks). Eenmaal in het oosten onderdrukte Vespasianus de opstand, maar vlak voordat hij het beleg voor Jeruzalem kon opslaan, brak de burgeroorlog uit. De Joodse Oorlog werd dus onderbroken en in plaats daarvan greep Vespasianus zelf de macht.

Lees verder “Domitianus (8): Judaea Capta”

Domitianus’ protegé: Velius Rufus

Inscriptie ter ere van Gaius Velius Rufus

Ik ontmoette Gaius Velius Rufus op 8 april 2012. Mijn zakenpartner en zijn echtgenote, met wie ik in Baalbek was, zagen hem als eerste en riepen me dat ik snel moest komen kijken. Hierboven ziet u de overdonderende inscriptie, die ergens rond het jaar 100 n.Chr. is opgericht door een zekere Marcus Alfius Olympiacus, de standaarddrager van het Vijftiende Legioen Apollinaris. De tekst is lang – u vindt hem hier – en boordevol informatie.

Joodse Opstand

Eerst maar even zijn naam: zijn vader heette Salvius, een naam die in de eerste eeuw vooral voorkwam in de Abruzzen (hoewel de bekendste drager van deze naam, keizer Marcus Salvius Otho, afkomstig was uit een stadje in het wat noordelijkere Etrurië). Misschien kwam Gaius Velius Rufus dus uit het midden van Italië voordat hij centurio werd in het Twaalfde Legioen Fulminata, dat was gestationeerd in Syrië.

Lees verder “Domitianus’ protegé: Velius Rufus”

Misverstand: De Titusboog

De triomfboog van Titus (rechts), vele jaren geleden. Foto William P. Thayer.

Misverstand: De triomfboog van Titus staat bij het Forum Romanum

Na de verwoesting van Jeruzalem vierde generaal Titus in Rome een triomftocht, en elke reisgids voor Rome vermeldt dat de toen gebouwde triomfboog staat op de heuvelrug tussen het Forum Romanum en het Colosseum. De boog is inderdaad gewijd aan Titus, maar de inscriptie maakt duidelijk dat het monument geen triomfboog kan zijn. Er is namelijk geen sprake van glorieuze overwinningen, maar wel van de divus Titus, “de vergoddelijkte Titus”. En aangezien keizers gewoonlijk pas na hun overlijden onder de goden werden opgenomen, moet het monument dateren van na Titus’ dood.

De echte triomfboog stond een paar honderd meter verder naar het zuiden in de bocht van het Circus Maximus. Een middeleeuwse reiziger, aangeduid als de Anonymus van Einsiedeln, heeft het overwinningsteken – dat later is gesloopt – nog gezien en citeert het opschrift:

Lees verder “Misverstand: De Titusboog”

De ondergang van Jeruzalem

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem in 70.

[Laatste deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Met de brand in de tempel van Jeruzalem (plattegrond) was de catastrofe nog niet voorbij. Nadat de legionairs bij de smeulende tempelruïne een offer hadden gebracht aan hun adelaars, vernietigden ze de wijken ten westen en ten zuiden van de tempel, daalden af naar de Benedenstad (de huidige Joodse Wijk), waar Simon bar Giora nog altijd de macht had. Na die te hebben verwoest, trokken de legionairs naar de Bovenstad (de Armeense Wijk) en bouwden een dam naar het paleis waar ooit de Romeinse procurator had gewoond. Dit keer was er minder tegenstand van de uitgeputte verdedigers. Op 8 september was de hele stad, of wat daarvan restte, in Romeinse handen.

De Joodse leiders trachtten te ontkomen door rioleringen en andere onderaardse gangen, maar omdat de uitgangen waren geblokkeerd, moesten ze ook gangen graven, wat niet altijd lukte. De eerste die zich door de honger gedwongen overgaf was Johannes van Gischala. Daarna was het de beurt aan Simon bar Giora en Josephus houdt weer relevante informatie achter:

Lees verder “De ondergang van Jeruzalem”

Tisha b’Av

Maquette van het tempelcomplex met de burcht Antonia rechts (Israel Museum, Jeruzalem)

[Dertiende deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Op de honderdste dag van de belegering van Jeruzalem (plattegrond), 24 juli, waren de Romeinse belegeringsdammen zo dicht bij het tempelterras gekomen dat de Joden zelf een van de zuilengangen aan de vlammen prijsgaven. Drie dagen later volgde een tweede, maar het hielp niet veel. De Romeinen naderden gestaag, en op 8 augustus bereikten ze het tempelplein. Josephus meldt dat de hoogste officieren op de volgende dag met elkaar overlegden en dat Titus besloot dat de Romeinen de tempel niet in brand zouden steken. Maar op 10 augustus 70 gebeurde tijdens een gevecht het onvermijdelijke:

Zonder op een bevel te wachten en zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn daad greep een soldaat, als door een bovenmenselijke hand gestuurd, een stuk hout. Hij klom op de schouders van een medesoldaat en slingerde het brandende projectiel tegen een gouden deurtje dat toegang verschafte tot de tempelvertrekken aan de noordkant. Zodra ze het vuur zagen oplaaien, steeg er onder de Joden een navenant geschreeuw op. Ze renden erop af om de zaak te redden zonder ook maar één moment aan het gevaar voor hun eigen leven te denken of hun krachten te sparen, nu ze zagen dat het gebouw dat ze altijd zo energiek hadden bewaakt, met verwoesting werd bedreigd.

Titus lag net in zijn tent uit te rusten, toen er haastig iemand naar hem toe kwam om hem het bericht vertellen. Hij sprong onmiddellijk op en rende naar de tempel om het vuur tot staan te brengen. (Josephus, Joodse Oorlog 6.252-254; vert. Wes/Meijer)

Dit verhaal, met de suggestie dat God de tempel zelf in brand zou hebben gestoken, is vrijwel zeker onwaar.

Lees verder “Tisha b’Av”

Het beleg van Jeruzalem (3)

Maquette van de burcht Antonia (Israel Museum, Jeruzalem)

[Twaalfde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

De belegering van Jeruzalem (plattegrond) was voortvarend begonnen en de Romeinen hadden de noordelijke Nieuwe Stad en de Voorstad al ingenomen, maar de belegeringsdammen waarmee ze de burcht Antonia bij de Tempel wilden veroveren, waren door de Joodse verdedigers verwoest.

De Romeinse generaal Titus kon niet anders dan de bestorming uitstellen. Het was, zolang de verdedigers nog energie hadden, geen bruikbare methode. Bovendien waren al zoveel mensen de stad ontvlucht met verhalen over voedselgebrek, dat op den duur uithongering succesvol moest zijn. In drie dagen omringden de legionairs en de hulptroepen de stad met een acht kilometer lange palissade. Josephus vermeldt dat in de wijde omgeving alle bomen waren gekapt, zodat het land er troosteloos bij lag. En hij beschrijft opnieuw de gruwelijkste taferelen: hongerige stedelingen die zich bij de omwalling zonder verzet gevangen lieten nemen, kregen iets te eten, maar gulzig als ze waren namen ze meer dan verstandig was en hun gezwollen buiken barstten open. Daardoor werd ontdekt dat velen goudstukken hadden ingeslikt, en dus werden de lijken opengesneden. Titus durfde de lijkschenners niet te bestraffen omdat het er zoveel waren.

Lees verder “Het beleg van Jeruzalem (3)”

Het beleg van Jeruzalem (2)

Munt van Titus (Limesmuseum, Aalen)

[Elfde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Ik beschreef gisteren hoe de Romeinen het beleg hadden opgeslagen voor Jeruzalem en eerst het noordelijke deel, de Nieuwe Stad, onder de voet hadden gelopen en vervolgens de Voorstad hadden veroverd. Het landkaartje vindt u hier.

De moed van de soldaten werd tenietgedaan door een vergissing van generaal Titus, die vergat het bevel te geven de bres in de muur van de Voorstad te verbreden. (Josephus, onze voornaamste bron, probeert het goed te praten met de nogal doorzichtige smoes dat de Romein de stad niet nodeloos wilde beschadigen.) Toen de Joden vanuit de Oude stad een uitval deden en de Romeinen terugsloegen, konden ze eenvoudig de smalle opening in de muur herstellen, waardoor de aanvallers nogmaals vier dagen moesten vechten om de Voorstad te herwinnen.

De soldaten hadden reden ontevreden te zijn over hun onervaren commandant en het is vermoedelijk geen toeval dat Titus een betaaldag inlaste. Duizenden en duizenden soldaten paradeerden voor de stadsmuren, zodat “zelfs de meest koelbloedige verdedigers verstijfden van schrik toen ze daar de hele troepenmacht op één plaats bijeen zagen, met al die fraaie wapenrustingen en onberispelijk in orde en gelid”. Josephus maakte zich verdienstelijk door rond de stad te lopen en, terwijl elders alweer gewerkt werd aan de aanleg van belegeringsdammen, de bevolking van Jeruzalem voor te houden dat weerstand futiel was.

Lees verder “Het beleg van Jeruzalem (2)”