Meer over Obbink

Een fragment uit de Handelingen van de Apostelen (tweede of derde eeuw; Neues Museum, Berlijn). Voor het goede begrip: hiermee is niets verdachts aan de hand.

“The shit hits the fan”, zullen ze wel zeggen in Oxford en Washington. Het bewijs dat Oxford-classicus Dirk Obbink papyri heeft gestolen en dat het Museum of the Bible in Washington die heeft geheeld, is inmiddels geleverd. Voor het goede begrip van de ernst van de affaire twee punten.

  1. Momenteel worden enkele christelijke papyri onderzocht maar de zaak lijkt breder. Van de Sapfo-papyri, eveneens ontdekt door Obbink, is al sinds 2014 bekend dat er dingen verkeerd zijn (hier het stuk dat ik in 2016 schreef in Skepter).
  2. Als de problemen al vijf jaar zichtbaar zijn, moeten Obbinks collega’s die hebben herkend en hebben laten doorwoekeren. De affaire gaat in feite niet slechts over één man of één specialisme, maar over het falende zelfreinigend vermogen van de wetenschap.

Hieronder eerst een samenvatting en daarna het nieuws.

Eerstejaarsstof

Wat elke student in zijn eerste jaar leert: een papyrus is heel simpel zó te vervalsen dat het in een laboratorium niet valt te ontdekken. Koop op eBay of een Egyptische souq antieke papyrus, gebruik het recept van antieke inkt en presto. Een papyrus waarvan de herkomst onbekend is – die geen geldige provenance heeft, in jargon – heeft wetenschappelijk geen waarde omdat het een vervalsing kan zijn. En doorgaans ook is: zie de Artemidorospapyrus (2004), zie het Evangelie van de Vrouw van Jezus (2012), zie de vijf Dode-Zee-rol-snippers van vorig jaar en zie de vervalsingen in de Schøyen-collectie van vorige maand.

Onderzoekers hoeven gelukkig ook niets met unprovenanced papyri te doen. Er er is immers nog voor eeuwen werk met het uitgegeven van de wel provenanced papyri in de museumdepots.

Marcus

In 2012 werd de ontdekking aangekondigd van een fragment van het Evangelie van Marcus dat zou dateren uit de eerste eeuw n.Chr. Omdat dit evangelie kort voor of na het jaar 70 n.Chr. is geschreven, behoort een afschrift uit de eerste eeuw tot de oudste kopieën. Er was geen twijfel over de authenticiteit omdat een wetenschapper een mummiemasker van papiermaché in een badje met palmolive-zeep uit elkaar had gehaald. Dat is niet bepaald de provenance die we willen hebben, maar twijfel aan de echtheid was nu wel uitgesloten.

Nu raakten papiermaché-maskers – de vakterm is kartonnage – aan het begin van de jaartelling in onbruik. Anders gezegd: de ontdekkers hadden weliswaar een oud Marcusfragment te pakken, maar hadden tegelijk een kartonnage kapotgemaakt die opvallend jong was. Egyptologen hadden er zwaar de balen van dat hun data waren vernietigd.

Vervolgens werd deze papyrus almaar niet officieel uitgegeven, zodat iedereen begon te denken dat de claim niet klopte. Vermoedelijk, zo was de redenering, was ’ie bij nader inzien wat jonger gebleken en hadden degenen die de spectaculaire claim hadden gedaan het zwijgen er maar toegedaan. Weliswaar was voor het Bijbelonderzoek de waarde van een tweede- of derde-eeuws fragment wat minder, maar de schade voor de egyptologie was nu nog groter.

De Green-collectie

Het stond vast dat deze tekst in handen was geweest van de Green-collectie, een grote verzameling illegaal verworven oudheden die in 2017 een mega-boete betaalde voor de aankoop van gestolen Iraakse oudheden. De collectie, die grotendeels is ondergebracht in het Museum of the Bible in Washington, wordt voor zover ik weet nog onderzocht door de politie uit Egypte.

Marcus gepubliceerd

In 2018 publiceerde Oxford-onderzoeker Dirk Obbink namens de Egyptian Exploration Society (EES), de beheerders van een enorme collectie papyri, een Marcusfragment uit de tweede of derde eeuw (P.Oxy. 5345 = Papyrus 137). Dit bleek niets anders dan het stuk dat via dat palmolive-badje uit een mummie-kartonnage zou zijn gehaald en dat dus jonger was dan aanvankelijk geclaimd.

De EES liet in juni 2018 weten dat het nooit te koop was aangeboden aan de Greens. Maar hoe kon het in hun kring dan zo bekend zijn? Was het überhaupt wel ooit ooit via dat palmolive-badje uit een kartonnage gehaald?

In de loop van 2019 werd duidelijk dat Obbink zich met papyri van de EES had aangediend bij de Green Collection, had verklaard de eigenaar te zijn en vervolgens die papyri had verkocht of had geprobeerd te verkopen. Afgelopen juni stond ook vast dat Obbink al eerder papyri aan de Greens heeft verkocht. Hij is behalve wetenschapper ook handelaar. En een dief. Hij heeft papyri gestolen van de EES, heeft die aangeboden aan de Greens en vervolgens de prijs opgedreven door te doen alsof het ging om een eerste-eeuws manuscript.

Zou dit in Nederland zijn gebeurd, dan was het transparantie-artikel uit de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening relevant. Verder verbiedt de (bij het materiële aspect van een voorwerp relevante) Ethische Code Nederlandse Archeologie prijsopdrijving. Ik neem aan dat in Oxford en Washington soortgelijke gedragscodes van kracht zijn en weet zeker dat diefstal ook daar is verboden in het plaatselijke Wetboek van Strafrecht.

Het nieuws

Een verklaring van het Museum of the Bible in Washington maakt nu duidelijk dat het museum “tot nu toe” (so far) via Obbink dertien stukken, alle met een christelijk karakter, beheert die eigendom zijn van de EES. Het bewijs bestaat uit oude foto’s van de EES. U ziet ze op de blog van Brent Nongbri, de auteur van het prachtboek over papyrologie dat ik een tijdje geleden besprak.

Vier van de dertien stukken, zo lezen we, zijn eigendom van het museum; de andere negen zijn eigendom van de onderneming van de familie Green. Een deel lijkt verworven via een tussenhandelaar die ook een rol speelde toen de Greens illegale oudheden kochten uit Irak.

Sapfo

Zoals gezegd: de dertien geïdentificeerde stukken hebben een christelijk karakter. Alleen dit deel van Obbinks activiteiten is tot nu toe onderzocht. Wat ons brengt bij de niet-christelijke teksten en dus bij ontdekking waarmee het in 2014 allemaal begon: de Sapfo-fragmenten. Voor de chronologie: dat was ná de rel rond het Evangelie van de Vrouw van Jezus, een tekst zonder provenance die in 2012 door Harvard-onderzoekster Karen King met veel poeha werd gepresenteerd en binnen enkele dagen was doorgeprikt als vervalsing. Niemand kon er in 2014 omheen dat een tekst zonder provenance wetenschappelijk geen waarde had. Toch mocht Obbink verder gaan met Sapfo.

Terwijl zijn verhaal evident niet klopte. Obbink beweerde aanvankelijk dat hij de Sapfo-fragmenten had verworven door een kartonnage uit elkaar te halen maar beweerde later dat iemand anders die uit elkaar had gehaald. Een Nederlandse classicus beweerde dat de Sapfo-fragmenten authentiek waren omdat de inkt met een spectrumanalyse was gedateerd. Die methode bestaat niet. Daarna beweerde Obbink dat de fragmenten afkomstig waren uit een envelop uit een – stomtoevallig, echt stomtoevallig – nooit goed beschreven collectie waar, ook al zo toevallig, decennialang niemand naar had omgezien. Rookgordijn volgde op rookgordijn en ondertussen vroeg niemand Obbink ooit waarom hij steeds een ander verhaal ophing.

Ondertussen stamden de Sapfo-papyri, zo leek een analyse van het handschrift te suggereren, uit de derde eeuw n.Chr. Dat was nog jonger dan wat we destijds dachten van het Marcusfragment en zoals gezegd: we kennen tot nu toe helemaal geen kartonnages uit de Keizertijd. Het rare is dat in het artikel waarin Obbink met het enveloppenverhaal kwam aanzetten, hij én schreef dat het niet ging om zo’n gezichtsmasker van papiermaché én dat die in de derde eeuw n.Chr. nog werden gemaakt. Het is alsof hij aanvankelijk wilde zeggen “het demonteren van een gezichtsmasker was geen vernietiging van unieke egyptologische informatie want er zijn er nog meer”, en dat hij vervolgens besloot zijn verhaal aan te passen: het was helemaal geen gezichtsmasker. Weer een rookgordijn.

En nu?

Ik weet het niet. Er loopt nu onderzoek naar wat Obbink heeft gedaan met christelijke teksten en ik neem aan dat we meer gaan horen over de niet-christelijke teksten. De feitelijke vraag is volgens mij waarom een probleem dat in 2014 al voldoende bekend was, niet is herkend en aangepakt. En ik ben bang dat Obbink in zijn val niet alleen de papyrologie meesleept, maar de hele bestudering van de oude wereld.

11 gedachtes over “Meer over Obbink

  1. FrankB

    Nee, ik kan niet zeggen dat ik geschokt ben. Zie Fritz Kögl (of Hanni Erxleben) en Diederik Stapel. Wat ik interessant vind is hoe stupiditeit kan afglijden tot regelrechte criminaliteit.

    1. Henk Smout

      Kögl en Erxleben, namen die ik niet paraat had. Ik lees in de Duitse Wikipedia dat Hanni tijdens de Duitse bezetting met de NSB sympathiseerde en hij het verzet steunde.

      1. FrankB

        Ik heb de namen uit Valse Vooruitgang van Frank van Kolfschooten. Er staan nog wel meer schokkende zaken in. En iedereen weet wat er gebeurt als men met teveel schokkende zaken geconfronteerd wordt: het went.
        Maar ik ben het niet met JonaL eens dat hyperspecialisme (zie onder) de oorzaak is. Precies daarom gaf ik voorbeelden uit twee heel andere vakgebieden. Hyperspecialisme is wel een probleem en een groot probleem ook, maar er is meer aan de hand. In veel van de gevallen uit dat boekje speelt bv. misplaatste solidariteit van vakbroeders en -zusters een grote rol. Die factor valt ook gemakkelijk te herkennen in het verhaal over Obbink.
        Het ergste is misschien nog wel dat dat boekje uit 1993 is en er sindsdien weinig tot niets tegen is ondernomen.

  2. jacob krekel

    Vervalsing is geen specifiek probleem voor de oudheidkunde. Er zijn ook oude, soms beruchte gevallen, zoals het tweelingonderzoek van sir Cyril Burt, of de Piltdownmens.
    Als je zoekt op wetenschap+vervalsing kom je twee artikelen uit 2012 tegen uit Parool en NRC waarin wordt uitgelegd dat vervalsing tegenwoordig een structureel probleem is. Dat heeft er mee te maken dat een wetenschapper moet publiceren, en dat onderzoek met een positief resultaat (er is verband tussen A en B) makkelijker gepubliceerd wordt dan onderzoek met een negatief resultaat (er is geen verband tussen A en B). Het laatste komt uiteraard veel vaker voor dan het eerste, dus als je zo’n resultaat krijgt dan heb je onderzoekstijd en geld besteed aan iets dat je moeilijk gepubliceerd krijgt. De verleiding is dan erg groot om iets, en soms heel veel, aan de data te gaan sleutelen om toch een positief resultaat te krijgen.
    Vooral in de medische wetenschappen is dit een groot probleem, omdat er behalve roem ook nog grote financiële belangen zijn, terwijl anderzijds de steekproeven waar men mee moet werken zo klein en onrepresentatief zijn, dat zelfs – zo te zien – wel significante makkelijk aan toeval te danken zijn.
    Ben overigens benieuwd of Obbink ooit voor de strafrechter komt. Ik wed van niet.

    1. Ik denk dat er nog een factor is, een factor die ik veel verontrustender vind dan de tijdsdruk die er inderdaad is. Die kan vrij simpel worden weggenomen. Elke onderzoeker kan op elk moment zeggen “ik ga alleen nog goed onderzoek doen”. Het besluit dat hij daarmee onvoldoende voldoet aan een norm – bijvoorbeeld “minstens X artikelen per jaar publiceren” – en dat hij ontslagen moet worden, is aan een decaan. Die kun je ook uitleggen dat je liever gewoon je werk goed doet. Publicatiedwang lijkt me een schijnprobleem.

      Wat mij verontrust is de versplintering van de wetenschap. Er is maar één Oudheid en daarover hebben we te weinig informatie. Je kunt dus niet ijzerenheinig de classicus of de archeoloog lopen spelen; die luxe heb je niet als elk schrapje informatie belangrijk is. Wat we nu zien is dat classici het materiële aspect van hun teksten verwaarlozen en dus nat gaan. Morgen zijn het archeologen die een tekst letterlijk nemen en dus nat gaan. Dit probleem is al heel lang bekend en er gebeurt niks.

      Ik heb Obbinks publicaties over Sapfo doorgelezen. Er staan dingen in die ik, zonder doctorstitel en zonder de stimulerende omgeving van een universiteit, herken als onzin. Obbinks bizarre opmerking dat er in de derde eeuw n.Chr. nog gezichtsmasker-kartonnages waren, viel mij meteen op. Dat zou ook de redactie van het Zeitschrift für papyrologie als een blunder herkend moeten hebben, maar die hebben dat blijkbaar niet herkend. (Overigens is de opmerking in kwestie voorzien van een noot naar een boek waar dat niet in staat.)

      Waar ik heen wil: het feit dat classici hardnekkig classicusje blijven spelen en zich niet verdiepen in het materiële aspect van hun teksten, betekent dat ze evidente problemen niet herkennen. Morgen is dat weer zo bij de archeologen en overmorgen bij de historici. Zoals ik vaker zeg: het probleem is de universiteit zélf, met haar hyperspecialisme.

      1. Willem Vermeer

        Ik heb in mijn kleine wereldje (de Nederlandse slavistiek) bij twee gelegenheden collega’s ontslagen zien worden omdat ze niet voldeden aan hun onderzoeksverplichtingen. In beide gevallen was het in het kader van bezuinigingsronden.

  3. @ Jacob: Er is een woord weggevallen in “zelfs – zo te zien – wel significante makkelijk aan toeval te danken zijn”: resultaten / verbanden / vondsten ?

  4. jacob krekel

    @willemkr
    U heeft gelijk: verbanden
    Ik kan er nog aan toevoegen dat waar het onderzoek wel behoorlijk is uitgevoerd, en er wel significante verbanden zijn gevonden, die in replicatieonderzoek vaak niet worden teruggevonden en dat er maar heel weinig replicatieonderzoek is. Want ook dat is moeilijk te publiceren. In de sociale wetenschappen worden vaak zelfs tegenstrijdige resultaten gevonden. Dat heeft er mee te maken dat men het niet eens is over de begrippen en dus in feite verschillende dingen onderzoekt, ook al heten ze hetzelfde.
    Ik heb als opdrachtgever voor onderzoek diverse keren verbijsterd staan kijken hoe weinig de onderzoekers eigenlijk van hun object afwisten, en zich gewoon dapper door het onderzoek heen moesten slaan.
    Al met al wordt er veel te veel onderzoek gedaan. 10 of 20 keer zo weinig zou niet gek zijn.

  5. Het is weer Freuds oude verhaal van de man die een ketel bij zijn buurman leende en hem terugbracht met een gat erin. “Maar dat gat zat er al in!” zei de man. “En toen ik hem terugbracht was hij trouwens nog helemaal gaaf. En bovendien, ik heb nooit een ketel van jou geleend!”

Reacties zijn gesloten.