Sétif en Djemila

De triomf van Bacchus

Van de steden waar we in Algerije overnachtten – Algiers, Annaba, Batna, Constantine en Sétif – vond ik de laatste het prettigste. Misschien wel omdat het ook de modernste was van het vijftal en omdat er een superieur museum was, dat zich bovendien bevond op letterlijk een steenworp van ons hotel. Wat wil een mens nog meer?

Antieke resten zijn er nauwelijks. Dat wil zeggen, er is een Byzantijnse stadsmuur waarvan nog twee torens overeind staan en daarvoor liggen ook nog wat resten in het gras, maar toegankelijk is het gebied niet. Als ik al aandrang had gevoeld om over het hek te klimmen, waar ik doorgaans toch geen bezwaar tegen heb, dan werd die deze keer efficiënt gefnuikt doordat de regen in bakken neerviel.

Byzantijns fort in de regen

Schaarse resten dus, maar wie verlangt naar oudheden in de vrije natuur, hoeft niet bij de pakken neer te zitten, want er zijn twee parkjes waar inscripties staan opgesteld. In de ene, de Tuin van Emir Abdelkader, staan zo’n tweehonderd inscripties opgesteld; in de ander, de Tuin van Rafaoui, zijn er nog eens twee dozijn. Hier is ook het verdeelstation van de Romeinse waterleiding nog te zien, ontsierd door een rare moderne installatie middenin. Het regende te hard om te kijken wat die installatie nou eigenlijk was.

De Tuin van Emir Abdelkader

Het museum, dát is waar het om gaat. Het begint met de eerste bewoners van de regio en is er redelijk trots op dat in het iets verderop gelegen Ain Boucherit oeroude menselijke resten zijn gevonden, vermoedelijk de oudste na de Olduvai-kloof. Na de Prehistorie volgt dan de Numidische periode, de Romeinse tijd, het christendom en tot slot de Middeleeuwen. Op een hogere etage is een etnografische afdeling die op zichzelf interessant is maar ook een schitterend uitzicht bood op een fenomenaal mozaïek van de triomfantelijke tocht van Bacchus vanuit India naar het westen. Zie boven.

Tot de andere stukken behoren een mooi zandstenen beeldje van een mijmerend kind, aardewerk, sieraden, grafstenen en de in deze regio onvermijdelijke votiefstenen voor de god Saturnus. Dit alles achter ontspiegeld glas. Ik word altijd blij van maquettes en ook die zijn er. Dat men zoekt naar een wijder, internationaal publiek blijkt uit het feit dat de uitleg niet alleen in het Arabisch en Frans is, maar ook in het Engels. Een aardige suppoost is daarna alles om in een goed humeur te raken.

Saturnus-stele

Na ons bezoek aan het museum wilden we door naar Djemila, dat de naam heeft de mooiste opgraving van Algerije te zijn. De taxi reed ons zonder veel problemen door een schitterend zonovergoten landschap, maar toen we eenmaal ter plekke waren, moesten de bewakers ons de toegang ontzeggen. Hoe hadden wij hier kunnen komen, luidde de vraag, zonder politie-escorte?

Met alle vriendelijkheid die de Algerijnen eigen is werd ons te verstaan gegeven dat we echt moesten vertrekken. De mensen van de opgraving wezen ons naar een café waar we het beste konden wachten terwijl de dorpsagent op zoek ging naar onze taxichauffeur en collega’s die ons zouden begeleiden. Twee koppen koffie later reden we dus weer terug.

In het museum hebben we de aardige suppoost nog even gevraagd hoe het zat en of er de volgende dag gelegenheid was opnieuw naar Djemila te gaan. Hij sleepte ons mee naar de directrice, die uitlegde dat er in die regio, Kabylië, inderdaad problemen waren geweest met twee Europeanen en dat het beter was niet die kant op te gaan. Ook de medewerker van Trouw die als enige Nederlandse journalist in die contreien was, Alex Tieleman, heeft te horen gekregen dat Kabylië deze week een no go area was.

Het klinkt allemaal wat dramatischer dan het was. Sétif was mooi. Ik zeg nog even dat Pierre Bourdieu zijn veldwerk deed in Kabylië. Dat heeft er weliswaar niets mee te maken maar het is nou eenmaal een oudheidkundige gewoonte de Franse socioloog te onpas te noemen.

4 gedachtes over “Sétif en Djemila

  1. Bert Schijf

    Voor de fotograaf Jona Lendering: er bestaat een boek van Pierre Bourdieu getiteld Picturing Algeria (Columbia University Press 2003), gebaseerd op dagboekfragmenten en aantekeningen. Met 130 foto’s genomen tijdens zijn veldwerk. De jonge Bourdieu is leesbaarder dan de oude, hoewel het in zijn Frans beter te begrijpen is dan in de Engelse vertaling. Zijn populariteit bij sociologen is tanende. Maar kennelijk nog niet bij oudheidkundigen.

    1. Ik las n.a.v. een stuk in de Volkskrant het een en ander van Bourdieu eind jaren tachtig en was verbaasd dat ik toen de enige was. Het schokte me dat hij pas nadat de Engelse vertalingen er waren, enige populariteit kreeg. Nog schokkender vond ik dat datgene wat oudheidkundigen aanhaalden, eigenlijk allang te vinden was bij Veblen.

      Het gaat me er nu niet om te zeggen dat ik zo slim ben, want dat ben ik werkelijk niet, maar in mijn oppervlakkigheid heb ik wel breed gelezen. Oudheidkundigen zijn scherpzinnig en ontzettend beperkt in hun lectuur. Als we de wetenschap willen redden, moeten die twee leeshoudingen worden gecombineerd.

      (Uiteraard illustreert mijn reeks over Algerije de juistheid van Veblens observaties.)

      1. Bert Schijf

        Joan Lendering heeft gelijk. Je kunt beter Thorstein Veblen The Theory of the Leisure class (1899) lezen. Het is mijn favoriete sociologieboek. Bourdieu wekt niet de indruk dat hij het boek kent.

  2. abumelle

    Kun je iets meer vertellen over ‘de problemen met twee Europeanen’ bij Djemila. Wij waren er namelijk half oktober, overigens zonder problemen. Maar misschien dat ze ons achteraf toch problematisch vonden, omdat we er uiteindelijk wel over publiceerden

    Dat zie en lees je ook hier: https://abumelle.org/2019/12/11/over-het-algerijnse-glazen-plafond-en-weer-een-nieuwe-oude-president/

    Na terugkomst in NL heb ik je gevolgd door Algerije. Herkenbaar en de classicistische delen voor mij ook nogal leerzaam. Dankjewel dus.

Reacties zijn gesloten.