De twee grootste ontwikkelingen van de jaren ’10

d’Hoop (gevelsteen aan het fietspad door de Sint-Luciensteeg, Amsterdam)

Er is geen jaar nul geweest en dat wil zeggen dat het lopende decennium eigenlijk pas eindigt op 31 december 2020, maar nu iedereen terugblikt op een aflopend decennium, zal ik niet achterblijven en uitleggen wat volgens mij de grote ontwikkelingen in de oudheidkunde zijn geweest. Dat zijn er twee en ze zullen de trouwe lezers van deze blog niet verbazen. In principe bieden ze een vak dat in zichzelf gekeerd is geraakt de mogelijkheid maatschappelijk gezag terug te winnen.

Maximalisten en minimalisten

Het probleem is dit: wat doe je als archeologische gegevens het een zeggen en tekstuele informatie het ander? Als we lezen dat Ecbatana een stad was met zeven muren en we die muren almaar niet vinden? Als we lezen over de machtige monumenten van de Joodse koning Salomo en als we daar nul, nada, niente, nakko van terugvinden, zelfs al is heel Israël zes meter diep twintig keer omgespit? En wat doe je als Caesar beweert in Gallia Belgica te zijn geweest en we geen enkel fort of slagveld terugvinden?

Er zijn nu twee strategieën. Maximalisme is dat je aanneemt dat de historische bron betrouwbaar is tenzij de archeologie het tegendeel aantoont. Minimalisme is dat je aanneemt dat de historische bron onbetrouwbaar is tenzij de archeologie haar bevestigt. De discussie hierover heeft in de jaren tachtig gewoed. Daarna zijn de archeologie en de filologie steeds verder uit elkaar gegaan – in Nederland mede doordat de studieduur destijds werd verminderd tot onder het wetenschappelijk minimum – en de discussie is ten einde geraakt.

Zie ik het goed, dan zijn in Nederland vrijwel alle archeologen momenteel minimalisten: ze eisen bevestiging van elke in bronnen vermelde bewering vanuit het bodemarchief. Dat oogt heel voorzichtig, heel kritisch, heel wetenschappelijk maar het probleem is dat dit bewijs niet te leveren valt omdat de oudheidkunde nu eenmaal wordt getypeerd door een gierend datagebrek. In feite eisen archeologen het onmogelijke. Ik hoorde laatst iemand zeggen dat het was om te maskeren dat archeologen niet langer in staat zijn hun hermeneutische strategie uit te leggen. Misschien is dat wat te cynisch, maar helemaal onwaar is het niet.

Een vrij recent boek van Jonathan Hall, Artifact and Artifice, rakelt deze discussie weer op. In de Benelux hebben de claims van Nico Roymans Caesar-slagvelden bij Thuin en Kessel te hebben gevonden, de mogelijkheid geschapen het debat opnieuw aan te gaan. Hermeskeil past ook in deze context. Of die claims kloppen, is eigenlijk oninteressant; de crux is dat het debat kan worden hernomen. Idem in de Joodse en de Iraanse wereld, om de voorbeelden te gebruiken die ik opperde. De vraag is nu of enerzijds de archeologen en anderzijds historici en filologen (vaak de classici) de discussie werkelijk aan willen gaan.

De DNA-revolutie

De DNA-revolutie is de wat ongelukkige naam voor de inzichten die zijn verworven met twee nieuwe bioarcheologische methoden: enerzijds het onderzoek naar antiek DNA, anderzijds het isotopenonderzoek. Beide wijzen in dezelfde richting, namelijk dat de mensheid in het voorindustriële verleden veel mobieler is geweest dan aangenomen. Dit heeft vérstrekkende gevolgen voor de uitleg van teksten want de antropologische aanname achter alle gebruikelijke hermeneutische strategieën is dat mensen niet zo heel erg ver reisden.

Nu dat vermoedelijk wel het geval is geweest, moeten we ervan uitgaan dat ook ideeën verder konden reizen dan we dachten. Het is niet langer mogelijk de puzzels die zich voordoen bij de uitleg van pakweg een Latijnse tekst op te lossen zonder ook te kijken naar teksten in andere talen – en dat gaat dan niet om Grieks maar Aramees en Akkadisch of Egyptisch. Dit wil echter niet zeggen dat “anything goes”. Ik zou bijvoorbeeld niet graag voor mijn rekening nemen dat het Lijdensverhaal is gebaseerd op de Sumerische Dumuzi-mythe.

De grote uitdaging waarvoor filologen momenteel staan is het vinden van een criterium om zin en onzin te scheiden. Daarbij zullen ze meer dan nu kennis moeten hebben van de antieke realia: welke handelswegen waren er? welke kennis was waar aanwezig? Ik heb er al eerder over geschreven. Anders gezegd, de filologen zullen écht moeten samenwerken met de archeologen en de historici.

In feite is deze tweede ontwikkeling dus vergelijkbaar met de eerste: de toekomst is interdisciplinair. Althans, zo noemen ze het aan de universiteit. De rest van de wereld is sowieso vanouds geïnteresseerd in de Oudheid en niet in “de Oudheid met de beperkingen van de classicus” of “de Oudheid met de beperkingen van de archeoloog”. Dus het komt erop neer dat de universiteit niet alleen de scheiding slecht tussen specialismen, maar ook haar scheiding van de samenleving.

Het gevaar

Er is in het afgelopen decennium een zee aan mogelijkheden ontsloten maar om die te bezeilen zal een einde moeten komen aan het academisch specialisme. Zeker, de specialist boekt resultaten. Er zijn nieuwe inzichten, er zijn publicaties, er komen subsidies. Alleen worden die publicaties dus nooit door iemand buiten de eigen kring gelezen. Wat classici schrijven, dat lezen archeologen niet. Wat archeologen schrijven, dat lezen classici niet. En de rest van de wereld is sowieso maar lauwwarm geïnteresseerd, want de voorlichting van de classici is er vooral voor de gymnasia (en doet het grootste deel van de samenleving dus tekort) en de voorlichting van de archeologen is uitbesteed aan de erfgoedsector (die zich beperkt tot beleefbaarheid en geen archeologie uitlegt). Kortom, wat er aan resultaat wordt geboekt is licht onder de korenmaat en er is méér resultaat te bereiken als wetenschappers wat algemener te werk gaan.

Al was het maar omdat, zoals ik al zei, de wereld wél geinteresseerd is in de Oudheid – zie de bezoekersaantallen van pakweg Archeon of het RMO en zie het beroep op de Oudheid door activisten – terwijl diezelfde wereld de oudheidkundige specialismes niet herkent of erkent. Iedereen die zich een béétje bezighoudt met wetenschapscommunicatie, kan dit bevestigen. Bij herintegratie hebben de oudheidkundigen weinig meer te verliezen dan onvoldoende productieve zelfbeperkingen en kunnen ze het respect van een groot publiek terugwinnen.

Heb ik met dit alles gelijk? Ik heb geen idee, maar zolang ik, buiten de universiteit, aan classici moet uitleggen dat een koolstofdatering geen datering is of aan archeologen moet uitleggen dat een tekst niet terzijde geschoven hoeft te worden om het enkele feit dat er wonderverhalen in staan, denk ik dat iemand in de wetenschapscommunicatie weleens op een geschikt punt kan staan om een overzicht te hebben dat de mensen in het eigenlijke onderzoek zijn kwijtgeraakt. Ik weet werkelijk niet of ik hiermee een realistische inschatting geef of mezelf overschat. Laten we op 31 december 2029 nog eens zien.

Ik wens u een prettige jaarwisseling/decenniumwisseling. Wees voorzichtig met vuurwerk, drink met mate, maak er een mooie avond van en sta morgen gezond weer op.

10 gedachtes over “De twee grootste ontwikkelingen van de jaren ’10

  1. FrankB

    “Er is geen jaar nul geweest en dat wil zeggen dat het lopende decennium eigenlijk pas eindigt op 31 december 2020”
    Dat hoeft helemaal niet. Een decennium is slechts een periode van tien jaar; er is geen enkele reden aan te nemen dat er een decennium met het jaar -1, 1 of een niet-bestaand jaar 0 moet beginnen. Van 4 BCE tm 6 CE is ook een decennium, om een willekeurig voorbeeld te noemen.
    Ik wil maar zeggen, aan het eind van elk jaar loopt er een (ander) decennium af. Laten we bovendien niet vergeten dat de keuze van het jaar 1 BCE ook volstrekt willekeurig is. De Nederlandse Wikipedia is dan ook heel verstandig en heel neutraal tav de vraag wanneer het tweede decennium van ons derde millennium afloopt.
    De voorkeur van de meeste mensen lijkt uit te gaan de overgang van xxx9 naar xxx0 extra te vieren. Dat is prima.

    “wat doe je als ….”
    De praktische oplossing is beide opties open te houden en je af te vragen wat voor empirische data opheldering kunnen verschaffen. Doen natuurkundigen ook met de quantummechanica en de relativiteitstheorie, die met elkaar in strijd zijn. Daarom willen ze steeds maar weer geld voor deeltjesversnellers.

    “….. of mezelf overschat.”
    Niet geschoten is altijd mis, dus loop dit risico maar.
    Prettige jaarwisseling iedereen.

  2. Ik denk dat je gelijk hebt. Er is met samenwerking veel meer te winnen dan met specialisme. Het vermogen van classici om te denken dat ze dat al doen, want ze praten weleens met een kunsthistoricus, is echter te groot. Zoals archeologen denken dat ze, omdat ze commercieel werken, al maatschappelijk relevant genoeg zijn. Het is onwil.

  3. Jeroen

    Je voorliefde voor de hermeneutiek laat wel duidelijk doorschemeren dat je historicus bent; voor een zeer groot deel van de archeologie in onze omstreken (het pre-Romeinse deel) is deze immers geheel niet van toepassing.

    1. Ik denk dat je je vergist en dat je Ian Hodder’s “Reading the Past” nog even moet teruglezen. Wat hij voorstaat kan alleen als een archeologische hermeneutiek worden getypeerd. Ik denk verder dat de archeologie van Romeins Nederland enigszins lijdt aan onvermogen een literaire bron te contextualiseren. Het is gênant dat ik ooit op een lezingenmiddag twéé sprekers heb horen spreken over de duizend schepen die Germanicus zou hebben gebouwd zonder de homerische verwijzing te herkennen.

      Mijn eigenlijke punt is overigens niet kennis van de wijze waarop je een bron leest, maar het onvermogen van de classici en archeologen om het van-elkaar-afdrijven tegen te gaan. De studieduurverkorting van de jaren tachtig is geaccepteerd. Terwijl iedereen weet dat de sindsdien afgestudeerden onder het wetenschappelijk minimum zijn beland en zijn gaan doen alsof te weinig weten normaal is. Dat is het niet en de universiteiten zouden elke maand een brief naar de minister moeten sturen waarin ze eraan herinneren dat er een tweede fase zou komen zodat de studie zes jaar zou duren.

      1. Jeroen

        Ik snap wat je bedoelt.
        Overigens vind ik ook de dat onderling-afdrijven ook een symptoom van de heersende mega-specialisaties die nog steeds groeiende lijkt.
        Specialisatie is op zich uiteraard niet erg, maar het moet geen excuus worden om je buiten je niche nergens anders in te hoeven verdiepen.

        Archeologen zijn geen specialist meer in ‘botten’ of ‘aardewerk’, maar in minuscule fracties daarvan.
        Nog even en we halen een baksteen-deskundige bij een opgegraven stuk muurwerk, die ons vervolgens moet teleurstellen; ‘hier zijn jammer genoeg alleen voorzijdes van stenen zichtbaar.. en ik ben een lateraal bricoloog’.

        Fijne Jaarwisseling allen!!

        1. Willem Vermeer

          Zie dit pas nu, rijkelijk laat, maar heb hier in mijn eentje groot plezier gehad om die laterale bricoloog, en het landschap dat-ie oproept. 🙂

    2. Ook de voor-Romeinse archeologie is volledig interpretatief. Je kunt je interpretatieve strategieën dus maar het beste expliciteren, of je dat nu hermeneutisch noemt of niet. De meeste acheologen hebben daarmee weinig moeite, zie bijvoorbeeld het gebruik van de metafoor dat je de oude cultuur moet “lezen”.

  4. Ben Spaans

    Laten we blijven hopen dat het allemaal op de een of andere manier toch nog goed komt met alles. De beste wensen voor tweeduizendtwintig (2020) toegewenst.

  5. jacob krekel

    De belangrijkste twee: dat zullen isotopenanalyse en dna-onderzoek zijn, dacht ik. Darr zijn prachtige informatieve blogs over verschenen, dus inderdaad, de oplettende lezertjes hebben daar enige kennis van. En dan staan we nog maar aan het begin van wat dat allemaal gaat opleveren.
    Maar de eerste blijkt een andere te zijn: de mogelijkheid dat archeologen en oudhistorici tot een goed gesprek gaan komen, iets dat volgens CK bij gebrek aan goede wil tot nu toe niet tot stand gekomen is.
    Ik ken beide werelden niet, maar er zijn ook reageerders die menen dat het tamboereren van de MB op de noodzaak van dit gesprek niet onopgemerkt blijft.
    Ga hier dus mee door, en misschien dat dan in 2029 – of na een willekeurig ander decennium – deze potentiële ontwikkeling zichtbaar wordt. Isotopenonderzoek en dna-analyse werken sowieso verbredend, en wie weet wat daar nog bij komt, en wat dat allemaal in hun kielzog meeneemt.
    Voorspoedig 2020 een ieder toegewenst.

  6. ” …geen jaar nul geweest”? Er zijn 10 jaren nul geweest in het laatste decennium. Maar 10 keer nul blijft nul, daar heeft Jona weer gelijk.
    De wens om de specialistische arbeidsverdeling in de wetenschappen af te breken, althans te verminderen, zal een vrome wens blijven zolang het academische onderwijs zich binnen de bestaande ‘niches’ blijft afspelen. De wederzijds incompatibele of elkaar uitsluitende vooronderstellingen, grondslagen, theoretische oriëntaties enz. van de diverse ‘vakken’ maken vruchtbare communicatie over de vakgrenzen heen onmogelijk. Het academisch bedrijf moet op zoek naar meer synthetiserende in plaats van louter analyserende benaderingen, waar studenten van meet af aan vertrouwd mee worden gemaakt. Dat vergt een andere opzet dan die van hoofd- en bijvakken, waarbij de synthese aan de fantasie van de leerlingen wordt overgelaten.
    En dat gaat niet binnen een decennium lukken.

Reacties zijn gesloten.