MoM | Oorzakelijkheid

Van egalitaire boerensamenleving naar stadstaat

De voornaamste reden om je met het verleden bezig te houden is dat interessant is. Of mooi. Of op een andere manier aangenaam. Ik geloof niet dat daarmee iets verkeerd is, net zoals er niets verkeerd is als iemand zou genieten van een wandeling in de Haarlemmerhout, het eten van een plak cake, het lezen van een roman of het zien van een film. Het wordt iets anders als je gemeenschapsgeld aanneemt voor zulk genot, want dan eist de gemeenschap een wederdienst. Daarom hebben wetenschappers allerlei redenen geformuleerd waarom ze gefinancierd moeten worden. Je zou van het verleden bijvoorbeeld kunnen leren.

Gelogen is het niet. Problematisch is het wel en dan bedoel ik niet dat de inzichten doorgaans achter betaalmuren verdwijnen en niet worden overgedragen. Gebeurtenissen zijn uniek en vergelijkingen tussen toen en nu zijn daardoor lastig. Je kunt niet zomaar de crisisrespons van de oude Atheners op de tyfusepidemie vergelijken met onze reactie op corona: om te beginnen omdat je alleen kunt herkennen wat je uit je eigen tijd kent (een kentheoretisch obstakel), maar ook omdat de realiteiten destijds te anders waren om zomaar te vergelijken (een ontologisch obstakel). Men wist destijds immers minder, had minder mogelijkheden en had andere aannames over de waarde van een mensenleven. Vandaar dat je moet weten wat je vergelijken kunt en wat niet. Ik heb al eens verwezen naar de vergelijkingstheorie. Wie die negeert is gedoemd tot onwetenschappelijkheid, wat overigens niet verboden is. Zo’n vergelijking kan nog altijd zin geven aan de complexe werkelijkheid van vandaag en daarom didactisch nut hebben.

Oudheidkunde is een sociale wetenschap

Stel nu echter dat je belangstelling hebt voor het verleden, stel nu dat je ervan wil leren, stel nu dat je dat wetenschappelijk wil aanpakken, stel nu dat je een zinvolle vergelijking maken kunt, dan nog ben je er nog niet: de constatering dat “ze” vroeger anders waren dan wij, is immers nogal bête.

Als je er iets van wil leren, zul je moeten weten waardoor dit verschil ontstaat en dat brengt je naar de sociale wetenschappen. Er was bijvoorbeeld weinig economische groei in de Oudheid doordat de elites neerkeken op ambachtelijkheid; daardoor was er bijvoorbeeld geen keizerlijke academie voor techniek, waren er geen investeringen in de nijverheid, ontstond geen werkelijk kapitaal. Een mentale factor bepaalde dus de economie.

Oorzakelijkheid

We hebben het nu dus over oorzakelijkheid, dat wil zeggen dat een bepaald fenomeen (dedain voor handenarbeid) een effect heeft op een ander fenomeen (het uitblijven van innovatie en economische groei). En oorzakelijkheid is een notoir lastig begrip.

Het klassieke voorbeeld is een biljartpartij, waarin een bewegende bal een andere bal doet bewegen. Menselijk gedrag is helaas niet zo simpel en voorspelbaar. De vrije wil, het menselijk begrip en de wijze waarop we onze ideeën uiten spelen een rol. Als bijvoorbeeld Saoedische terroristen een aanslag plegen op de Twin Towers in New York, heeft de president van de Verenigde Staten de vrije wil om wel of niet te antwoorden, begrijpt hij dat hij een aanval door Saoedi’s moet beantwoorden met een inval in Irak en geeft hij die vorm door de oorlog te vergelijken met een kruistocht.

Denken over causaliteit veronderstelt dus eigenlijk altijd dat de historicus zich kan inleven in de personen waarmee hij te maken heeft. “Een man zoals Caesar zou in een situatie zoals begin januari 49 v.Chr. als volgt hebben geredeneerd…” Het datagebrek dat de oudheidkunde typeert, maakt deze hermeneutische oefening vaak heel lastig.

Oorzaak en aanleiding

Hoewel het complex is, of juist daardoor, heeft het niet ontbroken aan theorievorming. Dit temeer omdat het vinden van oorzaken al sinds de dagen van Herodotos geldt als kerntaak van de historicus. Eén van de aardigste inzichten is het onderscheid tussen aanleidingen en oorzaken, dat we al aantreffen bij Thoukydides, die aangeeft dat de Spartanen in 431 v.Chr. de Atheners de oorlog verklaarden met als aanleiding een nogal obscuur diplomatiek geschil en als oorzaak angst voor de groeiende macht van de tegenpartij.

Merk overigens op dat hij ons dus het domein van de sociale wetenschappen binnenloodst: “Spartaanse angst” is een mentaliteit en Thoukydides had niet de middelen vast te stellen of die werkelijk bestond. Spartaanse angst was – anders dan bijvoorbeeld consumentenvertrouwen – niet eenvoudig te meten of in een getal te vangen (waarbij ik de waarde van dit soort cijfers nog even buiten beschouwing laat). Oudhistorici kunnen Thoukydides’ verklaring van de oorlog in 431 dus niet zomaar overnemen. Het is slechts een mening. Weliswaar de mening van een intelligente man die de gebeurtenissen heeft meegemaakt en erover heeft nagedacht, maar toch: slechts een mening.

INUS-voorwaarden

Misschien is het vruchtbaarder te kijken naar wat oudheidkundigen feitelijk bedoelen als ze het over oorzaken hebben. Dat blijkt dan eigenlijk altijd iets heel anders te zijn. We hebben te maken met diverse factoren: de tweede Wereldoorlog werd veroorzaakt door Duits revanchisme + een vertraagde economische groei + falende Britse diplomatie + Hitler + een crisis in de democratie + Japanse behoefte aan olie + … enz. Geen van deze factoren was voldoende om tot oorlog te komen; en eerlijk gezegd was ook geen van deze factoren noodzakelijk omdat mensen altijd wel een reden kunnen verzinnen om ervaren onrecht met geweld te beantwoorden. De jargonterm is dat het INUS-voorwaarden zijn: de insufficient but not redundant delen van een factor die op zichzelf unnecessary but sufficient is om iets te laten gebeuren. In feite is het woord “oorzaak” verkeerd.

Als Simon Hornblower (zoals ik hier aangaf) schrijft dat de Atheense bijstand aan de rebel Amorges, omdat die ertoe leidde dat de Perzische koning Darius II Nothos steun begon te verlenen aan Sparta, Athene de oorlog deed verliezen, wil hij in feite alleen zeggen dat één van de vele factoren een groter gewicht kreeg.

Systeemtheorie

Een andere kwestie is nog de onderlinge samenhang van de factoren. Vooral in de archeologie is hierover goed nagedacht en zijn concepten uit de systeemtheorie gebruikt. Het plaatje hierboven is mijn voorbeeld. Het toont verschillende wegen om van een agrarische naar een stedelijke samenleving te komen maar het is zó geconceptualiseerd dat allerlei factoren elkaar versterken en je kunt je verschillende routes voorstellen.

Een betrekkelijk recente ontwikkeling is complexiteit, waarbij een hoop grote en kleine systemen worden samengenomen en wordt gekeken naar een kantelmoment waarop ineens iets lijkt te veranderen, zonder dat je precies kunt aangeven waardoor. Een mooie analogie is te vinden in de fysica: als je aan een blok ijs – water dus in vaste toestand – geleidelijk wat energie toevoegt, steeds wat meer, verandert er lange tijd niets maar begint het ineens te smelten. Een vrij plotselinge verandering van aggregatietoestand vindt dus zijn verklaring in op zich rustige processen. Eric Cline gebruikte dit in zijn boek 1177 BCE ter verklaring van de instorting van het Bronstijdsysteem.

Kortom

Er is meer te vertellen over causaliteit, maar ik laat het er even bij. De crux van dit wat lang uitgevallen stukje was tweeledig:

  • enerzijds is wat oudheidkundigen een oorzaak noemen, doorgaans een INUS-voorwaarde
  • anderzijds beland je eigenlijk altijd in de sociale wetenschappen.

Wie geen kennis heeft van de sociale wetenschappen kan nog altijd plezier beleven aan het verleden en er didactisch zinvolle dingen mee doen, maar wetenschappelijk mag je dat niet noemen.

[Oudheidkunde is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

46 gedachtes over “MoM | Oorzakelijkheid

  1. FrankB

    “Een mentale factor bepaalde dus de economie.”
    Daar begint het al. Je schrijft terecht een factor. Nogal wat economen en natuurkundigen zullen op een andere factor wijzen: de wetenschappelijke methode faciliteerde een versnelling van technologische innovaties, die een versnelling van de economische groei mogelijk maakte. Al had de elite in de Oudheid niet neergekeken op ambachtelijkheid, dan nog was de economische groei relatief laag gebleven.

    “Het klassieke voorbeeld is een biljartpartij, waarin een bewegende bal een andere bal doet bewegen.”
    Het is een flinke zijsprong, maar ik wijs er toch even op dat dit een klassiek voorbeeld in de letterlijke betekenis van het woord is. Op atomair niveau klopt er niet veel van.
    En zelfs in klassieke zin ligt het ingewikkelder. We nemen aan dat de andere bal stil ligt en dat de massa’s van de twee ballen altijd hetzelfde zijn. Dan nog hebben we niet alleen te maken met de snelheid van de eerste bal, maar ook met de hoek waaronder de eerste bal op de twee botst, het feit dat de eerste bal rolt en wellicht ook nog eens draait om zijn as. Ik wil maar zeggen, het gedrag van biljartballen is ook allesbehalve simpel. Een natuurkundige (co-samensteller van de roemruchte BINAS) vertelde me lang geleden dat het juist helemaal niet voorspelbaar is wat de tweede bal gaat doen!

    “In feite is het woord “oorzaak” verkeerd.”
    Dat komt omdat de term meestal niet behoorlijk is gedefinieerd en mensen (dus ook ik) nu eenmaal de neiging hebben tot vereenvoudiging. Niets is eenvoudiger dan het simpele A veroorzaakt overal en altijd B. Jijzelf doet dat met het voorbeeld van de biljartballen. En als het in de Klassieke Natuurkunde (over Kwantummechanica heb ik het maarniet vandaag) al zo ingewikkeld ligt dan zeker bij de alfa’s en gamma’s.

    “in feite alleen zeggen dat één van de vele factoren een groter gewicht kreeg.”
    Toch denk ik wel iets meer dan dit. Ik haalde opzettelijk het voorbeeld van de Slag van Gettysburg aan. Had de Confederatie die gewonnen dan was ze nog steeds aan de velrliezende hand geweest. Gegevens betreffende economie en mankracht suggereren dat de Amerikaanse Burgeroorlog al na een half jaar beslist was, met de inname van New Orleans. Daarna was omsingeling en afknijping onvermijdelijk, zolang de Unionisten geen al te domme dingen deden. Dit was het resultaat van een doelbewuste strategie van President Lincoln en zijn staf.
    We kunnen dus een gedachtenexperiment doen: toen de Perzen besloten de Spartanen te steunen, had Athene nog een kans om de oorlog te winnen, aangenomen dat de Perzen geen enorme fouten zouden maken? Ik ben niet goed op de hoogte van de beschikbare gegevens maar gok van niet.
    Ik kan me goed voorstellen dat Hornblower iets soortgelijks in gedachten had. Dus tenzij iemand een winnende strategie voor de Atheners kan ontwerpen of tenminste een draaglijke exit-strategie lijkt mij dat hij het goed heeft. Oorlog is uiteraard wel een speciaal geval.

    De vergelijking met het smelten van ijs is wel grappig. Een natuurkundige zou zeggen dat de toevoer van energie de oorzaak is van het proces, maar niet van het kantelpunt. Die wordt gezocht in de interactie van moleculen. De natuurkundige zal zich dus afvragen: hoeveel energie moet je precies toevoeren om dat kantelpunt te bereiken? Of dat nuttig is, daar bekreunt hij/zij zich doorgaans totaal niet om. Zie de Ignobelprijs, bijvoorbeeld het laten zweven van een kikker met behulp van magnetisme.
    Uit de Atheense bijstand aan Amorges vallen nuttiger lessen te trekken.

    1. Martin

      De faseovergang gebeurt bij temperatuur Tc. De vraag is dus waar Tc door wordt bepaald. In de vrije energie A=U – TS wordt de term -TS steeds groter met stijgende T, en gaat dan de term U overstemmen, want A moet minimaal zijn. Bij lage T domineert U, en dan heb je ordening. Dat heb je ook bij een ferromagneet: ordening onder Tc en paramagnetisme boven Tc (Curie temperatuur).

  2. Bert Schijf

    In modern sociologisch onderzoek zal niet gesproken worden over oorzaak en gevolg. maar over kans. Misschien dat een eenvoudig voorbeeld helpt. Er is zonder enige twijfel een verband tussen het onderwijsniveau van ouders en het bereikte onderwijsniveau van hun kinderen. En dat geldt eigenlijk in iedere moderne samenleving. Toch zal geen onderwijssocioloog spreken over een oorzaak. Dat is veel te mechanistisch, want er zijn altijd uitzonderingen. De redenering zou zijn dat hoe hoger het onderwijsniveau van de ouders is des de groter de kans is dat hun kind ook een hoger onderwijs bereikt. Met de voorbeelden die Jona geeft van oud-historische redeneringen heeft een socioloog weinig. Ze betreffen unieke gebeurtenissen of een specifieke samenleving. Sociologen houden zich met structurele patronen bij samenleving(en) bezig. Het uitbreken van de Tweede Wereld is sociologisch gezien niet zo interessant. Het uitbreken van oorlogen in het algemeen wel. Er bestaan natuurlijk historici die op dezelfde manier als sociologen redeneren en grote datasets verzamelen. Mijn indruk is dat bij narratieve historici wel over oorzaak en gevolg word gespreken op de manier die Jona beschrijft. Maar eigenlijk zou hij daar tegen moeten zijn als hij iets van sociale wetenschappen wil gebruiken.

    1. Martin

      “Dat is veel te mechanistisch want er zijn uitzonderingen”. Sorry, wat is dat voor een reden? De correlatie tussen IQ en school succes is ook geen 100% maar toch wel 80 %. Intelligente ouders krijgen meestal intelligente kinderen, dat verklaart veel van het school succes van de kinderen, en IQ correleert ook nog al sterk met de sociaal-economische situatie van de ouders. Dat verbaast allemaal niet voor wie om zich heen kijkt, waarom willen de sociologen het daar dan niet over hebben?

      1. FrankB

        Simpel – BertS gebruikt de term “oorzaak” in dezelfde betekenis als de Klassieke Natuurkunde, die tot het 18e eeuwse wereldbeeld leidde. Dat beeld wordt wel mechanistisch genoemd. U spreekt hem dus helemaal niet tegen, integendeel.

        “waarom willen de sociologen het daar dan niet over hebben?”
        En waarom slaat u elke dag uw echtgenote?
        Hetzelfde type vraag, hetzelfde antwoord.

        1. Martin

          Nee, Bert zegt dat moderne sociologen het niet over een oorzaak willen hebben, terwijl die er wel degelijk is. Nu sla ik mijn echtgenote nooit, maar als Mannen hun vrouw slaan, dan is er wel degelijk een oorzaak, zoals frustratie of drankmisbruik bij de man.

          Trouwens, als er geen oorzaak is, waarom hebben de sociologen het er dan altijd over?

          1. FrankB

            Lees de eerste regel van BertS’ reactie nog eens. Ik heb hem voor u gekopieerd.

            “In modern sociologisch onderzoek zal niet gesproken worden over oorzaak en gevolg.”
            Tot zoverre “altijd”. Uw vraag is dus gewoon dom voor iemand van uw intelligentie.
            Ook spreekt u mijn “hetzelfde type vraag, hetzelfde antwoord niet tegen”. In plaats daarvan verschuift u heel onwetenschappelijik de doelpalen. Laat het me dus voor u uitspellen. U maakt zich schuldig, om ideologische redenen, aan de drogreden genaamd “beladen vraag”.

            https://www.logicallyfallacious.com/logicalfallacies/Complex-Question-Fallacy

            Een soortgelijke fout maakt u hieronder met

            “de mens dient maakbaar te zijn”.
            Sociologie onderzoekt niet de mens. Dat doet psychologie en met enig succes. Tot op zekere hoogte is de mens inderdaad maakbaar. De wetenschappelijke consensus is dan ook dat nature versus nurture een schijntegenstelling is – beide spelen een rol.
            Had u de moeite genomen de (Nederlandse) Wikipedia te plegen dan had u deze fout vermeden. Ik citeer:

            “Sociologie is de studie van de sociale relaties tussen mensen, en in het bijzonder van de politieke, culturele, religieuze en economische aspecten van menselijke samenlevingen.”
            Nou is het inderdaad zo dat in de jaren 1970 sociologen overoptimistisch aan de slag gingen met de maakbaarheid van de samenleving. Daar kwamen ze in de jaren 1980 al weer van terug. Dus u loopt ook nog eens een kleine veertig jaar achter.
            Dat de misdaadcijfers onder andere in Nederland zo netjes dalen is onder andere aan sociologische inzichten te danken. Zie ook de beheersing van voetbalvandalisme. Het is dan wel weer grappig dat een conservatief als u, die geacht wordt een belangrijke rol aan ordediensten als de politie toe te kennen, niet beseft dat diezelfde politie sociologische inzichten toepast.

            1. Martin

              Tot zoverre “altijd”: over het thema, natuurlijk: ongelijkheid. De discussie gaat altijd over de verhouding tussen nature en nurture. De sociaal-democraten beweren graag dat nurture het meest belangrijk is; als iedereen dezelfde nurture zou krijgen dan was er geen ongelijkheid meer. Dream on.

              1. Jeroen

                He! Martin! Doe eens rustig met FrankB… hij heeft het al moeilijk genoeg, zeg; onlangs is zijn oude grimeur overleden!

            1. Martin

              Toch wat? Een echte vent slaat gewoon geen vrouwen. En voor een dame houden wij ook de deur open.

        2. Jeroen

          Wat? Willen sociologen het niet over de relatie tussen IQ en schoolsucces hebben omdat ze daar licht seksueel van opgewonden raken?
          Mmmm….interessant

          1. Martin

            Ik ben niet bekend met de geheime voorkeuren van sociologen, en dat houd ik graag zo.

            Ik weet dat IQ discussies altijd moeilijk liggen, dus als er wat heftig op mij gereageerd word: Soit. En ik wist niet van FrankB’s grimeur, sorry.

    2. Bert Schijf: “In modern sociologisch onderzoek zal niet gesproken worden over oorzaak en gevolg”

      De ontwikkelingen gaan wel heel snel tegenwoordig. Afgelopen februari las ik een korte blogpost Methods of Causal Inquiry in Social Science. Socioloog Daniel Little presenteert hier “a map of an extensive set of methods of causal inquiry in the social sciences.” Twee maanden later is dat artikel kennelijk alweer achterhaald!

      1. Bert Schijf

        Het blog is niet verouderd maar bevat ook weinig nieuws. Zulke schema’s ken nog wel uit mijn studententijd. Om de zoveel tijd beschrijft iemand zo’n schema. Bovendien noemt Daniel Little zichzelf Philosopher of Social Science. Dat is ander vak. Ik verwees naar moderne sociologische onderzoekers die geavanceerde statistische technieken gebruiken. Daarbij gebruiken ze statische begrippen als verklaarde variantie en kans. FrankB en enkele anderen begrijpen dat heel goed, Martin bijvoorbeeld helemaal niet. Die is veel te ideologisch bevangen.

        1. Martin

          Wat voor ideologie heb ik dan? Ik ben dat politiek-correcte gedoe over IQ een beetje zat, dat is waar.

          1. Bert Schijf

            Ik heb het hele woord verouderd nooit gebruikt. Laat staan hartstikke. Nogal een kinderachtige reactie. U moet het boek vooral lezen!

          1. Bert Schijf

            U reageert als de gebeten hond. En nog wel in het Engels met vier uitroeptekens. Toe maar. Kennelijk heb ik raak geschoten. Er is geen enkele aanwijzing dat ik dat zou willen met het boek van Judea Pearl die overigens informaticus is. Goed lezen kan nooit kwaad, maar het is altijd leuk om zulke misplaatste reacties uit te lokken .

  3. Martin

    Ja, je kunt wel over “kans” spreken, maar dat is geen verklaring. Er is inderdaad een verband tussen het opleidingsnivo van de ouders en dat van hun kinderen. Er is ook een verband tussen de SES van de ouders en het opleidingsnivo van hun kinderen. Daarom wil men het niet over causaliteit (=DNA) hebben, want de mens dient maakbaar te zijn om ideologische redenen.

    1. FrankB

      Zo is er ook geen verklaring voor electron-positronproductie, terwijl er mbv het begrip waarschijnlijkheid – en BertS gebruikt “kans” in precies dezelfde betekenis – wel verbanden bloot te leggen zijn. Waarom zou dat in de natuurkunde geen probleem zijn, maar in de sociologie plotseling wel? U maakt zich hopelijk toch niet schuldig aan een dubbele standaard?

      “Daarom wil men het niet over causaliteit (=DNA) hebben, want de mens dient maakbaar te zijn om ideologische redenen.”
      Kijk, dat is nou grappig. Deze beschuldiging is strijk en zet gemotiveerd door …. jawel, ideologische redenen, zoals die van u.
      Pot, ketel, zwart.

      1. Martin

        Als er een verband is, dan is het de vraag of die te verklaren is door een onderliggende reden. In de fundamentele natuurkunde zijn er waargenomen verbanden waar vooralsnog geen diepere verklaring voor is. De sociologen willen echter geen verklaring. Dat krijg je als de mensheid gaat bestuderen; de waargenomen verbanden zijn niet altijd wat je graag zou zien.

        U kunt het ontkennen, maar “links” heeft de pest aan erfelijkheid, vooral aan het soort erfelijkheid die van belang is voor je sociaal-economische situatie.

  4. Om te beginnen druk je een correlatie niet uit in een percentage maar in een correlatiecoëfficient. De correlatie tussen IQ en schoolsucces wordt in het algemeen geschat op zo’n .50 (tussen de .40 en .60) en dat betekent dat een IQ-score 25% (.50 in het kwadraat) van de variatie in het schoolsucces verklaard. Zo’n “verklaring” is geen causale verklaring (A veroorzaakt B) maar een relationele verklaring (A hangt samen met B) en de sterkte van die samenhang is nu eenmaal een kans. Over de erfelijkheid van IQ zijn hele klassenstrijden gevoerd waarbij de samenhang tussen sociaal-economische status en IQ ook op de mogelijkheid wijst dat we met IQ niet alleen “intelligentie” maar ook “sociale kansen” meten. Met deze problematisering van een mechanistisch wereldbeeld houden sociologen en psychologen zich bezig hetgeen zinvoller is dan de mens als biljartbal opvatten, hoewel een eerdere reactie al duidelijk maakte dat dit ook geen recht aan de biljartbal doet

    Peter Verhaak

    1. Martin

      Ja, weet ik. Een correlatie coëfficiënt ligt tussen -1 en +1. Maar sommigen zeggen het in %.

      En tussen gymnasium leerlingen en VMBO leerlingen is er toch wel een substantieel verschil in intelligentie waar te nemen. Verbaast mij niet. En wat heeft dat met kansen te maken? Ik heb wel artikelen gezien waarin wordt beweerd dat IQ helemaal niets betekent. Tuurlijk, men zoekt het maar uit.

      Ik zal er niet over doorgaan, ik weet over de klassenstrijd mbt IQ. Overigens meen ik dat ieder kind de kans op optimale scholing moet krijgen.

      1. jacob krekel

        “En tussen gymnasium leerlingen en VMBO leerlingen is er toch wel een substantieel verschil in intelligentie waar te nemen. ”
        Een mooi voorbeeld van nurture. In het wild bestaan er nl geen vmbo-leerlingen en gymnasiumleerlingen. Dat zijn artefacten van het schoolstelsel. In andere landen tref je die niet aan, want die hebben geen vmbo en geen categoriaal gymnasium (en geen havo), Daar heb je dus ook geen vmbo-leerlingen, gymnasiasten of havisten. Terwijl een Nederlandse leraar zonder moeite een typisch havo-klantje herkent.

        1. Martin

          Ik snap uw logica niet zo goed, behalve dan die in uw laatste zin.

          Het begrip “nurture” gaat over de leerling zelf. Als een leerling naar het gymnasium gaat, is dat dan het gevolg van nature (aangeboren kwaliteiten) of van nurture (opvoeding)? Ik meen dat nature de sterkste invloed is; bij kleine kinderen zie je al of er iets in zit of niet.

          Ik moet toegeven dat ik Havo als een wat laag nivo zie, maar dat ligt aan mijzelf.

          1. jacob krekel

            @Martin. Mijn punt is dat er van nature geen gymnasiumkinderen of vmbo’ers bestaan Deze kinderen bestaan alleen maar omdat ons zonderlinge schoolstelsel deze vormen van onderwijs kent, die in andere landen niet bestaan. Wij hebben ons schoolstelsel niet ingericht omdat er van nature een bepaalde begaafdheidsverdeling van 12-jarigen is. Die verdeling ontstaat omdat ons schoolstelsel zo is ingericht. Puur nurture dus. Wat niet wegneemt dat, als je dezelfde test aan de hele breedte van de populatie voorlegt, er nog een behoorlijke overlap tussen vmbo-kb en vwo blijkt te bestaan.
            Wat u precies bedoelt met “dat ik Havo als een wat laag nivo zie”, weet ik niet, maar ik weet wel dat er heel wat vakkenpakketten havo zijn, waarvan de meeste volwassenen geen voldoende op de centraal examen zouden kunnen scoren. Het havo is de enige vijfjarige v.o. opleiding in de hele wereld die toegang geeft tot het hoger onderwijs.

    2. Martin

      Ja, correlatie is niet zonder meer bewijs van een oorzakelijk verband, een correlatie kan ook op toeval berusten. Maar aangezien we waarnemen dat de cognitieve capaciteiten van mensen variëren van zwak-begaafd tot hoog-begaafd is het evident dat er wel degelijk een causale reden is waarom IQ zo positief met schoolsucces correleert. En die correlatie is in de buurt van 0,7 tot 0,8, en niet slechts 0,5. Per schooltype is er een range van IQ waarden van de leerlingen. En dat is dus geen toeval. Dan kun je wel denken dat een zwak-begaafde ook naar het gymnasium had kunnen gaan als zijn of haar ouders meer geld hadden gehad, maar dat is dan wel zeer onrealistisch.

      1. Bert Schijf

        Het zou natuurlijk mooi zijn als Martin bronnen geeft voor die hoge correlatie tussen 0,7 en 0,8. Zelfs als we de correlatie van 0,8 nemen levert dat een verklaarde variantie van maar 0,64 op. Met andere woorden 0,34 van de variantie blijft onverklaard. Waar zou dat aan kunnen liggen? Is dat allen maar ‘ruis’ in onze analyse? Of zijn de onafhankelijke en afhankelijke verkeerd gemeten of zijn er toch nog omgevingskenmerken die een rol spelen? En nu heb ik nog niet eens gehad over die multi-levelanalyses waar sommige kwantitatieve sociologen zo dol op zijn.

        1. Martin

          Die waarden heb ik van een psycholoog die zich IQ heeft gespecialiseerd, voor HR zaken etc.

          En waarom moet de variantie worden betekend? Je ze gewoon de schoolnivo’s uit tegen de IQ waarden, en dan zie je een heel behoorlijke correlatie. Wat is daar zo mysterieus aan? Cognitieve kwaliteiten zijn aangeboren. Net als gender, ook al zo’n onderwerp. Wat ik kwalijk vind, is dat de universiteit misbruikt wordt als platform om politieke propaganda te verspreiden. Ja, het is zogenaamd wetenschappelijk vastgesteld, dus dan moet het geaccepteerd worden. Ik ben gewend aan technische en fysische data, daarbij is het heel normaal om te analyseren hoe betrouwbaar de conclusie is. Tegenwoordig ook bij complexe systemen, zoals vliegtuigen en zelfsturende auto’s; er zijn “insecure data”, en daaruit moet dan de statistisch optimale conclusie worden getrokken, bv met gebruik van een dynamic model. Geschiedenis is nog een ander onderwerp. De duiding van historische processen ligt altijd gevoelig, vooral bij degenen die zich als verliezer zien. Dan is geschiedschrijving zogenaamd alleen maar een narratief, dus een verhaaltje dat net zo goed anders had kunnen zijn. Er is een duidelijke samenhang tussen de SES van ouders en het schoolsucces van hun kinderen. Als dat geen bewijs voor discriminatie is! Dat speelde bij de PvdA in de jaren 1980 ook een grote rol ivm de beruchte Middenschool: “spreiding van kennis, macht en inkomen”. Spreiding van kennis! Tuurlijk, elke halve zool kan een specialist in de algebraïsche meetkunde worden, als hij daartoe maar de kans krijgt. Het gaat tenslotte alleen maar om de spreiding van kennis. Die benoemde samenhang werd onlangs ook beschreven in het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde. Daar werd ook zonder enig argument uit deze samenhang geconcludeerd dat er dus veel onontdekt talent aanwezig moest zijn in lage-SES gezinnen, en de suggestie was dat dat soort verwaarloosd talent tegengewerkt werd. Ik heb toen ook aan de auteur van het artikel gevraagd waarom er zonder meer van uitgegaan werd dat erfelijkheid geen enkele rol zou spelen, terwijl iedereen ziet dat erfelijkheid wel degelijk een rol speelt. Na een week kreeg ik het antwoord dat het er alleen om ging om ieder kind een kans op optimale ontwikkeling te bieden, wat alweer heel anders klinkt, en waar ik het ook mee eens ben. Als u schrijft dat sociologen zich niet voor oorzaak en gevolg interesseren, dan denk ik: wat heeft dat dan nog met wetenschap te maken? Onlangs stond in de NRC een opinie van vier “gender scientists”, waaronder een dame die daar professor in is, en in die opinie werd gewoon beweerd dat er geen enkel statistisch verschil mag zijn omdat we volgens de Grondwet allemaal gelijk behandeld moeten worden, wat een politiek gemotiveerde leugen is omdat er in artikel 1 van de Grondwet iets geheel anders staat. Dus in deze blog gaat het om een fundamentele vraag: hoe trekken wij conclusies uit data? Dat gaat niet alleen over sociologie, ik vind de theoretische economie ook een hoop gewauwel.

  5. “…waren er geen investeringen…ontstond er geen werkelijk kapitaal” is nogal aanmatigend aangaande wat van waarde is. Nu zal ik de laatste zijn om het kapitalisme af te vallen, maar om te beginnen zullen veel milieu/klimaatactivisten hier (radicaal) anders over denken. De uitspraak illustreert hoezeer iedereen (ook jij, Jona) bent geindoctrineerd door het neoliberaal gedachtengoed; “groei=goed”. Daar is best wat op af te dingen, want is wat we uit de oudheid terugvonden niet van blijvender waarde dan de plastic prullaria waar we tegenwoordig de winkels mee vullen? Hoewel dat voor toekomstige archeologen eventueel anders kan liggen- die kunnen misschien daardoor iets leren over de wegwerpmaatschappij. Evengoed blijft in mijn ogen de Venus van Milo mooier dan een plastic emmer van Brabantia…

    Bovendien laat je even buiten beschouwing dat er in de oudheid wel degelijk behoorlijk wat ambachtelijke productie was- waar zou men bv anders al die wijn en olijfolie in moeten vervoeren? Valt trouwens bewerkt voedsel ook noet onder “ambacht”? Dit zeg ik omdat bekend is dat Nero nogal dol was op Ardenner ham- maar dit terzijde. Nog even dit; minoisch huishoudelijk aardewerk is in het gehele oostelijke middellandse zeebekken gevonden. Men hechtte dus wel degelijk waarde aan die ambachtelijke producten- klanten om de kwaliteit of hoe het eruit zag, de handelaren om het geld.

    Wat betreft de waarde die men in de oudheid hechtte aan een mensenleven, kun je ook nog verschil maken tussen sociale lagen (aristocraten” priesters, krijgers, vrouwen, slaven- hoe lager de status, hoe minder de waarde, in grote lijnen dan), en leden van het eigen volk- en dat van de vreemdelingen, die (hoe verder weg) als steeds minder menselijk werden beschouwd.

  6. Toevoeging; tegenwoordig hebben we ook geen al te grote waardering voor ambacht (schrivers, kunstenaars en klompenmakers zijn de rosee van de huidige maatschappij, waarin iemand die alleen geld door zijn handen laat gaan het meeste verdient)- en ook kun je je afvragen of het wel wáár is dat (investeringen in) de maakindustrie echt kapitaal genereert; de rijkste mensen zijn immers degenen met (grond)bezit, net als in de oudheid. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar die bevestigen de regel. Bovendien, zo gewonnen, zo geronnen…

    1. Martin

      Alle 12-jarigen hebben dezelfde begaafdheid? Daar kijk ik van op.

      Dat veel volwassenen geen Havo nivo hebben verbaast niet. 60% van de kinderen gaat naar het VMBO, dus dat percentage zal ook wel bij de volwassenen gelden. En OK, Havo is hoger dan VMBO.

  7. Interessante blog en ook mooi schema:

    …maar het is zó geconceptualiseerd dat allerlei factoren elkaar versterken en je kunt je verschillende routes voorstellen…

    Er zitten inderdaad veel begrippen/situaties/aannames in de flow-chart waar je een positieve feed-back aan toekent. Ogenschijnlijk minimaliseer je daarbij de rol van één of een paar individuen die de cyclus de andere kant kunnen opsturen. Bij de ontginning van het Tweestromenland moeten er ook al individuen geweest zijn die het initiatief namen.
    Er bestaat ook een ‘kans’ (zoals Bert Schijf hierboven zegt) dat door externe factoren (zoals de Amerikanen zeggen ‘an act of God’), bijvoorbeeld een een ernstige pandemie dat de ontwikkeling stilvalt. En een oorlog kan zo hevig zijn dat er een kans is dat oorlogvoerende partijen er aan ten ondergaan.

    Oorzaak is inderdaad een moeilijk definieerbaar begrip.
    Zie: https://www.wikiwand.com/en/Causality
    Engelse Wiki: Steeds de beste!

  8. eduard

    Een bijzondere vorm van het kijken naar oorzaken uit de 20ste eeuw is het marxistische begrip van de “historische noodzakelijkheid”, want daarmee kon je een gevolg aan een oorzaak vooraf laten gaan, een logische onmogelijkheid. Zonder het bij die naam te noemen werd de historische noodzakelijkheid ook door niet-marxisten gebruikt. Bijvoorbeeld, om het raadsel te verklaren van de katafraktoi, de totaal in pantser gehulde ruiterij van Azië, werden zij veranderd in prototypes of experimentele voorlopers van de West-Europese middeleeuwse ridder.

  9. A. Harmens

    De beschreven problematiek rond oorzakelijkheid doet denken aan de discussies rond het Covering Law Model in de geschiedwetenschappen. Als ik Jona’s schema zo bekijk wordt de Covering Law via de systeemtheorie weer gewoon de geschiedwetenschap binnengesmokkeld.

  10. Klaas

    ‘begrijpt hij dat hij een aanval door Saoedi’s moet beantwoorden met een inval in Irak en geeft hij die vorm door de oorlog te vergelijken met een kruistocht.’
    Je zou bijna vergeten dat de huidige president niet de eerste imbeciel was in het Witte Huis 🙁

Reacties zijn gesloten.