De mantel van Martinus

Ik ken meneer Hagenaars uit Diemen niet. Hij is de auteur van de bovenstaande brief, die vrijdag te lezen viel in Trouw. en een reactie is op deze column van Koos Dijksterhuis. De briefschrijver legt uit dat Martinus van Tours de helft van zijn mantel aan de armen gaf omdat hij soldaat was en de helft van zijn mantel eigendom was van Rome. Door een halve cape te geven, gaf hij zijn hele bezit.

Een van de vaste gebruikers van de reageerpanelen van deze blog legde de brief aan me voor. Hij had hier nog nooit van gehoord, geloofde ik het?

Nou, nee. Ik geloofde onmiddellijk dat Hagenaars het te goeder trouw had geschreven, want de verklaring valt ook op verschillende internetsites te lezen. Meestal met precies dezelfde formulering: “de mantel was eigendom van Rome”. Het staat eveneens op de Wikipedia. Het gaat evident terug op één bron, maar dat wil niet zeggen dat de verklaring juist is. Het zweemt naar een bepaald soort verklaringen dat je wel vaker tegenkomt.

Die verklaringen hebben vaak een morele pointe. Het “oog van de naald” waar geen dromedaris doorheen kan, heette zo omdat er een stadspoortje met die naam was in Jeruzalem. (Ergo, het is niet erg rijk te zijn want je komt het paradijs toch wel binnen.) De noordelijke Nederlanden zijn protestants omdat de Romeinen nooit verder kwamen dan de Rijn. (Ergo, protestantisme belichaamt de Nederlandse vrijheidsliefde en volksaard.) De gnostische evangeliën zijn er niet meer omdat de christenen ze vernietigden. (Ergo, christenen zijn gemene cultuurhaters.)

Hoe zit het wel met de cape van Sint-Maarten? We hebben aanwijzingen. Om te beginnen is gedocumenteerd dat het Romeinse leger zijn soldaten uitrustte. Volledig, niet half. De manschappen betaalden daarvoor.

Loonstrookje uit Masada

Hierboven is het loonstrookje van een ruiter uit Beiroet, waarop u het kunt nalezen. Op de twee onderste regels staan inhoudingen voor een pallium opertorium (omslagmantel) en een tunica alba (wit gewaad). De legerhervormingen van keizer Claudius veronderstellen centrale productie van de uitrusting. In de vierde eeuw, toen Martinus leefde, was er een systeem van werkplaatsen waar het leger van alles produceerde. (Amiens, waar Martinus zijn mantel deelde, was een van de productiecentra.)

Daarnaast kon een ruiter natuurlijk eigen bezittingen hebben. Ook daarover zijn papyri bekend, zoals een briefje van een soldaat die vraagt of zijn ouders hem wollen sokken kunnen sturen (in Egypte nog wel). Of Martinus een rijksmantel of z’n eigen bullen doormidden sneed, is uit het heiligenleven niet af te leiden, maar een gedeeld bezeten mantel zou iets nieuws zijn.

Kortom: de mantel is niet gehalveerd omdat Martinus van Tours het voorwerp maar voor de helft bezat.

Wat gaat er dan schuil achter de halve mantel? Robert Vermaat van re-enactmentgroep Fectio, waar ze alles weten van het Laat-Romeinse leger, schrijft me dat soldaten hun mantels dubbelgeslagen droegen. Voor de oppervlakkige waarnemer veranderde er dus niet zoveel: Martinus gaf de buitenkant of de binnenkant van zijn cape weg, ging verder dus dunner gekleed, maar bedekte nog even weinig of veel van zijn lichaam.

Voor het overige is het verhaal natuurlijk bedoeld om aan te geven dat Martinus het evangelische advies “wie twee paar kleren heeft, moet er een aan de armen geven” overtrof. Het wijst vooruit naar zijn latere optreden als kloosterling. Martinus was, met een term van de Oxford oudhistoricus Robin Lane Fox, een overachiever.

[#reblog]

33 gedachtes over “De mantel van Martinus

  1. gerardvangen

    Mensen bedenken en hebben altijd een mening over van alles, vraag dit soort dingen over heiligenleven (hagiologie) aan mensen die er verstand van hebben nml het bolandisten instituut…ook wat betreft bijvoorbeeld St. Nicolaas, Heiligennet doet dit ook zeer betrouwbaar !

  2. gerardvangen

    Martinus van Tours, voluit, was een zeer belangrijke bisschop de bisschop na hem, Gregorius van Tours, heeft een zeer uitgebreide levensbeschouwing over Martinus geschreven de soort vragen die steeds naar boven komen is niet nieuw en door de eeuwen heen worden ze steeds weer gesteld zoals dat bericht allerlei verhalen worden dan verzonnen en aangenomen zonder de bronnen inderdaad te raadplegen. Als we ons nu eens bezig houden met de waarheid……..daar hebben we al heel erg genoeg aan om ons te verwonderen over overgeleverde zaken waarbij de Hagiologie een belangrijke rol in kan spelen nee speelt ! Wetenschap is het bewijs is het en niets geen gezwets van allerlei lui die denken de waarheid zomaar te moeten verkondigen in een krant bijvoorbeeld. Dat is ook nog eens een keer van die redaktie een aanfluiting natuurlijk en heeft niets met kwaliteit van nieuwsgaring te maken. Trouwens alles is van hun ook op facebook te zien en de laatste jaren steeds meer in het Engels, google vertaald dat ook goed !

  3. Yde Linsen

    ‘Om te beginnen is gedocumenteerd dat het Romeinse zijn soldaten uitrustte.’ Is Rijk in deze zin vergeten?

      1. Ben Spaans

        Op gelinkte wikipedia-pagina staat niets (meer) over het Romeinse leger eigendom van mantels. Maar de pagina bleek bij het raadplegen 9 uur geleden voor het laatst bewerkt te zijn. Misschien de invloed van de Mainzer Beobachter… ?

  4. “Voor het overige is het verhaal natuurlijk bedoeld om aan te geven dat Martinus het evangelische advies “wie twee paar kleren heeft, moet er een aan de armen geven” overtrof. Het wijst vooruit naar zijn latere optreden als kloosterling.” Vast, maar volgens mij wijst het verhaal in eerste instantie toch vooral _terug_ (altijd zinnig om de context er bij te halen). Een hoofstuk eerder (dus voorafgaand aan het verhaal over de halve jas) schrijft Severus dat Martinus ‘non miles, sed monachus putaretur’: “niet als soldaat, maar als monnik werd gezien.” Hoezo? Omdat hij voortdurend bezig was met ‘opem ferre miseris, alere egentes, vestire nudos…’:… ongelukkigen te helpen, behoeftigen eten te bezorgen, naakten te kleden…’ Dat ‘naakten kleden’ is een letterlijk evangeliecitaat (Mat.25). Het halve-jas-verhaal is daarvan dan een illustratie, en dient vervolgens om de rest van Mat. 25 te illustreren, waar staat dat ‘de Mensenzoon’ bij zijn komst tegen de mensen aan zijn rechterhand zal zeggen; Toen ik honger had, gaven jullie me te eten. (..) Toen ik naakt was, gaven jullie mij kleren”. Die mensen zullend dan vragen: “Wanneer had u honger en gaven we u te eten? (…) Wanneer was u naakt en gaven we u kleren?”, waarop de Mensenzoon zal antwoorden: “Elke keer dat jullie iets goeds deden voor één van deze kleinen hier, deed je dat voor mij.” Nadat Martinus zijn halve jas heeft weggegeven ziet hij Christus, die zegt: “Martinus (…) heeft _mij_ met zijn kleed bedekt” (n.b. hier dus niet ‘soldatenmantel’ [‘chlamys’], maar ‘kleed’ [‘vestis’], een duidelijke toespeling op het ‘vestire’ uit Mat. 25). Het verhaal bedoelt dus allereerst aan te geven dat Martinus t.z.t. zal terechtkomen aan de rechterhand van de Mensenzoon.

  5. JB

    Die vraag naar wollen sokken voor Egypte was volgens mij niet zo gek, want na zonsondergang kan het het ook daar knap koud worden, zeker in de woestijn.

      1. Even buiten Memphis begon de woestijn al. Ik heb wel eens een winter in Cairo doorgebracht; nergens heb ik het zo koud gehad als daar. Had ik toen maar wollen sokken gehad!

  6. Stephen van Beek

    Dat er ‘voor de waarnemer’ niet zoveel veranderde, lijkt me in strijd met de bron – en met een deel van de pointe van het verhaal. Sulpicius Severus (Vita Martini 3.2, waar deze episode vandaan komt) zegt nadrukkelijk: “Sommigen van de omstanders lachten hem uit, omdat hij er wanstaltig uitzag (quia deformis esse … videretur) met zijn ingekorte kleding.” Anderen, die ‘wijzer’ waren, schaamden zich omdat ze zelf niets gedaan hadden, “hoewel ze meer bezaten en de bedelaar hadden kunnen kleden zonder zichzelf te ontbloten.”

    Voorafgaand hieraan staat vermeld dat Martinus inzag dat deze bedelaar voor hém bestemd was, juist omdat de anderen hem geen erbarmen toonden. De relatie tot de omstanders is dus centraal.

    Overigens is niemand ertoe gehouden zichzelf te schaden om een ander een aalmoes te kunnen schenken: het punt is juist dat Martinus, in tegenstelling tot de anderen, géén overschot, géén ‘twee paar kleren’ bezat waarvan hij er één kon weggeven. Al zijn andere bezit had hij al op vergelijkbare wijze wegeschonken (reliqua iam in opus simile consumpserat). Door de mantel te delen verarmt en vernedert Martinus zich en stelt hij zich op één niveau met de bedelaar (c.q. Christus).

    (Zie verder Summa Theologica, II-II, q. 32, a. 6, over de grenzen van de plicht tot het geven van aalmoezen!)

    1. Dank je wel. Het schoot ook door mijn hoofd heen.

      Is het “deformis” ontstaan doordat hij al maar één kledingstuk bezat (zoals Gert Knepper op 11/11 opperde) of doordat hij die mantel halveerde? Het is mij eerlijk gezegd niet helemaal duidelijk.

      1. Stephen van Beek

        Het lijkt me evident dat de mantel niet *letterlijk* het enige was dat hij bezat: het is een overkleed, daaronder droeg hij allicht nog iets in de trant van een tunica en wapenrusting. (Details daaromtrent laat ik graag aan de kenners van laat-antieke militaria over.) De mantel was wél het enige dat hij nog met een ander kon delen.

        De tekst van Sulpicius is in elk geval ondubbelzinnig over de situatie: M. pakt zijn zwaard, snijdt de mantel doormidden (mediam dividit) en daarna wordt hij uitgelachen door het minder inlevende deel van de toeschouwers. Voluit geciteerd: “quia deformis esse truncatus habitu videretur”. De woordkeuze impliceert dat zijn kledij zichtbaar – en potsierlijk – ‘ingekort’ is; ‘truncare’ betekent, als het van lichamen (of standbeelden) gezegd wordt, normaal gesproken ‘verminken’ door de ledematen of andere uitsteeksels af te hakken. (Bij bomen is het ‘snoeien’. Vgl. ‘truncus’: ‘boomstronk’, uitbr. ‘romp’.) Martinus is ‘truncatus’ wat zijn kledij betreft. Dát is het opvallende element.

        1. Maar (nogmaals): er staat toch echt (toen Martinus de bedelaar tegenkwam) ‘nihil praeter chlamydem, qua indutus erat, habebat’, “had hij niets anders dan de chlamys die hij droeg”, en dat kwam ‘iam enim reliqua in opus simile consumpserat’ “omdat hij de rest (van zijn kleren, dus zijn tunica) al bij een gelijksoortige actie had weggegeven”. En na de actie schaamt een deel van de omstanders zich, omdat _zij_, in tegenstelling tot Martinus, hetzelfde hadden kunnen doen “sine sui nuditate”, d.w.z. ofwel ‘zonder zich te ontbloten’ ofwel ‘zonder (daarna deels) naakt te zijn’. De auteur legt dus juist veel nadruk op Martinus’ chlamys als diens enige kledingstuk: dat is essentieel voor de pointe van het verhaal.

          1. Stephen van Beek

            Interessant idee! Maar ik moet toch volhouden dat me dit niet de meest logische interpretatie van deze passage lijkt.

            Na het weggeven van zijn soldij – behalve wat hij voor zijn ‘dagelijks brood’ (quotidianum victum) nodig had – resteerde Martinus niets behalve zijn wapenrusting en zijn eenvoudige soldatenkledij: “nihil praeter arma et simplicem militiae vestem” (3.1). Het lijkt me onnodig om de ‘vestis’ (kleding in ruimere zin) zonder meer, één op één, met de mantel te identificeren. We moeten aannemen dat Martinus, als dienend soldaat, nog altijd zijn borstkuras droeg, en dat kán niet op de blote huid; in elk geval lijkt me dat niet hoe de situatie beschreven wordt.

            Het onzijdige ‘reliqua’ slaat m.i. niet op andere kledingstukken, maar simpelweg op ‘de rest (van zijn bezit)’. (Het zou bovendien nogal onpraktisch en onlogisch zijn geweest om éérst zijn onderhemd weg te geven en dán pas aan de mantel te beginnen!) Martinus heeft geen geld om de bedelaar te geven, dus deelt hij het enige wat hij kán delen: de mantel.

            Martinus geeft kortom méér weg dan er redelijkerwijs van hem verwacht had hoeven worden: hij geeft niet weg wat overtollig is, maar doet zichzelf tekort om de nood van de ander te kunnen lenigen. Hij ‘verarmt’ zichzelf.

            Het lijkt me kortom niet de bedoeling dat we ons M. *letterlijk* naakt moeten voorstellen: ‘nudus’ heeft een heel scala aan mogelijke toepassingen. Hooguit is hij nu – naar normale maatstaven – ontoereikend gekleed. In het Latijn van deze periode wordt ‘nuditas’ (overigens zeldzaam in eerder Lat.) veelal gebruikt in de zin van ‘gebrek, behoeftigheid, armoede’. Het punt is in elk geval dat de anderen met gemak een aalmoes hadden kunnen geven zonder het zelf te voelen, zonder iets weg te geven wat ze zelf nodig hadden.

            Als een iets vrijere, maar volgens mij hier wel toepasselijke vertaling van ‘sine sua nuditate’, zou ik “zonder zelf gebrek te lijden” voorstellen.

            1. Hoi Stephen, ik zou het met je eens kunnen zijn als 1) er niet gestaan had ‘nihil praeter chlamydem, qua indutus erat, habebat’ ”hij (Martinus) had niets behalve de chlamys die hij aan had” – het zou wel heel raar zijn als Severus daarmee impliceerde: ‘behalve de chlamys die Martinus aan had, droeg hij ook nog een tunica’, en 2) als sommige omstanders zich, uiteraard alweer volgens Severus, zich niet beschaamd hadden gerealiseerd: ‘ik had hetzelfde moeten doen – en dan was ik nog niet eens het slachtoffer geworden van nuditas’. Dat laatste impliceert dat Martinus’ daad leidde tot nuditas, en ook als je dat woord als gebrek’, ‘armoede’, wilt opvatten (wat inderdaad mogelijk is), leidt het tot de conclusie dat Martinus’ daad in zijn geval, anders dan bij de omstanders, tot ‘gebrek’, ‘armoede’ leidde – wat moeilijk te begrijpen als hij alleen maar zijn halve overjas had weggegeven en de est van zijn kleren had gehouden: dat is geen ‘nuditas’. Kortom: ik houd het erop dat Martinus volgens Severus slechts een chlamys droeg, en de helft daarvan weggaf. Dat is m.i. ook de enige manier om zijn actie als daad van betekenis te zien, anders wordt het een wel heel magere actie.
              Enfin, misschien moeten we deze gedachtewisseling eventueel elders voortzetten?

              1. Stephen van Beek

                Dank voor de uitvoerige repliek! Ik blijf helaas bij mijn standpunt: ad 1.) moeten we constateren dat M., zoals de context aangaf, wel degelijk andere bezittingen had, nl. de rest van zijn militaire uitrusting, en daar zou ik die tunica gewoon toe rekenen. De geciteerde bijzin vat ik op als een antwoord op de impliciete vraag: wat kon hij de bedelaar geven? ‘Hij bezat niets (wat hij kon weggeven), behalve …’.

                Alles weggeven wat je niet zelf nodig hebt *plus* de helft van iets wat je eigenlijk wél nodig hebt, beschouw ik niet als een magere actie, maar als een daad van morele heroïek, klein maar symbolisch veelzeggend, waarbij de omstanders zich terecht beschaamd voelen. Zij hadden, zoals gezegd, moeiteloos de nood van de bedelaar kunnen lenigen, terwijl dat nu gedaan is door juist de persoon die zich dat het minste kon veroorloven.

                (Vgl. de weduwe in Marcus 12:41-44.)

                Enfin, we kunnen de discussie desgewenst inderdaad elders voortzetten. In elk geval is het een belangwekkende passage!

          2. Robert

            Als Martinus al zijn kleding al had weggeschonken (zoals gesuggereerd wordt) zou dat betekenen dat hij naakt onder zijn chlamys zat. Misschien dat de auteur dat concludeert, maar het zou al een idiote toestand zijn geweest voordat hij deze bedelaar ontmoette!
            Ik denk daarom dat de informatie (hij had al kleding weggeschonken) op zich niet fout hoeft te zijn, maar dat het daarbij ging om zijn reservekleding. De actie met de bedelaar ging om wat hij aan had: een ondertunica, een lange broek, een warme lange dure overtunica (tunica manicata) en een mantel.

            ALS het überhaupt realiteit was natuurlijk, want een naakte Martinus die zijn mantel halveert, of een soldaat die lukraak uitrusting weggeeft is best wel vreemd. Eigenlijk.

  7. Paul van der Erve

    Ik houd het maar bij de interpratie van Martinus Nijhof.

    Martinus

    Dikwijls, Martinus, heilige naamgenoot,

    Als ik uw snijdend beeld zie, denk ik schamper:

    Ook gij waart klein, want aan uw naaste in nood

    Gaaft gij een helft, geen ganschen mantel.

    Gij steegt niet af als goed Samaritaan,

    Gij bleeft te paard boven den man verheven.

    Toen gij uw zwaard greept, hebt gij willen slaan

    Naar ’t creatuur dat zat te beven.

    Maar toen, uit deernis, uit geërgerdheid,

    Want zoo ontwaakt ons hart, hebt ge ingehouden;

    Toen, met een drift die eerst zichzelf kastijdt,

    Uw kleed gedeeld; toen half behouden.

    Zoo denk ik, staande voor een afgrond: Nooit,

    Nooit durf ik dieper dan mijn hoofd buigt blikken:

    Ginds wordt elke aanvang onverdeeld voltooid,

    Hier blijven half alle oogenblikken.

  8. Helma

    Is ‘overachiever’ van Robin Lane Fox of heeft hij het in zwang gebracht bij oudhistorici? 🙂 Het blijft uiteraard leuk. Maar nu ben ik wel benieuwd of hij het voor Alexander of ook in Pagans and Christians gebruikt..(of nog weer ergens anders).

  9. Arjen Dijkgraaf

    Het mooiste commentaar blijft dat van wijlen Wim Kan:

    Iedereen kent het verhaal van Sinte-Maarten
    Die een bedelaar de helft gaf van zijn jas
    Met dit stapelgek gebaar toonde hij wel zonneklaar
    Dat ie niet van Hollandse familie was
    Wij zijn nou eenmaal een ander ras

    Want een Hollander, een echte Hollander
    Maakt eerst een kladje wat ’t gaat kosten
    En dan houdt ie z’n hele jas

    ( https://muzikum.eu/nl/123-10121-136808/wim-kan/een-echte-hollander-songtekst.html )

  10. Marijke Verbree-Luttikhuis

    Dat heb ik nou nog nooit gehoord, dat de bijbeltekst over het oog van de naald waar geen kameel/dromedaris doorheen kan, verstaan wordt als “het is niet erg rijk te zijn want je komt het paradijs toch wel binnen”. In uw blog ‘Misverstand: Het oog van de naald’ van 4 juni 2020 schrijft u dat deze tekst leidde tot de gedachte dat ”zoals een groot dier met enige moeite wel door een kleine poort kon, rijkdom geen definitief obstakel voor het koninkrijk hoefde zijn”.

    De algemene erkenning die u deze karikatuur toedicht, is volgens mij zélf een karikatuur. In christelijk Nederland — de zottigheden in de VS ken ik niet — wordt de tekst naar mijn beste weten nooit geamputeerd, maar klinkt juist altijd nadrukkelijk het héle bijbelvers: “Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.” (Matth. 19:24)

    Oftewel: zo (gods)onmogelijk als het is voor een groot lastdier — met volledige bepakking aan weerszijden! — om zich door een minuscuul poortje te wurmen, zo (gods)onmogelijk is het voor een rijke die zich niet om de arme bekommert om bij God in de buurt te komen.

    1. Hui

      Zo blijkt maar weer eens hoe belangrijk een grondige een bronbestudering kan zijn, want dankzij mijn protestantse jeugd heb ik dat volledig citaat zo ook geleerd en uitgelegd gekregen.

    2. Het ging mij vooral over Amerikanen.

      Overigens is de interpretatie niet dat het er slecht uitziet voor een rijke die zich niet om de arme bekommert; dat zou te makkelijk zijn. Het ziet er slecht uit voor de rijke. Vgl. de snoeiharde parabel van de rijke man en de arme Lazarus, waarin duidelijk is dat er zelfs voor een rijke die tot inzicht komt, geen hoop is. Of het simpele principe dat de eersten de laatsten zijn en de laatsten de eersten. De utopie die Jezus schetst was geen vriendelijke; de rijken zouden worden gestraft.

      1. Marijke Verbree-Luttikhuis

        Sorry, op het gevaar af teveel off-topic te geraken, ik moet u toch nogmaals tegenspreken. Dat Jezus radicaal (“snoeihard”) is, lijdt geen twijfel, maar dat er “geen hoop” is, zoals u stelt, “zelfs voor een rijke die tot inzicht komt”, dat wordt niet ondersteund door de teksten waarnaar u verwijst: het verhaal over de rijke man en de arme Lazarus (Lucas 16: 19-31) en de parabel van de laatsten die de eersten zullen zijn. Volgens u is er “zelfs voor een rijke die tot inzicht komt” geen hoop.

        In de eerste plaats: het ‘inzicht’ van de rijke man is sowieso te laat, want hij bevindt zich inmiddels in het dodenrijk, waar hij wordt gekweld door vurige pijnen. Dat hij snapt dat zijn kwellingen verband houden met zijn leven — vanuit de verte ziet hij Abraham met Lazarus in diens schoot — is nauwelijks een inzicht te noemen, eerder een logische gevolgtrekking. Wat hij echter nog steeds níet snapt dat is dat het onrecht zélf dat hij beging niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Wat gedaan is, is gedaan. Dát onder ogen te zien is zijn straf.

        Het bezit zelf wordt niet bestraft (al vertroebelt het gemakkelijk de blik) maar het ontbreken van elk besef, reeds verwoord in “Mozes en de profeten”, dat je daarin niet slechts je vrienden laat delen — hetgeen voor de hand ligt; het zijn immers je vrienden — maar ook hen die je ‘niet ziet zitten’, zoals Lazarus in je voorportaal. Wie daar niet aan wil, aan dat ongemak, mist het zicht op God.

    3. Arjen Dijkgraaf

      Inmiddels heeft de biologische wetenschap de rijken natuurlijk aan een veel betere smoes geholpen: in een vroeg embryonaal stadium past een kameel mákkelijk door het oog van een naald. En juist volgens de meest fanatieke christenen telt zo’n klompje cellen al als volwaardige kameel – zie de argumenten van de anti-abortusbeweging.
      Vreemd eigenlijk dat ik dit argument nog nooit heb horen gebruiken…

Reacties zijn gesloten.