De Bergrede (8): het zout der aarde

Haliet (Museum van Kleef)

Een nieuwe zondag, een nieuw stukje over de Bergrede, en wel over de regels die volgen op het stukje van vorige week. Daarin ging het over de vervolging die voor de toehoorders van dit evangelie maar al te herkenbaar moet zijn geweest. Nu staat daar iets tegenover: de zoutmetafoor. In de Nieuwe Bijbelvertaling van Matteüs 5.13:

Jullie zijn het zout van de aarde.

Dit is op het eerste gezicht duidelijk. Jezus zegt dat zijn volgelingen het leven, ook voor anderen, smaak geven. Daaraan verbindt hij een inspanningsverplichting: zijn volgelingen moesten zich onderscheiden door goede daden. Dit is geen bijzondere gedachte. Joden waren Gods uitverkoren volk en dat schiep verantwoordelijkheden. Daarna wordt de passage echter ronduit vreemd.

Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.

Je hoeft geen scheikunde te hebben gestudeerd om te weten dat natriumchloride nooit minder natriumchloride kan zijn. Dit is bizar.

Moerneren

Wat in de Oudheid zout heette, was iets anders dan wat u uit het zoutvaatje strooit. Dat komt door de wijze waarop men de smaakmaker destijds produceerde. Voor zover ik weet waren daarvoor vier methoden.

Wijding aan Nehalennia door een zouthandelaar (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

In onze contreien was moerneren de aangewezen methode. Op een slik of een schor groef je tot je op het onderliggende veen stuitte. Dat droogde je, de turf verbrandde je, de as mengde je met water, dat liet je verdampen en je hield zout over.

Dit is in de Oudheid op enorme schaal gedaan. Hiernaast ziet u inscriptie EDCS-09401487: een wijding aan de zeegodin Nehalennia (“zij die bij de zee is”) door een uit het Moezeldal afkomstige, in Keulen verblijvende zouthandelaar, die zijn handelswaar betrok uit het huidige Zeeland. Ongewild heeft deze Marcus Exgingius Agricila bijgedragen aan een geologische ramp zonder weerga. Na lang moerneren hield je uiteindelijk geen slikken en schorren meer over. Zo is in de derde eeuw de Zeeuwse archipel ontstaan. In de Middeleeuwen kon de Elisabethsvloed om dezelfde reden even catastrofaal uitpakken.

Rotszout (Jordaniëmuseum, Amman)

Berg- en zeezout

De tweede methode was zoutwinning uit haliet, een mineraal dat in mijnen wordt gewonnen. Het komt in verschillende vormen voor, zie de foto hierboven en helemaal boven. Deze activiteit is vooral belangrijk geweest voor de Hallstatt-cultuur, die begon met de handel in bergzout. (Het element hall in “Hallstatt” betekent zelfs zout; even verderop ligt Salzburg, dat dezelfde betekenis heeft.)

De derde methode was dat je zeewater in een zoutpan liet stromen en wachtte tot het was verdampt. Soms gebeurde zelfs dat niet: ik heb weleens eens een vloeistofflesje in een museum gezien waarop ΑΛΣ stond, wat in dit geval beter als “pekel” dan als “zout” te vertalen is.

En tot slot: waar Jezus woonde, lag het spul in klompen naast de Dode Zee. Daar is weinig aan veranderd sinds de Oudheid, al is de zoutconcentratie van het water nu nog hoger en is dit inmiddels eigenlijk een pekelmeer.

Zout van de Dode Zee

Zuiver zout

Er zijn nog meer complicaties. In de Oudheid beschouwde men ook kaliumchloride als een zoutsoort, terwijl de bijproducten van de melkproductie ook verdraaid zout kunnen smaken. Denk ook eens aan kaas.

Waar het om gaat is dat antiek zout nooit echt zuiver was, of het nu ging om de klompen langs de Dode Zee of de opbrengst uit de zoutpannen, mijnen of schorren. Het had altijd een bijsmaak en kon daardoor smaak verliezen. Dat het zo juist zuiverder was dan daarvoor, onttrok zich aan de toenmalige kenners. Voor ons, gewend aan het zuivere spul, is de antieke metafoor onbegrijpelijk, maar zoals u merkt is geen hogere hermeneutiek verondersteld om van antiek zout chocolade te maken.

Enfin. Het bijbehorende muziekje is hier. Heb een fijne dag.

Naschrift 27 september

Een leuke reactie bij de mail: het grote probleem bij het bewaren van zout is dat het hygroscopisch is, het trekt water aan. Uiteindelijk blijft er een pappige massa over.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

7 gedachtes over “De Bergrede (8): het zout der aarde

  1. Arjen Dijkgraaf

    De vraag is wel of je die paar procent verschil ook echt proeft, tenzij je voldoende zout over je eten strooit om acuut nierfalen te riskeren.

    Overigens staat op de gemiddelde mineraalwaterfles ook een lijstje met aanwezige sporenelementen. Nederlanders zijn daar een stuk minder gevoelig voor dan bijvoorbeeld Fransen, die zo’n etiket nog lezen ook en zich gaarne laten aanpraten dat dat water daardoor unieke geneeskrachtige eigenschappen heeft.

  2. Leuk stukje!
    Dat van al die zoutsoorten wist ik nog niet, wel van de ramp aan de kust – helaas is die kennis nog niet overal doorgedrongen en spreken velen nog over de ‘zeespiegelstijging’ Duinkerke-II.

Reacties zijn gesloten.